DE PSEUDO-PRINS VAN JAVA.

Het was een mooie langzaam vallende zomeravond, en ’t wemelde van

bezoekers op het plein voor de Kurzaal te Wiesbaden. In het wijkend

licht schitterden de myriaden uiteenspattende droppels der

reuzenfonteinen in den grooten vijver; zacht teekenden zich op den van

hoog geboomte donkeren achtergrond de strenge witte lijnen der kolommen

en de scherpe omtrekken van het frontespice. Onder de hooge zware

bladerkronen van het park wandelde een menigte onverschillig dooreen,

gekomen uit alle windstreken, van allen rang, stand, ras en natie. Hier

en daar ving het pas ontstoken licht eener lantaarn aan den

natuurlijken overgang te breken en zag er nog geel en onfrisch uit,

ontijdig geboren. In de drukte der vele menschen werd op dat alles niet

gelet; men kwam om te ondergaan, niet om zich rekenschap te geven.

Men kwam óók wel om te genieten, maar niet zóó; niet van

lichtschakeering, kleurenwisseling of perspectief, dat was zoo mal!

Plezier kwam men maken; materieel genot zoeken, door wat het lichaam

in- en het lichaam uitgaat; in wat het lichaam en aan wat het om heeft;

in een dronkenmakende vermoeienis naast een onovertroffen luiheid,—in

wat men uitspanning noemt en dat inspanning is.

Het hinderde de drie jonge mannen niet, die, niet luidruchtig als

boemelende studenten, doch met iets indolents in hun langzamen stap,

tusschen de badgasten doorgingen; zij deden niettemin ook mee, het

hardst van allen, aan de vermaken, die ze onbeduidend vonden, reeds

half geblaseerd op deze kunstreis, komend van Londen en Parijs, gaande

naar Weenen, en steeds erop uit zooveel geld mogelijk zoek te maken.

En zij trokken de aandacht.

Elken dag zagen de badgasten hen op de wandeling, den een, reeds lang

heelemaal ’n man, met ’n bruin gezicht, goedig, vroolijk, uit groote

zwarte oogen familiaar rondkijkend, breed en sterk gebouwd, met

donkeren baard, te mooi gekleed door profusie van kostbaarheden, in het

midden; aan weerskanten twee slanke blonde jongelui, elegant gekleed,

aristocratisch van profiel door zuiver besneden buitenlijnen, afgeleefd

en ploertig van wezen in trekken vol gemeenheid.

„Het begint hier saai te worden,” zei Freddy Markens geeuwend, zonder

ook maar ’n poging om zijn verveling te verbergen.

„Och, ’t gaat nogal,” antwoordde Henri Uhlstra ook nu weer met

welbehagen rondkijkend. „’t Is hier verduiveld lekker.”

„Nu,” ging op zijn beurt Eddy voort, luid sprekend en in ’t Fransch,

„als het Uw Hoogheid hier bevalt, is niets ons aangenamer.”

Zij konden zich haast niet goedhouden van bedwongen lachen! Het was een

formidabele ui, vonden ze, en dat de vlieger zoo voortreffelijk opging

was buitengewoon amusant. Henri liet het zich welgevallen, had er zelfs

in stilte enorm veel genot van.

Toen zijn vader gestorven was, had hij met zijn broer samen Tji-Ori

gekocht uit den boedel en Koeningan erbij.

Daar had hij geld voor moeten opnemen en dat ging ook best; men bood ’t

hem aan, men zou als ’t ware gevochten hebben om het voorrecht op die

vrije en mooie groote landen geld te mogen geven als hypotheek.

Hij bleef zelf met zijn broer ’t beheer voeren, en ze werkten hard aan,

jaar in, jaar uit, strikt betalend op tijd rente en aflossingen.

Maar als hij op ’t kantoor kwam, was het altijd ’t zelfde: een der

beide chefs was òf naar Europa, òf kwam er vandaan, òf stond op het

punt er heen te gaan. En men sprak hem ook telkens daarover. Waarom zou

hij niet?

Hij overlegde het eens met zijn vrouw, die druk in de kleine en

grootere kinderen zat en er voor haarzelf niet aan dacht op reis te

gaan. Doch wat Henri betrof,—nu, dat mocht wel, vond ze, in het

aangename vooruitzicht, net als haar schoonzuster Roos vroeger, ook op

Tji-Ori te kunnen heerschen meer dan nu.

Toen hij ’t Markens vertelde, die toch wel had moeten eindigen met

pensioen te vragen, maar zeer net woonde en er goed van leven kon, dank

zij de financieele verbeteringen in de laatste jaren van zijn dienst,

kreeg hij dadelijk het adres mee van Eddy en Freddy, en een ongelukkig

toeval wilde, dat hij in Holland deze jongelui ook dadelijk bezocht.

Hij vond hen in moeielijke omstandigheden, pas afgewezen na een examen,

zonder geld, berooid, zich beklagend dat hun vader in ’t geheel niet

antwoordde op hun brieven, en zelfs die aan hun moeder onderschepte en

terughield.

Goedhartig, royaal, de waarde van het geld niet kennend, rijk, en zich

onbeholpen en niet op z’n plaats voelend in de groote beweging van het

europeesche leven, kreeg Henri Uhlstra ineens ’n gedachte.

„Weet je wat,” zei hij. „Ga met mij mee ’n reisje door Europa doen.”

„Je hebt mooi praten,” zei Eddy schamper met een duim- en

vingerbeweging, die koerang oewang aanduidde.

„Never mind,” blufte de andere, „wat het kost, betaal ik.”

De twee keken elkaar eens aan. ’t Was om gek te worden van de jool,

vonden ze zoo’n vette gans, zichzelf aanbiedend om geplukt te worden.

En in elkaars oogen lazen ze de belofte, dat ze die welgevulde

portefeuille secuur à faire zouden nemen.

„Het zou waarlijk te onbescheiden zijn,” merkte Freddy schijnbaar

verlegen op.

Maar zoo onbescheiden het dan was,—ze gingen mee op de reis door

Europa. Reeds te Parijs, waarheen men natuurlijk het eerst trok, vonden

ze de aardigheid uit, dat Henri Uhlstra zou doorgaan voor een incognito

reizenden oosterschen prins; Freddy en Eddy voor zijn secretarissen. En

het publiek in hotels en op openbare plaatsen geloofde het dadelijk,

niet enkel door ’t bruine gezicht van den „prins,” maar ook door zijn

veel en blank geld. Voor Henri Uhlstra was het om gek te worden van

ijdelheid; soms wist hij na een nacht van dolle pret bijna niet meer of

het slechts een dwaze vertooning was of werkelijkheid. Overal, heel

Europa door, werd hij met den grootsten eerbied bejegend; voor den

prins van Java ontblootten de autoriteiten in Duitschland, in

Frankrijk, in Italië eerbiedig het hoofd, diep en reverentelijk buigend

met geheimzinnige gezichten van: we weten wel, dat je een vorst bent,

maar we doen maar, om u te believen, alsof ons dat niet bekend is.

Onder hun drieën lachten zij erom, maar Henri, totnogtoe een eenvoudige

goede indische jongen, was er voor altijd bedorven door: hij had in

zijn bewegingen een gemanireerde voornaamheid gekregen, die inderdaad

aan oostersche vorsten deed denken, en voor zichzelf kreeg hij

zoetjes-aan de overtuiging, dat hij eigenlijk behoorde te zijn, wat hij

nu slechts voor de grap scheen te wezen.

Al doende trok hij maar wissels, de een voor, de andere na, tot hij op

een goeden dag, te midden van het vroolijkste leven te Weenen, per

telegram werd opgeroepen naar huis. Een zijner kinderen was gestorven,

en zijn goede hart sprak. Hij wou niet huilen, maar als het ook maar

eenigszins overeen was te brengen geweest met de positie van een

oosterschen prins, zou hij gehuild hebben. In elk geval moest hij

dadelijk naar huis.

Toen zij te Amsterdam terugkwamen, hadden zij geen verdere plannen

gevormd. Freddy vond een brief van zijn vader, Markens, zeer

teleurgesteld over het mislukt examen, maar alweêr half verzoend door

het samen reizen met Uhlstra voor diens rekening. Och, tegen dit

laatste had hij geen bezwaar. Waar was ’n particulier eigenlijk anders

goed voor? Nu, vond hij, moesten ze in godsnaam maar naar Indië komen.

Dáár zou hij wel probeeren „iets” voor hen te vinden; en hij zond het

geld voor hun overtocht erbij.

Zoo reisden ze terug, onbezorgd, vroolijk, ’n beetje laag neerziend op

de „baren,” die na hard gewerkt te hebben, ook na examens, een

benoeming hadden gekregen of in ’t particuliere een overeenkomst hadden

aangegaan, en die nu vol hoop op de toekomst naar het oosten trokken.

„We gaan toch niet onder slechte conditiën,” zei Eddy een der eerste

avonden aan boord tegen zijn broer. Zij hadden samen een hut en op den

rand der couchette, bij het flauwe schijnsel van ’n halflicht, spraken

ze zacht, wetend hoe gehoorig het is aan boord.

„Dat zal waar zijn! Maar nooit iets zeggen hoor! Aan pa ook niet.”

„Hoeveel is het bij mekaar?”

„Tweeëntwintig mille.”

Eddy schudde met ’n bedenkelijk gezicht, de wenkbrauwen en de onderlip

omhoog, langzaam het hoofd.

„’t Valt me niet mee. Als ik de kas had gehouden, zou het meer zijn

geweest.”

„Zanik niet. Er zijn zoo eeuwig veel duiten stukgeslagen.”

„Juist dáárom, Fred. ’t Had het dubbele kunnen zijn. Aan elf duizend

pop heb ik niks. Jij zou daar ook niks aan hebben.”

„Zou.... zou.... Je denkt toch zeker niet, dat ik je te kort doe?”

Eddy antwoordde niet. Hij dacht het wel, maar wat zou het helpen er

ruzie om te maken.

„Als het waar was,” zei hij, „zou het een smerige streek van je zijn.”

De andere zwoer de duurste eeden, dat hij „eerlijk” had gezegd, wat hij

„getikt” had, terwijl hij op reis de administratie voor Uhlstra voerde.

Doch hoe plechtiger hij dat bezwoer, met het overtuigendste accent der

waarheid in z’n stem, des te vaster werd Eddy’s overtuiging, dat zijn

broer hem gruwelijk had „bestolen.” En dat had hij ook.

Aan boord was door ’t beleid der jongelui Markens het effect juist

anders dan ’t aan den wal was geweest. Henri dacht, naarmate de stoomer

grooter mijlencijfer achter ’t roer kreeg, meer aan zijn huisgezin en

zijn zaken. Freddy en Eddy bluften op het geld, dat „pa” hun gezonden

had en telkens offreerden ze met zeker vertoon ’n glas champagne aan

Uhlstra, die zelf daar niet op lette, maar van wien vreemden aan boord

allicht konden denken, dat hij klapliep.

Op het kantoor in Indië ontving men hem gemoedelijk. ’t Was heel

vriendelijk en vriendschappelijk, maar toch lang niet het enthousiasme

van vroeger.

„Je bent me daar even aan ’t pierewaaien geweest!” was na de begroeting

de eerste opmerking.

„Ja,” zei Uhlstra losjes. „Ik heb aardig geld verteerd, geloof ik.”

Ze knikten toestemmend, maar als menschen die een feit erkennen,

waarover ze verstomd staan.

Eindelijk zei er een:

„’t Gezamenlijk bedrag, waarover je hebt gedisponeerd, loopt naar de

twee ton.”

Daar schrok Henri van. Hij had het montant zijner chèques al reizende

niet precies opgeteld, en het aan boord uitgesteld, bang voor de

waarheid.

En toch had hij het geweten; was het als had een andere mensch in hem

er nota van gehouden en het opgeteld. Dat het twee ton of daaromtrent

wezen zou, had hij aanhoudend gevreesd met een vage hoop op meevallen

en hij schrikte eigenlijk van niets anders, dan van een hem zoo goed

als bekend schuldcijfer.

„Enfin,” zei hij, „ik heb er pleizier van gehad. We zullen ’t wel weer

bijwerken.”

„Is het waar, dat je gereisd hebt met die zoons van Markens?”

„Ja; ze zijn met me mee geweest.”

„En heb je gefigureerd voor een oosterschen prins?”

Verlegen bloosde hij zwart.

„Hoe weten jullie dat?”

„God,” zeiden ze spotlachend, „dat weet hier iedereen.”

Henri Uhlstra keek er gek van op. Dáár had hij nooit aan gedacht! Hoe

kwam men in Indië toch zoo onaangenaam op de hoogte van wat in Europa

met indische menschen voorvalt; van hun doen en laten?

„Och!” zei hij met ’n kort lachje. „Het is ’n enkele maal gebeurd voor

de grap.”

„Nu,” hernam een der kantoorheeren, „men vertelt dat hier anders.

Jullie moeten maanden achtereen formeel zoo gereisd hebben.”

„Overdrijving,” jokte Uhlstra. „Er is niets van aan. Ik zeg je: het was

voor de aardigheid. ’n Enkele maal.... ik weet niet eens meer waar.”

„Je kunt niet begrijpen, hoe ze daar hier om hebben gelachen! Als ze in

de soes over je spraken, dan heette je altijd den zwarten prins!”

Met een onverschillig gezicht trok Uhlstra de wenkbrauwen en schouders

op, willend te kennen geven, dat hem al die praatjes onverschillig

waren. Maar inwendig was hij diep beschaamd, kreeg in zijn for

intérieur meer en meer een gevoel de overhand dat hij zich voor niemand

meer durfde vertoonen.

„Nou, en dan te Weenen,” vervolgde een der anderen onverbiddelijk.

„Wat te Weenen,” vroeg Uhlstra.

„Houd je maar niet van de dommen. Het is wel wat erg geweest voor....

een getrouwd man.”

„Maar dat is bespottelijk! Er is te Weenen niets gebeurd, dan waarvoor,

voor den donder! iedereen toch naar Europa gaat: concerten, musea,

opera’s....”

„Jawel, maar balletdanseressen, die men appartementen meubelt en

equipage geeft, behooren niet noodwendig op het program.”

„Heb ik....?”

„Wees niet kinderachtig! Dat je ’n onnoozel gezicht trekt straks bij je

vrouw op Tji-Ori is tot daartoe; hier behoef je je niet te geneeren.”

„Integendeel,” voegde er een ander bij. „We zouden er heel graag iets

van hooren. Kom, Uhlstra, wees nu niet zoo beroerd gesloten. Als men

zooveel geld heeft verteerd en zoo’n pret heeft gemaakt, mag men ’n

ander wel ’t verhaal gunnen.”

„Maar ik bezweer jullie, dat die balletdanseres ’n puur verzinsel is.”

Zij lachten hem uit in z’n gezicht, met onderlinge blikken van slimme

verstandhouding; gezichten, waarop hij kon lezen, dat ze hem nu

eigenlijk slimmer vonden, dan zij ooit gedacht hadden, dat hij wezen

zou.

„Het is natuurlijk best te begrijpen, dat je er in ’t publiek niet voor

wilt uitkomen.”

Henri zuchtte erom, den linkerarm opheffend in een gebaar van verzet,

dat door de anderen rustig werd afgeweerd.

„’t Is ook wel ’n beetje kras,” ging de ander voort. „Iedereen ziet wel

in, dat men niet op zoo’n vorstelijke manier door Europa reist, nog wel

als een oostersche prins, zonder.... enfin.... we begrijpen elkaar.”

„Nou soedah!” riep Henri boos.

„Goed, daar weten we alles van. Maar je zoo te afficheeren.... Zie je,

men moet toch een beetje denken om z’n positie. En dan zoo in ’t

openbaar een balletdanseres.... ’t Is niet om aanmerkingen te maken,

maar ik vermeen toch, dat het.... verkeerd van je is geweest.”

Doch de nieuwsgierige onder de kantoorlui voegde erbij:

„In elk geval: het is zoo het is, en je kondt nu ook wel eens gezellige

bijzonderheden erover loslaten.”

Doch Henri Uhlstra kon dat niet, want het was inderdaad niet waar. Hij

beproefde nog hun dit aan het verstand te brengen, maar vruchteloos;

zij lieten zich die balletdanseres niet uit het hoofd praten. Ten

slotte vertelde hij hun enkele zijner ervaringen, die ze gretig

opvingen.

„En hoe is het nu hier gegaan?” vroeg hij.

Zij keken elkaar eens aan.

„Och.... goed. Je weet wat we je geschreven hebben.”

De waarheid was, dat Henri Uhlstra het niet wist; een trommel in een

zijner koffers was vol allerlei half gelezen, even ingekeken, zelfs

geheel ongeopende brieven; zaken had hij zich op reis niet willen

aantrekken, en voor een indischen landheer zijn tien van de twaalf

brieven „der” firma altijd minder aangenaam.

„Dat is te zeggen, ik kan natuurlijk alleen oordeelen over wat ik heb

ontvangen.”

’t Was, vonden ze, waar, en zij erkenden dat duidelijk, tot vreugde van

Henri, die in geen geval voor zijn onverschilligheid en gebrek aan

belangstelling kon uitkomen.

In het kopieboek werden de brieven opgeslagen en gelezen, het groote

feit, dat hem in ’t gezicht vloog, was: zijn broer niet meer op het

land, administrateur een vreemde; rente en aflossing niet op tijd

betaald.... Verslagen en telkens ’t hoofd schuddend keek hij op de

ritselende velletjes vloeipapier met de flauw overgedrukte letters van

een loopende koopmanshand. Zijn pleizierreisje begon hem nu te wegen

als lood en nadat hij zijn folio had gezien in de boeken, ging hij heen

met een bezwaard gemoed, het gevoel van een misdadiger, heel anders dan

hij was gekomen: le coeur léger, met de enkele gedachte: wij zullen het

wel bijwerken. Zijn goederen had hij vooruitgezonden; er waren koffers

bij vol kostbare geschenken, voor Lize, zijn vrouw. Hij had zich véél

van haar vreugde en verrassing voorgesteld, maar dat was tamelijk wel

habis nu. Wat moest hij doen? Dien vreemden administrateur kon hij toch

niet houden, de eerste in hun zaken en niet van de Uhlstra’s! En den

man wegjagen, die er gekomen was door „de” firma, ’t ging toch ook

niet.

Zoo reed hij den weg op, mismoedig, niet wetend hoe hij uit dat alles

zou geraken, op welke wijze de knoop moest worden doorgehakt. Hij dacht

aan zijn vader; dien braven, soliden man. Maar die had ook z’n land

niet onder ander dan eigen persoonlijk beheer gelaten, zoolang het zijn

bezitting was!

Zoo, in zijn bendy eenigszins voorover gebogen, zat hij onaangenaam te

pikeren in de randschaduw van zijn witten hoed, met de teugels los, het

paard in een lam gangetje; geen schijn van een oosterschen prins! Al

wat hij om zich heen zag, kende hij door en door, maar toch was ’t hem

vreemd geworden; de lange stoffige weg vooruit keek hem aan alsof ze in

vele jaren elkander niet gezien hadden, en de gamelang, die hij hoorde

bij ’t naderen der grenzen van zijn land, waar hij feestelijk werd

ingehaald, deed hem zuchten; de „schöne blaue Donau” klonk toch heel

anders!

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 45 / 83 题