Een paar dagen later ging Geber naar de stad voor zaken. Twissels
ontving hem op z’n kantoor. Hij zat in een kamer alleen, afgeschoten
van een groote zaalruimte door schutsels, en met nog drie overoude
lessenaars in zijn naaste omgeving, blijvende herinneringen aan zijn
voorgangers, die niemand gebruikte en ook niemand mocht wegnemen; die
daar verlaten stonden te vervallen en te vergaan, zooals ook de zijne
eens zou staan, als hij zich uit de zaken der firma voorgoed terugtrok.
De landheer, gewoon aan zijn leven in de frissche lucht, vond dat het
er stonk, naar stof en oud papier, naar vocht en vagebondeerende
katten, naar alles wat vies was.
Twissels vond dat niet; hij voelde zich in die atmosfeer eerst recht
lekker. Dáár had hij jarenlang de meeste uren van den dag doorgebracht;
dáár was hij begonnen als gewoon employé en opgeklommen tot chef; dáár
was hij van een armen drommel een rijk man geworden. Hij zat er met
genoegen, met wellust, en als hij ’s morgens binnenkwam, dan rook hij
met meer welgevallen de stankmixtuur, dan een ander het bij
mogelijkheid de fijnste geuren zou kunnen doen.
„Ga zitten,” zei hij tegen Geber, hem een stoel wijzend naast zijn
lessenaar. „Ik ben dadelijk klaar.”
En met zijn neus op het papier, zijn bril haast over de regels en langs
de cijferkolommen schuivend, keek hij een rekening-courant door, nu en
dan ’n aanteekening makend op ’n stukje papier of met ’n hooge stem een
employé roepend, die aan den anderen kant der schutsels zat, om een
inlichting.
„Hoe gaat het thuis?” was, toen hij met zijn stuk gereed was,
welstaanshalve zijn eerste vraag.
„Heel goed! Je kunt best eens voor ’n paar dagen overkomen.”
„Te druk!” piepte Twissels, zijn kuifje opstrijkend en met twee handen
zijn bril rechtzettend. „Veel te druk tegenwoordig. Blijf jij vandaag
hier, dan maken we samen van avond ’n partijtje.”
Maar Geber had beloofd thuis te komen, en toen er dus geen mogelijkheid
was op het gaan van den een en het blijven van den ander, bespraken zij
de zaken, waarvoor Geber gekomen was. Al de paperassen kwamen daarbij
voor den dag, met een heen en weêr rekenen van belang.
Het eene uur verliep na het andere; en al voortwerkend rees en rees het
cijfer hunner winsten door de samenvoeging der resultaten, deels
werkelijk, deels geraamd, der gecombineerde zaken, landbouwcontracten,
transporten, productenverkoop, en al wat ze al zoo deden in kongsi,
hier en daar en waar ze samen belang bij hadden.
„Mooi, hè?” zei Twissels met z’n zachten meisjeslach, zijn lange droge
handen tusschen de knokkige hooge knieën wrijvend. „Verdomd mooi, hè?”
„Ja,” zei Geber ervan zuchtend. „’t Is prachtig, dat moet ik zeggen.”
„Blijf hier bij mij rijsttafelen op ’t kantoor.”
„Ik heb nog zaken.”
Voor geen geld had hij het gedaan!
In die onmogelijke atmosfeer had hij niet kunnen eten, nu reeds
misselijk van het erin vertoeven.
Inderdaad ging Geber naar den dokter, dien hij thuis vond op het
etensuur.
„Hebt u er vroeger last van gehad?” werd hem gevraagd.
„Neen, eerst in den laatsten tijd.”
„Is er iets, dat u bijzonder bezighoudt?”
„Er is niets, dokter.”
Dat was een onwaarheid, en hij was er zich van bewust, dat nu ook de
dokter hem niet kon helpen. Waarom zei hij niet de waarheid? Waarom
vertelde hij niet, dat telkens hem dat ellendige denkbeeld aan
zelfmoord vervolgde? Het was op reis voor het eerst weêr bij hem
opgekomen, op een avond, dat hij aan boord zat van de kustboot. De
omgeving kon het niet geweest zijn, want bij den zilverblanken
maneschijn en zachte, verfrisschende bries, was het verrukkelijk op
zee. Hij, landman, vond het bijzonder mooi, en zoo ineens, zonder
transitie, overviel hem dat vervloekte idee weêr, met als ’t ware zijn
voor- en achterrijders van pessimistische opvattingen en verdwaasde
gemoedelijkheid.
Dat dit denkbeeld zoo onverwacht terugkwam, had hem diep getroffen.
De verdere dagen van zijn reis dacht hij daar telkens aan.
Wat kon van zoo’n redelooze herhaling de oorzaak zijn? Hij had veel te
doen; den heelen dag was hij op de been geweest in de bosschen om den
boel op te nemen, te schatten en zoo; ’s namiddags was hij zeer
vermoeid naar de stad gereden, dertig paal in een reiswagen! Hij had er
’n biefstuk gegeten en ’n glas grog gedronken; ’t was toen tien uren en
zeer stil in het logement, want er werd in den schouwburg een concert
gegeven. Geber vond, dat hij nog wel ’n oogenblik kon gaan luisteren,
kleedde zich en ging naar de komedie; hij trof er vrienden en kennissen
aan; hij ging in de loges hun dames groeten en een praatje maken; in de
pauze werd hij als ’t ware omringd, niet enkel wijl hij rijk was, maar
men mocht hem graag, vond hem een goede, sympathieke persoonlijkheid.
Heel oude sobats van twintig jaren en meer geleden, kwamen met
vriendschappelijk glimlachende herkennings-gezichten en toegestoken
handen op hem af, met „Zoo!”’s en „Wel kerel!”’s en amicale „Gévédé”’s,
maar allen met vertoon van gemeende hartelijkheid.
„Kom,” zei de plaatselijke commandant, die als tweede luitenant Geber
gekend had, „ga nog ’n uurtje na het concert met me mee naar m’n huis.”
Als altijd licht te „lijmen”, deed hij het.
En twee anderen gingen ook mee, omdat, zeiden ze, Geber ging, en zoo
raakten ze weêr aan ’t homber-partijtje, tot te twee uren Geber in zijn
wagen stapte, zóó totaal op, dat hij al sliep vóór het rijtuig stil
stond. Hij sliep om zoo te zeggen door naar zijn kamer gaande, zich
ontkleedende met het gevoel, de zekerheid, waaraan hij nog dacht voor
hij heelemaal insliep, dat hij wel tegen alle gewoonte in niet vroeg
zou opstaan den volgenden dag.
Het was alsof iemand hem wakker had gemaakt; ineens klaar wakker,
zonder eenig overblijfsel van slaperig zijn of soesen; vrij helder van
oog en hoofd; en werktuigelijk keek hij rond in het vreemde
logementsbed, als met aandrift om te onderzoeken wie of wat hem zóó had
doen ontwaken midden in zijn slaap. Er was niets te zien; aan de eene
zijde het beeld van het kamerscherm tusschen hem en het flauw schijnend
nachtlichtje, aan de andere de lichte doorschijnende schaduw van de
klamboe op den witten muur. Op straat sloeg de gardoe vier slagen;
alles was stil en rustig.
Gek vond hij het, dat hij nu uit zichzelven wakker werd, na zoo’n
zwaren dag en terwijl hij daareven zoo’n geweldigen slaap had.
’t Beste was maar te beproeven weêr in te slapen; hij sloot de oogen,
doch deed ze snel weêr open... Daar had je weêr dat idee! Het toonde
zich nu belichaamd; hij zag zichzelven en de oude plek en het pistool,
dat hij in de hand hield, en te gelijk zag hij zijn lichaam, den arm
uitgestrekt, dood. Toen hij de oogen sloot, doemde het ineens op, als
een mooie geïdealiseerde schilderij, vol licht en kleur, maar met
buitengewone, phantastische, scherpe tinten, tot hem komend gelijk de
monsterachtige mannetjes en de vreemdsoortige dieren voor de
ongeregelde verbeelding van kinderen, als ze de oogen sluiten voor ze
inslapen.
Hij was waarlijk geen kind, en het was ook niet, dat hij voor zulke
kleinigheden bevreesd was of uit bijgeloovigheid; alleen vond hij die
herhaling vreemd en onrustwekkend.
Waarom kwam dat denkbeeld aan zelfmoord zoo herhaaldelijk bij hem op?
Hij was het toch niet van plan! In vollen ernst: hij dacht er niet aan.
Als erover werd gesproken in gezelschap, keurde hij het altijd af.
Vooral menschen die vrouw en kinderen hadden, zei hij dan, waren
schuldig als zij zoo iets deden; zij kwamen dan hun verplichtingen niet
na. Maar zelfs al hadden zij geen gezin, dan was en bleef het nog een
onverantwoordelijke daad.
Nu deed hij de oogen weêr dicht, zag het weêr, keek ernaar en
glimlachte ertegen; want het was mooi; zoo artistiek van teekening, zoo
fijn en diep van zacht wijkend perspectief, en vooral zóó schitterend
rijk van toon...... zoo iets was haast ondenkbaar; had hij nooit gezien
in de werkelijkheid; ’t nam al het nare weg van de voorgestelde
handeling en van de uitgevoerde, in een omtrek samen opgenomen; de vorm
won het op ’t wezen. En al wat om die voorstelling heen scheen te
liggen, zonk weg in een vage droefgeestige tint, vuilgrijs en dofgeel.
Was dat het leven, was het andere de dood? Het ging in zijn hoofd weêr
den ouden weg op. Wat had hij aan het leven? Daar tobde hij nu zijn
lichaam af in moerassige, stinkende en benauwde bosschen, om... wat
meer geld dan hij bezat. En waartoe dat geld? Wat had hij eraan? Thuis
een machinaal onverschillig leven; een vrouw, die hem altijd vreemd zou
blijven als mensch, al kreeg ze ook nog twintig kinderen bij hem. Hij
kon zoo’n leven doorsjokken als een ander soort van koelie, beschaafd
en welgesteld! Net als vroegere keeren en heelemaal in strijd met zijn
oude denkbeelden, kwam hij weêr terug tot de theorie, het leven te
beschouwen als een huis, dat men verlaat, als het niet langer bevalt.
En het beviel hem niet, nu niet! Zooals hij het zag was het een gruwel
van vervelende overbodigheid, van noodelooze en onnutte ellende. Hij
had Roos willen ruilen voor Clara, maar of het dat was wat hem ontbrak?
’t Scheen hem onwaarschijnlijk.
Want dan zou hij ook van dezelfde conditie zijn als nu, misschien met
wat meer opgewektheid als man, maar anders ook niet.
Overigens dezelfde misère; de mierenarbeid van menschen! Hij keek weêr
naar de voorstelling van het beeld, dat als iets wezenlijks voor zijn
geest was blijven staan, stralend van mooiheid en licht, nu zacht
vervloeiend.
Het kanonschot van vijven, dadelijk gevolgd door de slagen der gardoes
op hun blokken, deed hem opspringen. Het was nu ineens alles weg; maar
toen hij de hand over ’t voorhoofd streek en over zijn kaal hoofd,
voelde hij dat ’t klamme zweet erop parelde. Dat was weer een nacht
geweest! dacht hij geeuwend en de vensters opengooiend.
Op den weg en het erf van het logement ving in het donker de
bedrijvigheid aan; hij leunde op het vensterkozijn en keek ernaar,
telkens geeuwend dat hij ervan rilde. Nog geen twee uren geslapen, na
zulk een dag!
Het zou hem in vroeger tijd nooit zijn gebeurd. Wat scheelde hem dan?
Waren zijn zenuwen in de war? Ontbrak hem een normale digestie? Het
denken aan zelfmoord en het niet kunnen slapen zou wel een en dezelfde
oorzaak hebben. Het was niet anders te verklaren, dacht hij, want de
menschen spraken wel van erfelijkheid en zijn moeders-broer had zich
vele jaren geleden voor ’t hoofd geschoten, maar dat vond hij toch te
gek om van te spreken.
Hij had van den onaangenamen nacht geen last, was integendeel
opgewekter en vroolijker dan anders, met neiging om een goed glas wijn
te drinken en een stevig bittertje.
Toch vroeg men hem overal of hij ziek was, waarop hij dan lachend
antwoordde, dat bij hem vergeleken, een vischje in het water een
teringlijder was. Maar hij had de overtuiging van ziekte, van een
vreemde, onverklaarbare ongesteldheid, waaruit alles voortkwam wat hij
onderging in den laatsten tijd, tot zelfs zijn bijzondere
opgewondenheid en het extra spraakzame in vreemd gezelschap, hem anders
niet eigen.
Daar zat hij nu ook over te denken, teruggekeerd van zijn zakenbezoek
aan Twissels. Hij kon dien dokter toch niet alles vertellen over de
aanvechtingen tot zelfmoord!
Dan zou hem misschien ook nooit een geneesheer kunnen helpen.
In godsnaam! zuchtte hij. Er moest maar van komen wat er wilde.