ROOS GEWAARSCHUWD.

Wezenlijk werd Geber bewaakt sedert Uhlstra op Koeningan was geweest.

Men had daar eenigszins vreemd opgekeken van het bezoek.

„Ga je meê?” vroeg Geber, die aan belangstelling dacht voor de zaken

van het land, en op ’t punt stond hier en daar eens te gaan kijken.

„Dank-je. Ik zal Roos gezelschap houden tot je terugkomt.”

„Hé pa!” riep Roos verwonderd. „Gaat u niet eens meê kijken met Wim?”

Ze begreep daar niets van.

Papa was zoo’n beste man, vond zij, en de broers en zusters waren dat

eens; maar hij was niet iemand, die zou blijven babbelen over koetjes

en kalfjes, als er onder mannen te praten viel over zaken. En dan nu!

Wantrouwend keek Geber zijn schoonvader aan.

Er zat, dat dacht hij ook, iets achter. Niets kwaads,—van zoo iets kon

men Uhlstra niet verdenken; maar toch iets, dat men voor hem, Geber,

niet wilde weten.

„Hoe is het met Willem den laatsten tijd?”

„Och..... zoo.... niet goed, vond ik. Hij is niet bepaald ziek... ik

weet het wezenlijk niet.”

Zij leunde achterover in den wipstoel, zittend op ’t randje, in elke

houding ontspanning zoekend voor haar moeielijke positie, breeder van

schouders dan ooit, een beeld van rustige levenskracht laag bij den

grond.

Uhlstra aan den anderen kant van de tafel, het groote ronde vlak van

wit marmer tusschen hen in. Met zijn rijzweep tikte hij op zijn schoen,

de rechtervoet op de linkerknie rustend, het bruinbaardig gezicht,

donkerder onder de schaduw van den helmhoed, aan één kant hel in het

slaglicht van buiten in de galerij; mooi van zware tint, doorkrieuweld

met ’t kleine wit der grijze stoppels in het vele zwart en bruin.

Verlegen keek hij naar het tikken met zijn zweep, en toen op naar zijn

eigen oogen in het hoofd van zijn oudste dochter.

In de verte liep Geber door de djoarlaan naar den nieuwen aanplant;

voorover ’n beetje, oudachtig in zijn houding, onzeker stappend, een

loop zonder wil of beslistheid.

Uhlstra had moed gevoeld thuis; nu zonk hem ’t hart in de schoenen. Hij

dacht naar zijn weten; hoe kon hij ook anders! In Roos zag hij een

liefhebbende vrouw, een die dol veel hield van haar man, in alle

opzichten; die een kind had van dien man, en die, als men vroeg wanneer

het tweede kwam, wel kon antwoorden: „Straks.” Zij was zijn dochter,

het waren zijn kleinkinderen; het was zijn schoonzoon en zijn oude

vriend en buur.... Waar was de vroegere tijd gebleven.... En nu moest

hij haar zeggen, dat Willem rondliep met plannen tot zelfmoord; hij

moest het, naar zijn gedachten, voor Roos zoo goed en rustig huiselijk

leven met geweld uiteentrekken om haar te waarschuwen en te trachten

Geber te redden, te beveiligen tegen zichzelf. Uhlstra voelde zich zoo

hulpeloos als een kind; hij kon het niet zeggen; hij zou het niet

gezegd hebben, al waren er tien landen meê te verdienen geweest.

„Wat is er toch, pa?” vroeg Roos.

Hij keek weêr naar zijn interessanten schoen, tik, tik! met de

rijzweep.

„Niets, niets! Ik kom maar ’reis kijken hoe jullie het maken.”

Zij geloofde er geen woord van.

„Willem ziet er slecht uit, non!” ging hij gemoedelijk voort. „Laat hem

met me meêgaan; hij moet....”

Maar ze werd boos.

„Wel pa, dat vind ik heel aardig van u. Willem is, vindt u, ziek, en nu

moet hij maar naar de stad en onder geneeskundige behandeling, en zeker

’s nachts tot drie, vier uren ’n partijtje met u maken tot geheel

herstel van gezondheid! En ik dan?”

„Het is waar, kind, het is waar. Ik dacht daar heusch niet aan, zoo

dadelijk.”

„Erg lief van u!”

„Jij bent ook altijd zoo wèl!”

„O zoo! en daarom kom ik niet in aanmerking. Plezierig, ja! Wim eet en

drinkt goed, is altijd op de been, maar ziet bleek en wordt mager. Wel,

dat is zeker niet goed! maar het zóó te overdrijven, en er niet tegen

op te zien hem meê te nemen, en mij nu hier alleen te laten zitten....”

Roos begon ervan te huilen, eigenlijk meer uit kwaadheid, en Uhlstra,

nu heelemaal van de wijs gebracht, kwam met domme verontschuldigingen,

de een het niet beter makend dan de andere.

Ze hadden het nog aan den stok met elkaar toen Willem, door

nieuwsgierigheid gedreven, terugkwam.

„Ik wou je niet graag alleen laten zitten,” zei hij tegen Uhlstra.

Zijn vrouw had hem zien aankomen met booze blikken onder haar lange

omkrullende wimpers.

„Als pa bij mij zit,” viel ze uit, „is hij, voor zoover ik weet, niet

alleen.”

Verwonderd keek Geber haar aan, verbluft zelfs. Zoo iets ongewoons had

hij nooit gehoord. Hij zag dat ze gehuild had, en zei eenvoudig weg:

„Je hebt gelijk. Neem ’t niet kwalijk; het was zóó niet bedoeld.”

„Maar jullie zegt het toch maar. Pa ook, weet je. Ze maken zich

ongerust, omdat je onlekker bent; ze willen je te logeeren vragen om...

te genezen, en mij dan hier mijn gang maar laten gaan. Lief hè? Zoo

zijn ze tegenwoordig thuis....”

„Praat er niet verder over,” zei Geber kalmeerend, „ik zou het immers

toch niet doen;” en tot z’n schoonvader: „Hoe komt het bij je op!”

Uhlstra was blij, dat hij weêr terug kon gaan, schoon onverrichterzake.

Bij al zijn meêgaandheid was hij een krachtig en moedig man, doch dat

waren geen stukjes voor hem; en zijn vrouw, die al verwonderd was

geweest toen hij, zoo brani, dadelijk bereid was naar Koeningan te

gaan, wachtte hem af vol ongeduld en nieuwsgierigheid. Zij zag het al

aan z’n gezicht toen hij van ’t paard steeg.

„Wel?” vroeg ze. „Hoe is het gegaan?”

Maar Uhlstra, nu met de zaak verlegen, gaf geen antwoord, en zij

vervolgde:

„Ik wed, dat je niets hebt gezegd.”

„Dat heb ik ook niet, want Roos was al heelemaal uit haar humeur.”

„Haar humeur!.... Maar ’t moet toch gebeuren, vent, en ik zal het doen,

ja? ik laat dadelijk inspannen.”

In haar hart vond ze het aardig, dat hij ’t niet had kunnen doen; zij

maakte er hem ook geen verwijt van; zij had hem er, integendeel, te

liever om.

„God!” riep Roos, naar voren waggelend, toen het zoo goed bekende

rijtuig voor ’t landhuis reed. „Daar heb je waarachtig mama!”

En meteen begreep zij, helderde het zich voor haar op, juist als voor

Geber: er was iets dat papa had willen zeggen en dat hij had verzwegen.

Erg vriendelijk was mevrouw Uhlstra tegen haar schoonzoon niet. Die man

gaf haar meer soesah dan al haar kinderen saam. Zij had, nu, een hekel

aan hem, en Geber zag dat aan haar donker gezicht.

„Hoe gaat het met je?” vroeg ze op een toon, die aan de woorden het

karakter gaf van een scherp verwijt; zij klonken als: Lammeling, er is

met jou ook altijd wat en nooit iets goeds.

„Uitstekend!” zei hij met den spottenden glimlach, dien ze niet uit kon

staan; hij voelde heel goed wat er stak achter de belangstellende vraag

naar zijn gezondheid, en hij wou niet, dat ze er plezier van zou

hebben.

„Uitstekend, maatje! Het is louter verbeelding, dat ik onwel zou zijn.

Ik ben nooit zoo gezond geweest.”

Zij keek eens op naar zijn bleek en mager gezicht, dat zoo droevig in

tegenspraak was met zijn woorden, maar zij voelde geen kasian. Was dat

een schoonzoon! Nu gold het nog Roos alleen; maar als de andere meisjes

ook zulke laki’s moesten krijgen, zou zij voor de eer van het

schoonmoederschap, hoe ook gewenscht overigens, bedanken.

„Roos,” zei ze, toen ze met haar dochter alleen zat in een der kamers,

„ik moet ernstig met je spreken, kind.”

„Ja ma,” antwoordde Roos, die wist dat nu ook al wat achter de

geheimzinnigheid stak, royaal voor den dag zou komen.

„Je vent is gek!”

Een luide schaterlach, zooals in lang niet door het landhuis van

Koeningan had geklonken, vulde de kamer met zijn vroolijk geluid. Roos

schudde ervan, onrustbarend.

„Die ma!” hikte zij er tusschen door, „die ma!” en dan barstte ze weêr

uit in lachen. „Je vent is gek!” En dat had ze gezegd met het leukste

gezicht!

Maar mevrouw Uhlstra werd akelig van dat lachen.

„Stil toch, Roos; niet lachen, ja! Het is betoel, betoel!”

„Maar ma!” zei Roos nu een beetje verontwaardigd. „Hoe komt u eraan!”

Zijzelf sloeg hem nooit gade in zijn doen en laten; overdag zag zij hem

weinig en lette zoo niet op hem, heelemaal bezig met de kleine, met

haar huishouden, met de huishoudelijke aangelegenheden van het land.

Reeds lang sliepen zij niet meer in dezelfde kamer, en zij, ’s nachts

in diepe rust, vermoeid van de beweging overdag, hoorde nooit iets van

hem, nadat zij, als het eten was afgeloopen, naar bed ging.

„Het is gerust waar, Roos. Je moet hem laten bewaken, hoor! Hij loopt

met heel leelijke dingen in z’n hoofd.”

„Hoe is ’t mogelijk! Ik geloof, dat de dingen die u in het hoofd hebt

vrij wat leelijker zijn.”

„Soedah, als jij ’t niet gelooft. Maar ik zeg je dat het zoo is. Hij is

erg ziek in z’n hersens en als je niet oppast, dan maakt hij zich nog

kapot. Pa wou je dat van morgen komen zeggen, maar hij kon ’t niet over

zijn lippen krijgen. En hij weet het, ’t is betoel, betoel waar. Nou,

toen zei ik: dan moet ik Roos maar waarschuwen.”

De jonge vrouw was nu ernstig geworden. Dus dat was het! Zij moest haar

man laten bewaken om hem te beletten de hand te slaan aan zijn leven!

„Hoe weet u iets van hem! Hij heeft het toch niet beproefd.”

Maar dáárover wou mama zich in ’t geheel niet uitlaten, en zij sprak

erover heen, betoogend, dat Uhlstra het had gezegd, en die er alles van

wist.

Niet onverschillig, maar toch ook niet als iets verschrikkelijks nam

Roos het op; zij zou haar man door een ouden mandoor, die zoowat als

lijfknecht hem diende, in het oog laten houden; daar wist ze dus al

dadelijk raad op, en verder scheen ze òf niet onbepaald aan de

gegrondheid van het vermoeden te gelooven òf het gewicht der zaak niet

heelemaal te beseffen.

Thuis vroeg den volgenden ochtend Uhlstra ongerust en medelijdend:

„Leen, hoe was ze?”

„Ja,” jokte zijn vrouw, de waarheid niet willende zeggen. „Dat kan je

je voorstellen; ze was verschrikkelijk bedroefd.”

Geen twee dagen duurde het of Geber had begrepen wat er gebeurd was.

Zijn oude bediende deed zoo gek! zoo gek als ’n inlander doen kan in

zulke omstandigheden. Als Geber thuis was, en hij keek op, zag hij

altijd de oogen van den oude op zich gevestigd met ’n uitdrukking van

groote verbazing, en opvallend snel wegdraaiend; of het was Roos, die

hij betrapte op stille waarnemingen van zijn persoon.

„Wat is het?” vroeg hij haar dan onvriendelijk.

„Niets.”

„Omdat je me zoo aanzag.”

„Neen, er is niets.”

Maar ’t was voor hem of ze het erop toelegden hun bedoeling aan den dag

te brengen.

Niets gemakkelijker overigens dan zich zekerheid te verschaffen.

„Zeg ouwe,” zei hij na ’n paar dagen tot zijn bediende. „Waarom loop je

me zoo overal na?”

De man veinsde de grootste verwondering; zijn typisch gezicht van ouden

Javaan, die het levenslang goed heeft gehad, met ’n buikje van het luie

bestaan, en zakwangen onder de rimpelige oogomgeving, stond zoo

eenvoudig en onverstoorbaar, dat Geber, die toch den inlander goed

kende en hem gewoon was, er het hoofd over schudde.

„Ik loop mijnheer niet na.”

„Ouwe, ik ken je veel te goed en te lang; denk-je mij voor den gek te

houden?”

Een oogenblik pikerde de inlander zonder antwoord.

„Neen, niet waar?” ging Geber voort. „Er is je gelast op mij te letten;

toe te zien of ik ook iets aanving om me dood te maken. Wie heeft je

dat gelast?”

„De njonja, mijnheer. Maar ik zal het niet doen, want mijnheer zal zich

immers niet dood maken, daar is mijnheer te rijk en te pinter voor.”

Wat hij ervan weten wilde, wist hij nu. Clara had gepraat! De rest kon

hem niet schelen. Zij was de eenige, die hij verteld had welk een diep

ellendig bestaan hij ’t grootste deel van elk etmaal doorbracht,—en zij

had haar mond niet kunnen houden. Nauwelijks terug, had ze gebabbeld

met haar famielje. In dàt opzicht kon hij Roos niet vertrouwen en het

bleek nu, dat hij ’t zelfs háár niet kon.

Ten slotte dacht hij, alleen in z’n kamer, was het alles ergerlijk en

verdrietig. Zeker, hij zou zich doodschieten,—dat stond al eenigen tijd

bij hem vast. Hij zag het einde van zijn leven zonder angst of schrik

te gemoet; ’t was integendeel of de gejaagdheid, het onrustig

zenuwachtige, dat voor en na zijn visioenen vergezelde, verdwenen waren

sedert hij zijn besluit had genomen.

En nu kwamen die visioenen altijd weêr terug. Zoodra hij alleen was, en

’t werken hem niet langer inspande, scheen zijn geest zich van wat hem

omringde met geweld af te trekken naar het ééne altijd weêrkomende

begrip in beeld en kleuren, waarbij vergeleken de wereld en het leven

onbehaaglijke zwaardrukkende lasten waren; een verschil in schoonheid

en zuiverheid, in licht en fijnheid, als tusschen de witte vederwolkjes

in een zomerlucht voor het kinderoog, en de smerige stadsstegen op een

najaarsdag voor het oog van een hongerigen bedelaar. Neen,—hij trok er

tusschenuit, dat was al zoo goed als zeker geweest; nu Clara hem had

verraden, stond het onherroepelijk vast. En aan den eenen kant deed het

hem plezier. Was zij niet nog de eenige band? Zelfs voor zijn kind

gevoelde hij niets; hij hield over ’t algemeen niet van kinderen; ook

van kleine Lena had hij nooit meer notitie genomen, dan van haar

broertjes en zusjes; liefde voor kinderen was hem een onbekend gevoel,

dat hij hoogstens wel eens veinsde als het te pas kwam in de kraam van

het conventioneele leven.

Nu was die laatste band verbroken: niets stond hem meer in den weg;

begrippen en beginselen waren voor de hardnekkige werking van het vaste

verhoogde denkbeeld bezweken; sympathieën waren niet sterk geweest;

verplichtingen, om den stand der fortuin, met een schokschouderen

teruggewezen,—alleen zijn bijzonder gevoel voor Clara had hem telkens

doen zwichten. ’t Was uit nu: Zij had getoond niet beter te zijn dan de

rest. Sexueel verlangen naar haar had hij toch niet gevoeld; dat was na

zijn terugkeer op Koeningan geheel vernietigd door de overspannen

werking zijner verbeelding in andere richting; zijn genegenheid in haar

soort was als gelouterd. Maar het was nu voorgoed weg, Goddank!

Alles had hij klaargemaakt.

Zijn brieven aan de kongsi met zijn afrekeningen, zijn calculaties en

mededeelingen; die aan Roos, eenvoudig met een los woord van

verontschuldiging, een verwijzing naar de fataliteit; aan zijn notaris

voor de regeling zijner zaken.

Hij had dat alles geschreven en in orde gemaakt ’s avonds in zijn

kamer, bij ’t gezellig licht van de groote kantoorlamp boven de breede

ouderwetsche schrijftafel. Het was alles zoo rustig en stil! Er kwam

dan over hem een machtig gevoel van ontspanning en rust, alsof een

hand, die hem anders vast had, was opengegaan en, loslatend, hem een

gevoel schonk van heerlijke opluchting.

Het oogenblik had hij vastgesteld. Roos zou bevallen van haar tweede

kind, het zou naar menschelijke berekening alles weêr goed gaan en

voorspoedig; haar moeder zou natuurlijk den eersten tijd het huishouden

komen „doen,” en dan zou een dag worden bepaald voor den terugkeer van

mevrouw Uhlstra; dan zou Roos beter zijn, en als die dag aanbrak, was

het de zijne.

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 41 / 83 题