EEN TRAGISCH EINDE.

Het ging of hij ’s werelds beloop voor het bevelen had, precies zooals

hij ’t zich had voorgesteld. Er kwam een blond jongetje; het nam Roos

en haar moeder, uitgelaten daarover van vreugd, totaal in beslag. En

net zooals hij ’t had berekend, volgde vier weken later de bespreking

van den dag van terugkeer. De Uhlstra’s waren intusschen veelvuldig

gekomen, vader en kinderen; mevrouw Lugtens was ook geweest; zij en

Geber heel effen tegen elkaar.

Men had het idee van zelfmoord glad vergeten. Uhlstra logeerde op

Koeningan, den dag vóór het naar huis gaan zijner vrouw, die hij

eigenlijk kwam halen.

’s Avonds zat hij, terwijl de dames naar bed waren, onder ’n

brendy-soda met Geber in de voorgalerij na te praten, altijd maar door

over zaken, ’n gemoedelijken boom tot vrij laat; aan niets minder werd

gedacht dan aan akeligheid.

Inwendig raakte Geber opgewonden; uiterlijk bleef hij kalm; de breede

vleezige bruine hand van Uhlstra had met een luid „slaap lekker!”

hartelijk en krachtig de zijne gedrukt.

Goddank, dat die weg was!

Niet, dat Geber iets te denken had,—enkel het alleen zijn trok hem.

Overigens deed hij, net als gewoonlijk, het licht uit in z’n kamer en

het nachtlichtje aan. Maar in dat schemeren lag hij wakker op zijn bed,

glimlachend vol verlangen tegen de voor zijn gesloten oogen oprijzende

phantasmagorie, schitterender, heerlijker dan ooit, en daarnaast in

onheilspellende disharmonie de droefgeestige tegenstelling der

vervelende onbeduidendheid en der duffe ellende van het werkelijke

leven.

Tegen vier uren stond hij op, rustig en kalm. In huis was alles

doodstil. Zacht opende hij de kamerdeur en ging naar buiten; de maan

scheen verblindend helder, zoo scherp in witte tint gezet als bij

vriezend weêr in een noorschen winternacht. Toen hij in de badkamer

zijn bougie aanstak op het porseleinen blakertje, beefde zijn hand

niet; hij dacht er ook niet over, dat hij voor de laatste maal daar

was; hij dacht nergens over, handelend, met de groote rustige zekerheid

van een automaat.

Zóó kwam hij ook weêr in zijn kamer en kleedde zich netjes, zorgvuldig;

terwijl hij anders liep op het land in een witten pantalon en een

kabaai, hoogstens een licht jasje,—deed hij nu een schoon overhemd aan

en ’n zwarte jas, met zorg den moeilijken strik leggend in zijn losse

das, als ging hij naar een partij.

Hij lachte er niet bij, vond het geen gek idee op die wijze toilet te

maken onder zulke omstandigheden; hij ging er meê voort, ernstig en

netjes, correcter dan ooit zijn gewoonte was.

De brieven en stukken lei hij op de tafel voor het venster, zóó dat ze

dadelijk in het oog vielen.

Alles was nu klaar: hij zag de kamer rond bij het schijnsel van de

groote lamp, die hij had aangestoken. Er kwam geen seconde eenige

ontroering over hem; hij keek enkel als om zich te vergewissen, dat hij

niets had vergeten. Neen, niets!

Uit een kastje haalde hij een fraai pistool met geïncrusteerd belegsel,

dat hij eens gekocht had voor veel geld, jaren geleden; al dikwijls had

hij het in den laatsten tijd onderzocht, maar hij keek het toch nog

eens na, en liet, voor hij ’t laadde, den haan werken, die zacht en

gemakkelijk overging; hij stak het pistool in den zak van zijn jas;

keek door zijn lorgnet nog even naar de adressen der brieven op de

tafel en ging heen, zachtjes op de teenen, om geen gerucht te maken bij

het loopen op de houten trappen langs het venster, waarachter Roos

sliep met de kleintjes.

De wachter sloeg op ’t blok halfvijf.

Vast schreed Geber voort over het pad door de rijstvelden; in de

bijzonder nette kleeding, de stijfheid van het boordje voelende sluiten

om zijn hals, liep hij, anders wat voorover gaand, rechtop nu met het

instinctmatig gevoel van een „gekleed” mensch. Zoo ging hij voort naar

het kleine bosch aan de rivier; hij zag het al in het maanlicht als een

donkere massa scherp afgeteekend tegen het lichtviolet in de lucht. De

zoetachtige geur van vergaand gebladerte dufte hem tegen uit de donker

beschaduwde laan. Maar hij wist wat hij deed.

Hij had daar een breede bank laten timmeren, kort op de pooten, en die,

ongeverfd gebleven, grauwde reeds hem tegen in de verte door de

lichtplekjes, die tusschen de bladeren door op de nieuwe planken

vielen.

Als legde hij zich voor een rustig slaapje neer, zoo voorzichtig

onderzoekend liet Geber zich achterover op de bank, zijn hoed hangend

aan een uitstekenden stijl, bang voor ’t vuil worden op den grond. En

bestudeerd draaide hij met zijn hoofd om ’t niet te veel naar achter in

te trekken, maar meer in de goede voorwaartsche richting. De

lichtkringetjes door het loover zwierven over hem, den schuin omhoog

stekenden blonden baard bij plekjes verguldend en glanzend over zijn

kaal hoofd. Hij meende nu goed te liggen en zette het pistool voor zijn

voorhoofd, stipt oplettend waar en hoe hij middenin de drukking voelde

van het koude o’tje van de tromp.

Er kwam maar een doffe knal, die niet ver droeg; de arm sloeg neer

langs het lijf, dat even trok en toen heel stil lag; en de stukjes

licht uit het zacht bewogen loover zwierven nu over het stille bleeke

gezicht en over de bloeddroppels, die langzaam afvloeiden van zijn

hoofd, neerlekkend en kleurverspreidend op het grauw van ’t ongeverfde

hout.

Men vermiste hem zoo gauw niet op Koeningan.

Alleen aan het ontbijt vroeg Roos haar vader, die gekleed was om met

zijn vrouw naar huis te gaan:

„Waar is Willem toch?”

„Ik denk dat hij eerst is gaan kijken naar het werk.”

Dat dachten zij ook; hij zou dat eerst gedaan hebben om op z’n gemak

nog ’n oogenblik voor het vertrek van z’n schoonouders met hen te

praten.

„Het is toch vreemd, dat hij er nu nog niet is,” zei Uhlstra, een paar

uren later, terwijl bij hem het eerst een vermoeden oprees, dat hij

toen ook dadelijk in zijn binnenste tot een overtuigende waarheid

voelde groeien, die hem bleek deed worden van schrik.

Op een antwoord wachtte hij nu niet, maar liep naar voren, waar reeds

lang zijn rijtuig stond te wachten en de koetsier de paarden nog een

stap of wat dichterbij bracht, denkend dat het oogenblik van afrijden

er was.

Uhlstra riep den mandoor, den schrijver.... Zij wachtten allen op

orders; zij hadden den toean niet gezien. Roos en haar moeder waren hem

gevolgd, nu ook ineens ontsteld door Uhlstra. Zij zagen elkaar aan,

zwijgend bevend.

„O God!” barstte Roos huilende uit. „Ma, hij heeft zich gezelfmoord.

Dat is verschrikkelijk!”

Het hielp niet of haar moeder aanving tegen eigen overtuiging te

redeneeren. Roos herhaalde het telkens, snikkend en jammerend uit

momenteel naar verdriet, plotseling opgekomen met groote kracht.

De kalme brieven in hun groote witte enveloppen op de tafel van zijn

schoonzoon joegen Uhlstra koude rillingen door het lijf; zijn dikke

handen grepen ernaar, ze dooreen schuivend van zwaar beven om dien te

grijpen aan zijn adres; hij kon het enveloppe niet open krijgen zoo

schudden hem zijn zenuwen, en hij scheurde daarbij den brief zelf haast

dwars doormidden.

Er viel niet meer te twijfelen; dat werd ook niet meer gedaan. De

aanwijzingen waren duidelijk; men stond tegenover een ordelijk beraamd

en uitgevoerd plan. In den heeten zonnegloed sjokte Uhlstra zijn zware

gestalte over het wegje door de sawahs, met groote stappen, in zijn

zenuwachtigen, opgewonden toestand nu en dan het eene been struikelend

over het andere. Achter hem aan sukkeldraafden een half dozijn

inlanders, een baleh-baleh op de bloote schouders, aangevoerd door den

mandoor. Zij konden recht afgaan op het doel en vonden het lijk,

waarover, bij vele duizenden, de mieren zich repten. Het gezicht,

weinig veranderd, vaal en strak. En het was of de dood te zien wilde

geven, wat het leven zoo zorgvuldig had verborgen voor anderen; of hij

reden wilde toonen als een verontschuldiging: het wassig, smal, in

schaduw-zwart vervallend gezicht toonde een uitdrukking van

geesteslijden, van aberratie, die zelfs een zoo weinig scherpzinnig man

als Uhlstra overweldigend trof.

Met zijn zijden foulard bevend voor den mond gedrukt, groote tranen

huilend om den vriend van zooveel jaren, stond hij, geleund op zijn

dikken rotting, bij het lijk, voor de bank, de inlanders achter hem,

aan den anderen kant der laan neergehurkt; de mandoor rechtop met een

meewarig kasian-gezicht, op zij uitkijkend.

„Arme bliksem!” fluisterde Uhlstra bij zichzelven, het hoofd

herhaaldelijk schuddend, met slik op slik in zijn benauwde keel. Door

een ruk met het hoofd wenkte hij de mannen, die nu de baleh-baleh

plaatsten tegen de bank, en zijn rotting latende vallen op den grond,

boog Uhlstra zich, schoof voorzichtig zijn breede sterke armen onder

het lange magere lichaam en tilde het over, behoedzaam alsof hij een

kind behandelde.

Thuis was alles in rep en roer. Het werk op de velden en in de stallen

was gestaakt; het gerucht liep ook hier als een aangestoken

kruitslangetje over het land; van alle kanten stroomde ’t volk toe, en

velen deed het leed, want Geber was altijd goed geweest voor de

menschen.

Roos, heelemaal overstuur, en nu ineens bemeesterd door een gevoel van

liefde, dat in Geber’s leven nooit zoo voor hem had gesproken, stelde

zich aan als een wanhopige, jammerend bij ’t lijk, de haren loshangend,

bleek, handenwringend en met waanzinnig gepraat tegen het doode

lichaam, waarbij de basstem van Uhlstra goedig troostend en bedarend

doorkwam, tot haar moeder haar weghaalde eenigszins driftig en kortaf.

Er was geen tijd voor veel redeneeren, voor droefheid lang van stof; er

moest gehandeld worden.

Van vele zijden kwam de belangstelling opdagen, zoo gauw de kortste

tijd voor mededeeling vereischt maar om was; en bij de begrafenis op ’t

land waren zooveel Europeanen, dat ieder voor zich er verbaasd over

stond. Het ging alles stil in ’t werk; geen redevoeringen; dat had

Geber in een zijner brieven verzocht.

’s Avonds zaten ze met hun drieën in zijn kamer, Lugtens, Twissels en

Uhlstra, en ze vergeleken de becijferingen van Geber met die van ’t

handelshuis.

Het klopte tennaastenbij; voor een losse berekening zelfs bijzonder;

zóó dat deze mannen erop tuurden met bewondering, niets kunnende

begrijpen van een dualistische hersenwerking, die vooroorlooft in het

een blijken te geven van geregeld verstand, en die in het andere

dwingend en onverbiddelijk leidt tot afdwaling en krankzinnige

miskenning van het leven.

„Neen, dat maakt mij niemand wijs, hoor!” zei Lugtens apodictisch.

„Iemand, die zijn zaken zóó flink bijhoudt, heeft de vijf tot zijn

dispositie, en goed ook.”

„Wis en waarachtig,” gaf Twissels toe, het kleine hoofd hoog

uitstekend, als ’n haan die kraaien wil. „Zijn boeltje is

voortreffelijk in orde.”

„Het is onbegrijpelijk,” zuchtte Uhlstra.

Toch was het zóó. Uhlstra had het gezien, dadelijk, toen hij ’t eerst

bij het lijk kwam, en in zijn ziel hield hij de overtuiging vast,

maar.... zijn hoofd twijfelde; wat hij gewoon was te beschouwen als

zijn „gezond verstand,” zei hem, dat de anderen gelijk hadden; wees

terug de mogelijkheid van een accurate plichtsvervulling in den arbeid

samengaand met welke soort verstandsverbijstering dan ook.

Zij gisten nog wat. Uhlstra sprak van de erfelijkheid, en alsof dat de

meest gewone zaak was, iets dat binnen een eigen hekje stond, buiten

eenig verband met harmonische werking van den geest, werden ze het

daarover eens. Welzeker, het was erfelijk; het zat in de familie;

daartegen was niets te doen; het was een ander soort fatum, dat te

gelijk alles verklaarde en niets. Habis perkara!

Zij hadden nu het aandeel van Geber vastgesteld in de gezamenlijke

winsten der kongsi; het was een mooie som; zonder iets erbij was Roos

een gefortuneerde vrouw; met haar eigen vermogen en Koeningan waren zij

en haar kinderen rijk.

Ondeugend keken de scherpe oogen van Lugtens naar de wazige, vermoeide

trekken in het flets gezicht van Twissels.

„Het is heel aardig,” zei hij, zijn barsche stem uitzettend, „heel

aardig voor den korten tijd. Maar de man is ter ziele, en voor zijn

weduwe is alles hiermeê uit.”

Twissels trok de wenkbrauwen op en den mond samen, kopdraaiend, erg

ongerust, begrijpend waar dat heen moest. En hij durfde toch niet veel

te zeggen fatsoenshalve.

„Met het overige erbij is het magnifique,” bracht hij toch, met zijn

stem tot in de hoogste tonen loopend, tusschenbeide.

„Jawel! Maar met dat overige hebben wij nu niets te maken. Ik wou er

daarom, wat onze zaken aangaat, nog een ton opzetten.”

De anderen zwegen. Twissels bleek, met een arme-zondaarsgezicht,

leelijk in het nauw, verlegen met de zaak; Uhlstra ook verlegen, zijn

baard met ijver wrijvend, zijn gewoon manuaal.

„Wat zeg jij Uhlstra? Jij bent de oudste.”

„Ik.... zie je.... natuurlijk heel graag. Maar zij is mijn dochter...”

Lugtens veegde dat bezwaar weg, met een korte imperatieve handbeweging.

„En jij Twissels?”

Hij trok met neêrgeslagen oogen streepjes over ’n stuk papier, inwendig

landerig om de drieëndertig mille, die hem daar zoo onnoodig „door den

neus werden geboord,” en pijnlijk glimlachend zei hij:

„Wel, als jullie het goedvindt.... dan natuurlijk..... vereenig ik me

ermeê.”

De twee anderen keken elkaar eens aan. Lugtens met zijn dik, glanzend

gezicht vol plezier; ze verstonden die zinspeling op de kracht der

meerderheid, maar doodleuk lieten zij het erbij.

’t Was van den kant van Roos: luid gekreten, ras vergeten, en overigens

ging het Geber als ieder ander wiens plaats open valt. Het hiaat werd

aangevuld. Men werd het erover eens, dat Roos niet op het land kon

blijven. ’t Ging haar zeer aan ’t hart; zij had eerst gedacht, er een

harer jongere broers op te nemen, en Uhlstra vond dat ook ’n idee.

Maar: „Dank-je wel,” had ’t jonge mensch gezegd. „Ik wil bij vreemden

met plezier werken; de opziener van Roos te worden,—daar pas ik voor.”

Ten slotte kocht Uhlstra van zijn dochter het land voor wat hij eens

geboden had aan Geber: ’n half millioen, en hij kwam met het geld in

den vorm van een wissel in z’n zak. Waarvoor zou hij het koopen op tijd

en rente betalen? ’t Behoefde immers niet. Nu kon zijn jongere editie

er vrij administrateur zijn.

In de kongsi werd niemand meer genomen. Het drietal werkte buiten hun

gewone zaken met hun bijzondere stil voort, met de laatste nog meer

verdienend dan met de eerste. De eene werd afgesloten; een andere weêr

op touw gezet. De hulp van Markens bleef noodig, en zij waren royaal

tegenover hem, zoodat hij, ondanks alles, er zelfs in begon te slagen

iets over te houden.

De snel wisselende indische maatschappij veranderde intusschen; er

gingen lieden heen met fortuin; daar kwamen er om te trachten het te

maken; uit de ambtelijke wereld togen zieken heen en kwamen gezonden

weêr; hield het eindeloos elkaar vervangen van gepensionneerden en

baren aan. Veel bleven er niet: de pechvogels en de slechten zakten af

naar de kampongs en de achterbuurten; de „niet-bepaald-boffers” bleven

op ’n zekere hoogte staan en konden niet vóór- en wilden niet

achteruit.

Honderden malen werd in al die kringetjes met verwondering gevraagd:

waarom toch zulke menschen als Lugtens en Twissels niet naar Europa

gingen; zij waren immers zoo rijk! Van de Uhlstra’s kon men het

begrijpen, omdat ze allen zulke echt indische menschen waren. En de

ambtenaren hadden elk jaar meer ’t land over het aanblijven van

Markens, met zijn hooge lucratieve positie en zijn dubbel en dwars

verdiend pensioen. Waarom ging nu zoo’n man den dienst niet uit!

Onder elkaâr spraken ze er ook wel eens over, en ze hadden met genoegen

’n jaartje „eruit” gegaan, als de drie particulieren niet van oordeel

geweest waren, dat zij te drukke en te mooie zaken deden, en het

„zonde” was die niet zelf te behandelen. Daar hadden ze zoo’n

liefhebberij in. Self-made-men als zij waren, hadden zij den arbeid

hard aangegrepen, en nu zij zich er bovenop gewerkt hadden, hield hen

de arbeid vast; konden zij zich er niet meer van losmaken.

En Markens dacht, dat wie opstaat zijn plaats kwijt is. Nu, na zooveel

jaren dienst, nu eerst begon hij wat geld te krijgen; en dat monterde

hem zoo op bij zijn veelvuldig huiselijk verdriet! Want de berichten

uit Holland over zijn jongens waren heel ongunstig; het kostte al zijn

invloed en de grootste moeite voor zijn gemachtigde om ze niet van de

eene school vóór, de andere ná te zien wegzenden. Wat hij met zijn twee

zonen moest aanvangen,—als hij daaraan dacht.... neen, men zou hem niet

zoo gemakkelijk uit den dienst krijgen!

„Waarom zouden we naar Europa gaan?” vroeg Lugtens, toen Clara, die er

wel zin in had, hem vertelde, hoe onder dames het idee haar was

aangepraat. „We krijgen hier immers net zoo goed alles. ’t Duurt wat

langer, dat is het eenige. We krijgen nu ook ’t spoor!”

Hij moest erom lachen! Als dat spoor ooit opbracht, aan de

aandeelhouders, wat het voor de kongsi had opgeleverd, dan waren ze wèl

af!

„We zullen ’n groot feest vieren bij de opening.”

„Nu ja, ’n heerenfeest.”

„Voor jullie ook. En dan heb ik nog een plan. Zoo’n openingsfeest is

goed en wel,—maar toch ’n beetje te veel voor Jan-en-alleman.”

„Wat wou-je dan?”

„We moeten een extra trein laten loopen. Ik zal een buitenpartij

organiseeren, zooals er nog nooit een in Indië is vertoond.”

Het denkbeeld vervulde hem; ’t was zoo vorstelijk, zoo echt

grootscheeps, vond hij, en Clara lachte die partij ook toe; niet om

dien trein, maar omdat ze erg in haar nadeel was veranderd na Geber’s

dood, dien ze zich echter minder had aangetrokken op zichzelf,

overtuigd, dat de zelfmoord den een of anderen dag gebeuren moest en

zou. Nu hij dood was, scheen een band te zijn losgeraakt, dien ze

vroeger nooit had gevoeld, en die toch moest bestaan hebben; zij was

minziek geworden in den meest gewonen zin. Reeds was zij op een

leeftijd, dat veel moest verborgen worden door de hulpmiddelen van het

toilet; zij deed dat met tact en overleg, en zij wist zich zóó te

vertoonen, dat zij voor een man ’n aangename verschijning was. En

dáárop werkte zij nu, zonder veel terughouding.

Het al bekende plan wierp voor velen als een schaduw over het algemeene

feest der spoorwegopening. Zouden zij gevraagd worden op de groote

buitenpartij waarheen ’n extra trein zou rijden? Menigeen dacht bedrukt

aan een mogelijk voorbijgaan. Ze waren zóó ontzaglijk hoog en rijk, die

menschen! Daar kon niemand eigenlijk bij.

En toen de groote dag kwam, stond voor het perron van het nieuwe

spoorwegstation des ochtends de eerste extra trein op de jonge lijn, in

de groen en bruin glanzende nieuwheid zijner personenwagens; de

locomotief, zachtjes stoom opmakend, in zwarte deftigheid met als goud

schitterend kopermontuur ervoor; onder de vroolijk grijsgele marquise

met zonnestraaltjes lichtend door haar ijzeren lofwerk omhoog, hing de

verflucht van het nieuwe, en alles zag eruit frisch, net, vriendelijk,

als pas uit een reuzenspeelgoeddoos gehaald en met zorg opgezet.

De gasten, al opgewonden, in helder wit gekleed meest, met ’t kleurig

rood en blauw ertusschen van de linten en strikken der dames, stapten

de treden op der wagens. De voorste eerste-klas-coupé werd ingenomen

door Markens, Lugtens, Twissels en Uhlstra en hun drie dames; zij

zaten, nu, tegenover de kijkende smalle gemeente van op het perron

achtergebleven klerken en beambten, die rondslenterend of bij elkaar

staande ’n sigaar rookten,—in deftige ongenaakbaarheid, als ’n

eigenlijk afzonderlijke soort menschen, ver boven de rest.

Zij hadden zich nog nooit zoo gevoeld als in dien coupé van den extra

trein; nog nooit, scheen het hun toe, had de glorie van hun fortuin zóó

geschitterd, waren zij zóó geweest on the top of the tree. En toen de

stoomfluit de bel beantwoordde, en de trein wegtrok onder de schaduw

uit in de zon op de lange ijzeren baan, keken de achterblijvers de

reizigers na met afgunst en bewondering. Wat waren, dachten ze, die

menschen toch rijk en gelukkig!

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 43 / 83 题