WAT DE MENSCHEN ERVAN ZEIDEN.

Van huis kregen ze allebei goede berichten. Op Koeningan ging het

uitmuntend; Roos, die nu tegen zijn terugkomst verschrikkelijk opzag,

schreef, dat hij zich vooral niet behoefde te haasten; dat hij blijven

moest tot na zijn geheel herstel.

In het logement waren zij de eenige gasten aanvankelijk, maar nu ze

langer bleven, kwamen er meer, wat de vrijheid van beweging, die Geber

en Clara noodig hadden, belemmerde.

Men kon elk oogenblik tegenover iemand staan, als men een kamer

uitkwam; men moest dus voorzichtig zijn, meende dat ook te wezen, en

was het niet.

De nieuwe logeergasten fluisterden vermoedens, en op een ochtend, dat

de kinderen speelden aan hun kant van het erf, riepen zij kleine Lena

bij zich en haalden het kind aan.

„Wie is die meneer, liefje,” werd er gevraagd door een net en hoogst

fatsoenlijk jong vrouwtje, „waarmee je daar straks sprak?”

Dat het Geber was, wist zij ook wel, maar daarom was het niet te doen.

„Het is oom Willem,” zei kleine Lena.

„En houdt-je veel van oom Willem?”

„O zeker! Hij is altijd heel lief voor ons en voor mama ook.”

„Och kom! Dat is erg aardig, ja. Nu, dan begrijp ik wel dat je veel van

hem houdt.”

„Ja zeker,” bevestigde het kind op den vasten toon, dien ze altijd van

Lugtens had gehoord.

„En je maatje houdt stellig ook veel van hem, als hij zoo lief is voor

jullie.”

Kleine Lena knikte heel ernstig met haar blonden krullebol, en als om

zelfs den schijn te vermijden, dat haar moeder ondankbaar zou zijn voor

de liefheid van Geber, voegde ’t kind er argeloos bij:

„Elken middag na het eten gaat mama bij oom in de kamer om met hem te

praten en hem gezelschap te houden.”

Twee andere oudere dames, die er ook bij zaten, oplettend luisterend,

keken daarop elkaar ineens stijf aan, onderuit blikkend, de kin

langzaam op de borst drukkend, de lippen opeen, de heele uitdrukking

van met geweld ingehouden losbarstingen van verontwaardiging over

andermans schandaal.

„Zoo!” ging de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw voort met een lieve

vleiende stem en een allervriendelijkst gezichtje. „Dan zal mama ’s

avonds wel moe zijn, als ze den heelen dag niet geslapen heeft.”

„Ze slaapt ook wel ’s middags, soms in ooms kamer.”

„Wil je een chocolaadje, liefje? Hoelang ben je al hier? Waar ben je nu

eigenlijk liever, hier of thuis? Wil je eens een album zien met mooie

portretten? Of een prentenboek?”....

Kleine Lena werd overstelpt met lekkers en aardige verhalen, die ze

bewonderend aanhoorde, alles door en van de nette, zeer fatsoenlijke

jonge vrouw, die niet wilde dat het kind zou onthouden wat ze had

gezegd; en tegenover de kleine Lena, met haar helder, scherpzinnig maar

naïef onschuldig hoofdje trof die maatregel volkomen doel.

Intusschen hadden de hoofden van de twee andere dames zich bij die

nieuwe onthulling in halve cirkels bewogen van den eenen kant naar den

anderen, met schrikkelijk oogverdraaien, als zochten ze iets om onder

weg te kruipen of zich meê te bedekken, van schaamte over een anders

schandaal. En toen Lena weer was gaan spelen met de andere kinderen,

keken ze elkaar aan, alle drie eerst nog zwijgend met knikjes van: „Het

is wat moois” en „Wat-zeg-je-er-van?”—tot ze, de hoofden bijeen,

fluisterend los kwamen in schelden en kwaad spreken.

Het steentje rolde dadelijk voort. Heel het kleine plaatsje wist het

schandaal, nog op den eigen dag, en de logeergasten namen het dankbaar

meê naar hun woonplaatsen, als het liefste en beste dat hun was ten

deel gevallen; het nieuwtje reed voort in de reiswagens; ging per post

in brieven, draafde te paard over het gebergte en op zijn weg

circuleerde het op de ondernemingen, in de woonhuizen der kleine

plaatsen en in de sociëteiten als een der vele indische

familie-schandaaltjes; een der beste plats-du-jour.

Zij, Geber en Clara, hadden er geen flauw vermoeden van, toen zij hem

op een ochtend vond, heel vroeg, in de voorgalerij in een luierstoel.

Zij schrikte van zijn gezicht. In de laatste weken was hij heelemaal

hersteld; hij was dikker geworden en net zoo rustig en kalm als

vroeger; nu scheen het ineens dat al het effect verloren ging, hij zag

weer bleek als was; zijn oogen glinsterden weer en over zijn heele

gezicht lag het waas van een ziekelijken toestand, gelijk toen ze van

huis gingen.

„Wat heb je?” vroeg ze ontsteld over die verandering.

„Ik? Niets.... Weer voor het eerst slecht geslapen.... ’t Zal wel

overgaan, hoop ik.”

„Dat hoop ik waarlijk ook. Ik schrikte ervan zoo bleek zie je.”

„Och,” zei hij geruststellend. „Daar moet je niet van schrikken. De

eene mensch heeft dat gauwer dan de andere. Ik schijn al heel spoedig

op te bleeken.”

„Het is geen gekheid, Wim. Er is iets dat je hindert, maar dat je

verzwijgt.”

„Toch niet.”

„Waarom zou je het niet zeggen; mij niet?”

„Och kom?” loog hij, „het is wezenlijk niets. Laat de jongen me maar ’n

kop koffie brengen; dan ga ik baden en ben weer heelemaal in orde.”

Zij haalde de koffie zelf, om die beter te kunnen krijgen dan ze anders

was; zij verzorgde hem dien dag als een zieke.

Hij nam glimlachend de kleine attenties aan; hij had er geen behoefte

aan; als Roos ’t zelfde had gedaan, zou hij zich in stilte boos hebben

gemaakt en hardop gezegd hebben, dat ze niet zoo dwaas moest wezen; nu

voelde hij een aangename stille erkentelijkheid.

Het was weer zoo; het was zelfs erger; hij was dien nacht weer

onverwachts wakker geworden met zijn visioen en de zwaarmoedige

onverschillige opvatting van het leven, die er altijd bij kwam, alsof

het zoo hoorde. Hij had neêrgelegen in zijn eigen gedachten als in een

zwaren droom; niet eenige oogenblikken, maar uren achtereen; uren, die

hij duidelijk hoorde slaan; en er was bij gekomen, wat er vroeger niet

bij was; een geluid in zijn hoofd als een stem, maar ongeaccentueerd,

dat hem scheen aan te sporen; dat naast en met zijn gedachten bleef

voortleven, maar een hem duidelijke strekking had: Hij moest het

doen,—dat was het.—

Voor haar had hij niet kunnen verbergen, dat hem iets kwelde; zijn

ontkenningen had zij niet geloofd, en dàt hij ziek was stond bij haar

vast. Zij drong echter niet aan, toen ze zag, dat hij voor het

oogenblik niets wou zeggen. Eerst in den namiddag kwam zij erop terug.

Het was in een phase van onverschilligheid en zenuwontspanning, gelijk

die, waarin hij Roos zijn verhouding tot haar tante had bekend, en

achterover op zijn bed liggend, de armen boven het hoofd, den blik met

wijd open oogen strak naar de tenda omhoog, vertelde hij haar alles van

het vreemde denkbeeld dat hem vervolgde, van zijn nachtelijke

kwellingen en toenemende slapeloosheid; de ellende zijner geschokte

zenuwen.

„Heb-je het anderen al gezegd?”

„Neen, Clara; jij bent de eerste.”

„Ook niet aan den dokter?”

„Ook niet.”

„Dan zal ik het hem vertellen.”

Hij zweeg, altijd maar omhoog kijkend, als in gedachten verzonken.

Zacht begon hij tegen haar te spreken; zijn gemoed verder uit te

storten over het onbekende, dat hem vervolgde.

„Begrijp wel,” zei hij, „dat geen gewone redenen voor me bestaan. Ik

word niet getroffen door rampen, zit niet in zorgen, heb geen schulden

of verdriet. Het is waar, dat wij man en vrouw moesten wezen, maar de

omstandigheden zijn, dat weten we bij ondervinding, van dien aard, dat

de toestand ons niet overweldigend bedroeft.”

„Neen,” zei Clara diep zuchtend, „dat kan de reden zeker niet zijn; en

zou die tegenwoordig in geen geval kunnen wezen.”

„Juist,” stemde hij toe. „Dan een andere, bijvoorbeeld pijn of

ziekelijke toestand als oorzaak; daarvan is ook geen quaestie.”

Zij wist weinig af van het lugubere onderwerp, en huivering bij

huivering liep haar langs den rug; hij, met het idee al zooveel maanden

vertrouwd, sprak er rustig over als iemand, die een zaak van meer dan

een kant heeft bekeken.

„Ik ken,” ging hij gelaten voort met eentonige stem, „geen andere

redenen. Er is hoegenaamd niets dat een overweldigenden invloed op mijn

geest uitoefent; niets, zou ik zeggen, dat mij van mijn vrijheid van

handelen zou kunnen berooven.”

„Neen,” stemde Clara alweêr zuchtend toe, zonder dat zij nu juist een

helder begrip of duidelijke voorstelling van zijn betoog had.

„Neen, Wim, dat is zoo. Ik vind het verschrikkelijk gek.”

Hij richtte zich plotseling op en wendde zijn bleek gezicht zoo snel

naar haar toe, dat zij ervan schrikte en zelf verbleekte.

„Je hebt het woord gezegd! Er is een reden; het zou niet kunnen

opkomen, zonder een reden; anders zou het in strijd zijn met

mijzelven.”

„Hoe bedoel je dat?”

„Er moet een excuus zijn,” ging hij voort, zich weer achterover latend,

het hoofd terug in de holte, die ’t gemaakt had in het kussen. „Een

excuus! Na hetgeen ik zei, blijft er nog maar één over..... Je hebt het

woord genoemd, Clara, ik zou gek moeten zijn of op weg het te worden.”

„Dat is onzin,” protesteerde zij. „Je redeneert zóó verstandig als

iemand maar doen kan, en dan..... neen, dat is nonsens.”

Hij schokschouderde onverschillig.

„’t Is toch zoo!”

„Het is niet waar, Willem,” hield ze vol. „Je bent enkel maar ziek.”

En toen ze den spottenden glimlach een oogenblik zag op zijn gezicht:

„Ik bedoel ziek naar het lichaam. Daarom zal ik het aan den dokter

zeggen. Laat die je ernstig onderzoeken. Volg een leefregel.”

Zij sprak driftig, opgewonden, heel ongewoon voor haar doen. Aan alles

toch had ze kunnen denken, maar niet aan zoo iets verschrikkelijks.

Weêr maakte hij het onverschillig gebaar.

„Als ik het een dokter zeg, weet ik wat hij vragen zal; dat doen ze

allen.”

„Juist dat is goed. Hij moet ook....”

„Hij zal vragen of zich in mijn familie wel eens meer gevallen hebben

voorgedaan.”

„Toch niet, Wim,” riep ze verschrikt. „Het is toch niet waar?”

Hij knikte langzaam, toestemmend.

Zij zat onbeweeglijk op den rand van het bed; de handen rustend op de

knieën, ontsteld tot gedachtenloosheid; met één voorstelling nog voor

haar geest: kleine Lena.

„Het is waar. Voor zoover ik kan nagaan zijn er twee: mijn grootvader

en het laatst een oom. Nu, je begrijpt, dat is te zot om van te

spreken.”

Verwonderd luisterde zij toe. Waarom was dat zoo zot? Was het niet

integendeel het eenig natuurlijke en verklaarbare?

„Het is zoo’n dokterspraatje, dat begrijp-je. Wat ter wereld zou het

geval van die menschen, ’n halve eeuw en meer geleden, met mij te maken

kunnen hebben.”

Clara antwoordde er niet op; ze had willen huilen van verdriet en

medelijden om en met hem; ineens herinnerde zij zich dien nacht van het

groote feest te Koeningan; en zij sprak ervan.

„Je weet wel,” zei ze, „toen je gekleed in een luierstoel lag en zoo

schrikte toen ik je riep.”

Hij had de handen voor het gezicht gelegd, zijn hoofd ging langzaam in

het kussen heen en weer.

„Het was de eerste maal.”

Zij herinnerde het zich levendig en zij werd bang; zij keek nu naar hem

met vrees en schrik.

Zij kreeg een gevoel van zekerheid, dat er tusschen hen een niet weg te

ruimen hindernis was opgekomen: dat er nooit meer iets bestaan zou

tusschen Geber als man en haar als vrouw; dat, wat zij ooit voor hem

van dien aard had gevoeld, niet weer kon opgewekt worden. De vrees voor

den grooten onbekende, den dood, had haar ineens verschrikkelijk

aangegrepen, en terwijl hij daar lag, de handen nog altijd op het

gezicht, kon zij het niet over haar verkrijgen die zacht weg te nemen

en hem te troosten en op te beuren; zij voelde er wel aandrang toe in

haar medelijden met hem, maar de vrees en de siddering, die haar beving

bij de gedachte aan de vreeselijke dingen, die hij haar zoo

ijzingwekkend kalm had verteld, hielden de overhand, en zoo bleven zij

minuten lang zwijgend bij elkaar, tot er op de kamerdeur werd geklopt.

Geber stond op en ging opendoen, de deur op een kier, uit vrees dat een

bediende naar binnen mocht kijken en zien wie bij hem was. De jongen

stak hem twee brieven toe, en daar hij enkel maar het adres, kon zien

van den bovenste, het zijne, nam hij ze allebei aan, dadelijk de deur

weer sluitend. Maar binnen zag hij, dat de andere voor Clara was; hij

kende de hand van mevrouw Uhlstra op het adres.

Het hinderde hem, dat de bediende die twee brieven bij hem had

afgegeven op dat uur.

„’t Zal een vergissing zijn,” zei hij, bij wijze van verontschuldiging.

Het kon haar op ’t oogenblik minder schelen. Haar hoofd stond er niet

naar zich voor zulke kleinigheden te interesseeren, nu haar al wat hij

had verteld zoo schrikkelijk op het lijf was gevallen. Dáár dacht ze

over door, met de toenemende overtuiging, dat hij reddeloos was

verloren; dat hij ’t avond of morgen de hand zou slaan aan zichzelven.

Zij nam den brief aan en scheurde het enveloppe open, werktuigelijk,

vervuld van droefheid en afkeer; zóó vouwde ze ook den brief open, en

zag, dat hij van haar zuster Leen was. Het „Clara” zonder meer,

schrikte haar op. Wat was dat nu weer?

„Kom dadelijk met uw kinderen hier. Er wordt overal schande

gesproken van uw gedrag daarboven met Geber. Het is vreeselijk zich

zoo te misdragen, zonder te denken aan de schande voor uw familie

en voor uw eigen kinderen. Kom dadelijk terug. Elk oogenblik kan

Lugtens het vernemen, en dan gebeuren er rampzalige dingen voor ons

allemaal.

Lena.”

Zij keek hem aan, terwijl hij zijn brief las, daarmeê nog bezig; het

was er een van Twissels.

„Amice,” schreef hij. „Deze is dienende u kennis te geven van zeer

ergerlijke praatjes, hier over u en mevrouw Lugtens in omloop en die

ook mij ter oore zijn gekomen. Ik doe, zooals gij begrijpen zult, mijn

best deze lasterpraatjes tegen te spreken, daar onze goede,

vriendschappelijke oude relaties, zoo in als buiten zaken, mij daartoe

verplichten. Intusschen acht ik het in aller belang, dat gij naar uw

land ten spoedigste terugkeert en mevrouw Lugtens naar haar huis. Gij

zult mij verplichten met eenig antwoord zoo spoedig mogelijk, en mij

ook zeker ten goede houden, dat ik in het belang onzer

gemeenschappelijke zaken niet geaarzeld heb mij van dezen voor mij

onaangenamen plicht te kwijten, terwijl ik er vast op reken, dat gij

aan mijn zeer dringend verzoek zult gevolg geven, ten einde een voor

onze zaken allernoodigste samenwerking niet in ernstig gevaar te

brengen.

t. t.

Twissels.

Geber was er zeer verontwaardigd over.

Dat was nu een man, die leefde met een huishoudster en zich zelfs niet

ontzag die toe te laten tot zijn voorgalerij; een man bij wien hij

wist, dat op sexueel gebied niets woog!

„Daar schrijft hij ook niet over,” zei Clara toen ze den brief had

gelezen en Geber zich in dien geest opgewonden uitliet.

„Hij spreekt alleen van zaken; daarin zal hij wel gelijk hebben.”

„Je bent toch, hoop ik, niet van plan het te doen.”

Clara zag hem aan en zeide:

„Lieve Wim, ik geloof dat het niet anders kan.”

„En ik doe het toch niet,” ging hij voort, nu geheel in drift, terwijl

zij kalm en terneergeslagen was. „Ik zal....”

Zij reikte hem het korte epistel van haar zuster toe, dat hij las in

een oogenblik, en waarbij aan z’n gezicht was te zien, dat zijn

opgewondenheid ineens wegzonk.

„Het is verschrikkelijk!” zei hij verdrietig. „Ja, ik begrijp het nu

ook.... wij moeten!”

„Zeker moeten we.”

„En we zouden toch moeten, nu of over een of twee weken. ’t Is ook

eigenlijk alles hetzelfde.... wat langer of wat korter.”

Haar gemoed schoot vol; ze zag op, terwijl ze op een stoel zat nu,

omhoog naar zijn bleek treurig gezicht boven de lange gestalte, haar

oogen vol tranen, en ze vroeg hem met haar zachte, beschaafde stem,

trillend van ingehouden droefheid:

„Toch niet dáárvoor, Wim! Zeg dat je niet dat bedoelt.”

Hij boog zich voorover, lei de handen op haar mooie schouders en kuste

haar op het voorhoofd, zooals een broer het zijn zuster had kunnen

doen.

„Wees maar gerust, Clara. Dàt bedoelde ik niet; zoo’n vaart zal het

niet loopen. Ik zie ertegen op naar Koeningan te gaan; dat begrijp je

toch! Ik zie ertegen op als tegen een berg. Maar het zal wel djadi als

ik weêr in de sleur van het werk terug ben. In Gods naam, het kan niet

anders.”

Zij vatte moed en haar eigen overtuiging der noodzakelijkheid herkreeg

daar zijn invloed bij.

„Het moet, zeker, en hoe eer hoe beter.”

Met geen enkel woord hadden zij gesproken over hun eersten indruk van

verwondering, dat alles zoo bekend was geworden, gerijpt tot een

publiek onderwerp van gesprek in de stad.

Het baatte immers toch niets!

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 35 / 83 题