GEBER EN CLARA.

Een maand of wat later hield men bij de Uhlstra’s grooten familieraad.

Het leed geen twijfel, daarover waren zij het eens, of Geber „had

iets.” De zaken gingen prachtig. De winsten van de kongsi waren

fabelachtig. De prijzen der bij contract opgekochte specerijoogsten

waren aanzienlijk gestegen op de europeesche markt, terwijl de oogsten

in Indië meevielen; daarentegen daalden in Indië de prijzen der

producten die zij tot hooge vaste cijfers moesten leveren aan het

Gouvernement; de beslissing in Holland was gevallen ten gunste van den

spoorweg door hun bosschen. Het was een goudregen van alle kanten, en

het droppelde royaal bij Markens, wien men zooveel verschuldigd was en

nog altijd hoopte meer verschuldigd te zullen worden.

„Het beste is,” zei Lugtens, die mee in den familieraad zat, „dat

jullie voor een maand of wat naar boven gaat.”

„Ik heb ’t hem al zoo dikwijls gezegd,” verzekerde Uhlstra, „maar hij

wil niet. Hij heeft het te volhandig, zeit-ie, met de zaken.”

„Het is waar; hij heeft hard gewerkt; nu is echter het ergste achter

den rug.”

„Maar ik kan niet meêgaan,” verzekerde Roos; zij was alweêr een paar

maanden in de family-way, en haar moeder, denkend dat ze daarop doelde,

zei:

„Nu nog wel.”

„Dat niet, ma, maar ik kan heusch niet van het land af; als Willem er

niet is, loopt de boel in het honderd.”

„Maar Henri kan je toch helpen.”

De jonge Uhlstra, erbij zittend, keek zijn vader eens aan, die in zijn

korten grauwen baard de harde stoppels heen en weêr wreef. Hij had

gedaan wat hij kon; elken dag was hij gedurende Geber’s afwezigheid van

Tji-Ori naar Koeningan gekomen om den boel daar na te gaan; maar altijd

was alles al gedaan door Roos, die, dat wist hij wel, van alles

verstand had en wier lust en leven het was, baasje te spelen op een

land.

Een paar maal had Henri zijn oudste zuster gewezen op wat hij meende,

dat anders moest zijn, maar zij was niet te spreken op dit punt, en ze

kregen er geweldige ruzie om, net als ze vroeger dikwijls samen hadden,

thuis bij de oude lui; de gebruikelijke onlusten tusschen een oudste

zuster en een oudsten broer, zonder verdere gevolgen of afbreuk aan de

genegenheid.

„Ieder heeft zoo zijn eigen inzichten,” was het advies van Uhlstra,

„Roos heeft de hare.”

„Het zijn niet de mijne, pa; het zijn de inzichten van mijn man.”

Daaraan zou ze nooit hebben te kort gedaan. Zij had daar haar algemeen

geldige indische begrippen over; de man was de toekang, de baas; in

zaken stond hij als onbeperkt gebieder aan het hoofd, en zooals hij het

wilde en zei zou het ook gebeuren. Overigens was zij de meesteres, en

haar broer moest zich maar liever met niets bemoeien; dat was veel

beter!

„Wat Geber aangaat,” zei Lugtens op een toon van gezag, die Roos

hinderde, „ik zal hem wel aan het verstand brengen, dat hij gaan moet.”

En mevrouw Uhlstra, aan Roos ziende dat zij op het punt stond iets

onaangenaams daarop te zeggen, coupeerde het.

„Wel zeker,” zei ze, „het is in het belang van zijn huisgezin ook. Als

hij nu spoedig naar Europa moet, wat dan? Nah!” vroeg ze typisch

indo-europeesch en een leelijk gezicht er bij trekkend, „nah, Roos, wat

dan?”

Dat was werkelijk een teer punt, en Roos zweeg. Neen, naar Europa wilde

ze niet; liever alles dan dat.

„Het is toch beter, dat hij iemand bij zich heeft,” meende Lugtens.

Allen zwegen er op. Zij beaamden het geheel. In zijn toestand van

zenuwachtige overspanning was het, ofschoon hij niet bedlegerig was en

directe hulp behoefde, bepaald noodzakelijk, dat iemand meêging om hem

gezelschap te houden.

„Het is,” ging Lugtens voort, „juist tegen den vacantietijd. Mijn

kinderen konden wel eens ’n kouden neus gaan halen in het gebergte.”

„Woudt-u,” vroeg Roos verwonderd, „aan Geber de kinderen meegeven.”

„Je houdt me, hoop ik, niet voor gek,” riposteerde hij ruw.

„Maar wat dan?”

„Wel je tante, natuurlijk! Die gaat met de kinderen.”

Haar lippen trokken in haar mond en haar toch reeds groote oogen werden

grooter, een oogenblik had ze willen zeggen, dat zoo iets onmogelijk

was.

Maar dat kon niet! En wat deed het er ook eigenlijk toe! Zij geloofde

volstrekt niet dat Willem nog knoeide met tante Clara, maar al deed hij

het.... van alles van dien aard was het immers nog ’t minst erge!

’s Avonds toen Roos weêr op Koeningan zat bij Geber, wiens gezicht en

lichaam erg waren vermagerd, wiens oogen glinsterden, maar die,

oogenblikken van distractie daar gelaten, zeer opgeruimd was, kwam er

een brief van Lugtens, een zeer uitvoerige, net geschreven brief.

Hij keek een oogenblik droomerig in de vlam der lamp; toen gleed de

oude spotlach over zijn gezicht.

„Het schijnt dat jullie me met geweld haar boven wilt hebben.”

„Voor je gezondheid,” antwoordde Roos, doorkijkend op de roodzijden

beurs, die ze haakte, tegen haar vaders verjaardag, het vaste cadeau

elk jaar.

„Lugtens wil me zijn familie meegeven.”

„Dat zei oom van ochtend.”

Geber begreep nu, dat het afgesproken werk was, en ’t hinderde hem; met

de ellebogen op de tafel, de kin in de handholten, keek hij naar zijn

vrouw tegenover hem. Van ’t gebogen hoofd zag hij enkel den overvloed

grof blauwzwart haar, met glinsterplekken in het licht, en hier en daar

korte opgekrulde haartjes, afgebroken bij het opmaken; er omheen ringde

een stuk van het dik gezicht, met een opgewipt neusstompje erin en

randen van uitstaande ooren; en daaronder, helder wit, de kabaja

gespannen over de dikke vleeschmassa van haar schouders, met de

huidskleur er doorheen schijnend, het onderlijfje zich wit afteekenend.

Was het inderdaad waar, dat ze had toegestemd? Kon het haar nu

heelemaal niks schelen, dat hij ergens in het binnenland met Clara ging

logeeren? Hij wist wel, dat hij niet van haar hield, niet op die

manier.

Maar als zij in vroeger jaren in nauwe betrekking had gestaan tot een

anderen man en hij wist dat, zooals zij het wist van hem tot Clara, en

als dan voorgesteld werd haar nu met dien man voor ’n maandje naar

boven te sturen.... Neen, hij was erg vrij van veroordeelen en allerlei

malligheid, maar dáár zou hij toch van z’n leven geen toestemming toe

hebben gegeven.

En zij werkte stilletjes door aan de roode beurs, kalm en gemoedelijk,

zonder op te zien, priegelend en draaiend met de haakpen; mazen vormend

door het gedurig halen van den draad door andere mazen.

„Als je het niet goedvindt,” zei hij eindelijk,.... „het kan mij niet

schelen. Ik blijf liever hier!”

Dat deed hij ook. Hij zag er tegen op; hij wist wat er het gevolg van

wezen zou, en dat mocht op zichzelf aangenaam zijn,—hij had er toch

altijd het land aan gehad. Zoolang de gelegenheid maar ontbrak, was het

niets. Doch het scheen wel dat een vreemde samenloop van omstandigheden

hem en Clara altijd weêr tot gelegenheden bracht.

„Je moet het maar doen,” zei Roos; „het is voor je gezondheid, zooals

ik zeg. Anders moeten we misschien naar Europa.”

Hij wist wat dat beteekende in haar mond. En hijzelf kon ook niet weg

voor zoo langen tijd.

„Gekheid! Lugtens schrijft daar ook al over. Het is om iemand ziek te

maken.”

„Ze zeggen het allemaal, en het is waar: je ziet er slecht uit.”

’t Had hem zenuwachtig gemaakt en hij spotlachte niet meer; dat deed

hij in den laatsten tijd ook maar zelden. Zij keek nu op.

Kasian! dacht ze. Neen ze vond het niet goed! Zij had ook geen groot

hart voor hem, maar als hij nu ronduit had gezegd, dat hij niet wilde

gaan met de andere, dan had zij het beursje op tafel gegooid, en, met

hartzeer over het huishouden en het land, toch dankbaar gezegd, dat ze

meêging, morgen aan den dag.

Geber voor zich had dat ook pleizierig gevonden, als zij had gezegd,

dat zij liever met hem meêging, dan dat hij met de andere elders alleen

was.

Hij zou dienzelfden avond nog Lugtens hebben geschreven, dat hij in

zijn omstandigheden liever van de drukte van kindergezelschap wenschte

verschoond te zijn, dat hij alleen ging met Roos.

Kasian! dacht ze, zoo zwak zag hij er uit.

En: „Ga gerust,” voegde zij er nu bij. „Ik hoop, dat het je goed mag

doen.”

Bij zichzelven haar verwenschend, stond hij op, liep naar zijn kantoor

en ging zitten aan den lessenaar.

Zoo’n onverschillig stuk...! Daar was waarachtig niets meê te beginnen!

Alles stuitte af op zoo’n gemoedelijkheid, zoo’n effen, onbewogen

donker gezicht als van ’n Boedhabeeld! Roos boog het hoofd weêr over

haar werk en haakte voort; maar haar mond trok beverig met kleine

trekjes in de hoeken, de haakpen was ’n oogenblik in de war, en het

werd rood in haar oogen. ’t Zou, meende ze, alles vooraf wel zoo

bekonkeld zijn; het was van de andere een lage streek!

Toen Geber en Clara in den familiereiswagen met zes paarden naar boven

reden, de wagen vol van hun tweeën, de kinderen en allerlei goed,

voorop beladen en achter met vastgesjorde koffers,—toen dachten ze alle

twee net als Roos had gedacht; Clara zag in dien zonderlingen tocht,

waartoe Lugtens haar letterlijk had gecommandeerd, de uitvoering van

een door Geber overlegd plan; hij zag er het resultaat in van

welberekende vrouwen list.

Zij hielden zich goed de eerste dagen in het logement; Geber onderging

een aangenamen invloed van klimaats-wisseling; hij sliep rustig, en dat

kalmeerde hem.

Clara, heel gewoon, vriendelijk in haar manier van doen, vertrouwelijk,

zonder de minste terughouding, maar ook zonder eenige provocatie,

verwonderde hem. Maar hij vond het heerlijk, dat ze zoo was! en hij kon

haar nakijken, als zij zich bezighield met de kinderen, goed gekleed,

met taille in haar figuur, vlug als een jong meisje, zonder dat hij

iets er bij dacht, den blik latende gaan voor ’t louter genoegen van te

zien, zooals men kijkt naar een bloemperk en over de zee, zonder te

vragen wat nu eigenlijk te bewonderen valt en wat niet.

Vanzelf kwam op eens het verlangen, stil dringend, bij hem op, zonder

dat hij poogde het weg te denken.

De kinderen waren naar een bron gaan baden met de bedienden; zij beiden

liepen na het ontbijt langzaam het logementsgebouw uit naar de

voorgalerij. Al pratend tegen haar, ging hij zijn kamer in, en al

antwoordend volgde zij hem.

Nu had hij er niet zoo het land over als vroeger; slechts voelde hij

dezelfde mismoedigheid, ontevredenheid over zichzelven, bezorgdheid

voor een onbestemde toekomst,—hij wist niet hoe het te noemen of wat

het meest weêr over hem kwam.

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 33 / 83 题