Toen zij thuis kwam met de kinderen, stond Lugtens hen af te wachten in
de voorgalerij. Onder het rijden had ze maar één gedachte gehad: wat
zou er nog voorvallen? Wat stond haar te wachten?
Bleek en bevend, alles inspannend om zich te goed houden, zag ze hem
dik en zwaar de trap afkomen naar het portier.
„Zoo, ben jullie daar?” zei hij op een toon, dien hij vriendelijk
poogde te maken, maar die het uit gewoonte toch niet worden wou. En te
gelijk stak hij de handen uit naar kleine Lena, tilde haar ineens uit
het rijtuig en zoende haar driemaal hard en geweldig.
„Jij ziet er goed uit,” riep hij, „de rozen op je gezicht. Net zoo pas
uit Europa.”
Naar de anderen keek hij even en ook naar zijn vrouw; toen zei hij als
verwijtend:
„Bij jou bloeien de rozen niet hard.”
„Ik ben ook niet voor m’n genoegen uitgeweest, met de zorg voor de
kinderen en een zieke.”
„Ja,” antwoordde hij, milder, en oplettend voor dat laatste. „Wat
scheelt dien man toch?”
„Ik weet het niet; de dokter weet het niet en hijzelf, geloof ik, ook
niet.”
„En nu?”
„Geheel hetzelfde; hij knapte in het eerst heel aardig op. Daarna werd
hij weêr even onlekker en bleek.”
Goddank, dacht ze, het gevaar was voorbij! Er mocht dan gepraat wezen
wat er wilde,—hij wist nergens van, hij had niets gehoord. En met haar
thuiskomen ving dadelijk het gewone leven met zijn huishoudelijke
zorgen en bemoeiingen weêr voor haar aan, net alsof er niets was
gebeurd.
Met mevrouw Uhlstra den volgenden dag een heftigen twist.
De oudste was gekomen om de jongste verschrikkelijk onder handen te
nemen, maar die liet zich dat niet welgevallen.
Zij had er eens voor gebukt, jaren geleden, nu bedankte zij ervoor.
„God, God!” had mevrouw Uhlstra uitgeroepen, bij den eersten
tegenstand, „de wereld moest eens weten wie je bent!”
„Iedereen moet maar naar zichzelve kijken,” meende Clara, bleek en ten
allen aanval en verdediging gereed, het hoofd rechtop, met een
uiterlijk vertoon van beslistheid.
Dat bracht Lena buiten haarzelve; met beide handen sloeg zij op haar
dikke dijen, dat het kletste op haar sarong, met trillende beweging.
„Wat zeg je, laag schepsel? Doelt dat soms op mij?”
„Zoo goed als op een ander.”
„Wat heb ik.... Hemelsche goedheid!..... Wat heb ik ooit...?”
„Neen, zóó niet, Lena. Je hebt gemakkelijk praten, wat dat betreft.”
„En ik zeg je van neen! Al was Uhlstra zoo’n akelige kerel, als die man
van jou, dan zou ik toch nooit zoo iets gedaan hebben. Foei! Eerst was
hij de vriend van je man en nu mijn schoonzoon!”
„Misschien komt er morgen een brief uit Holland dat hij iemands zwager
dáár is geworden. Wat kan ’t mij schelen!”
„En je kinderen!”
„Mijn kinderen?” stoof mevrouw Lugtens driftig op, „zullen door
henzelven gelukkig of ongelukkig moeten worden; niet door mij. Maar ik
zal ten minste de mijne niet ongelukkig maken door ze uit te huwelijken
om het geld en om ze onder dak te hebben.”
Zoo maakten zij ruzie door alle tonen van de twistladder, tot ze
vermoeid, en den voorraad invectieven en verwijten uitgeput, in zachter
termen vielen en eindelijk met tranen in de oogen vrede sloten. Maar
ditmaal had mevrouw Lugtens haar partij gewonnen en in ’t hart harer
zuster bleef zelfverwijt achter, dat nog nawerkte toen ze thuis kwam.
Uhlstra wachtte haar met ongeduld.
Hij had de loopende praatjes het eerst gehoord, was er verschrikt meê
thuis gekomen, waar zijn vrouw hem had voorgepraat, dat het laster was,
maar dat ze Clara dadelijk zou laten terugkomen en met haar over dat
alles spreken. En hem was in die opzichten zoo gemakkelijk alles wijs
te maken! Niet, dat hij in zijn jeugd had gebravehendrikt,—Heer neen!
Hij was hier geboren; zijn huidskleur en die van den inlander
verschilden niet; baboe’s en huisjongens hadden zijn jeugd omringd, hem
leeren loopen, leeren praten; hij was volkomen eigen met alle
inlandsche luchtjes en gewoonten, en een echte njo was hij geweest in
al zijn doen en laten; hij vond inlandsche vrouwen mooi; hij had in
Lena het summum gezien van aantrekkelijkheid: een knap indisch meisje,
naar zijn begrippen heelemaal europeesch opgevoed.—En toen hij met haar
getrouwd was, had hij al genoeg posten geschreven op de inlandsche
rekening om zonder eenige neiging tot iets anders, door en door trouw
te blijven aan zijn vrouw. En waarvan het nu kwam had hij niet kunnen
zeggen,—maar hij had ’t land aan pur-sang europeesche vrouwen; in
heerengezelschap liet hij zich erover uit; hij had er geen persoonlijke
ondervinding van, hoegenaamd niet, maar hij beweerde, dat ze niet
proper waren op haar body, zooals hij zei, en hij lichtte dat op zijn
manier toe door zeer bijzondere opmerkingen omtrent hetgeen zij deden
en niet deden. Volkomen vreemd aan intriges,—was hij onverbiddelijk
voor knoeierij van getrouwde lieden; daarom was hij nu zoo bang. Als
het eens waar was! Als de naam der familie eens was gecompromitteerd
door zijn vriend, zijn schoonzuster, zijn dochter....
„Net als ik zei,” praatte Lena, uit het rijtuig naar binnen stappend,
„er is niets van aan.”
„Goddank!” zei Uhlstra met een diepen zucht, en zich hard in den
stoppelbaard wrijvend, voegde hij erbij: „Hoe komen de menschen toch
aan zulke schandelijke praatjes?”
„Och, zie je, vent, het gaat ons te goed; dat is het: anders niet.”
Hij schudde het hoofd met een gezicht of de boosaardigheid der wereld
hem overweldigde.
„We zullen hen hier laten komen van Koeningan en dan een partijtje
geven.”
„Dat heb ik ook al gedacht, maar het kan niet.”
„Dat is waar... om Roos....”
„Ook; maar dat zou nog wel gaan, als het moest.... Willem is ziek, zei
Claar me.”
„Ik dacht, dat hij beterend was.”
„In het geheel niet. Hij is even ziek en ellendig als voorheen. Erger
zelfs.”
Zijn hart voor den ouden sobat kwam heelemaal boven.
„Kasian!” zei hij meewarig. „Wat zou dien armen jongen toch schelen?”
„Ik heb het Claar gevraagd. Zij zegt, dat hij zielsziek is of zoo iets,
en dat zij bang is voor zijn hersens.”
„Verduiveld, dat is heel erg. Jij en Clara schijnen niet te begrijpen,
hoe erg het is.”
„Ik denk dat zij overdrijft, maar ze zei, dat ze heel bang is geweest;
dat hij soms zoo raar doet; ze vreest, dat hij op een of anderen dag
zich zelfmoorden zal.”
Verschrikt en zeer ontsteld keek hij haar aan. Hoe kon ze dat zoo
rustig zeggen, dacht hij, den haat niet kennend, die stil in haar
leefde tegen Geber.
„Ik zal eens naar hem toegaan, Leen.”
„Dat is misschien niet kwaad.”
„En als ik zie, dat er iets van dien aard aan de hand is, zal ik hem
dag en nacht laten bewaken.”