KOMEN EN GAAN.

Toen dit eigenaardig staartje van het feest op Koeningan gelukkig

achter den rug was, ging voorloopig alles weêr zijn gewonen gang. Maar

toch anders dan vroeger, drukker en gewichtiger.

Uhlstra was voor langen tijd op reis naar de buitenbezittingen; Lugtens

was op een inspectiereis langs de kust.

Geber zat elders op Java om voor de belangen van het tot stand gekomen

houtcontract te zorgen, terwijl zijn land zoolang beheerd werd door

zijn zwager van Tji-Ori, die de brug over de kali weêr in orde had

laten maken, maar slechts van bamboe en tijdelijk.

Alleen Twissels ging dag aan dag, als een machine, naar zijn kantoor,

tot laat, heel laat in den namiddag, en dan snakte hij ’s avonds naar

een partijtje; hij had nu drie „vaste” en een Zaterdag-’s avonds in de

Sociëteit, maar wat moest hij nu met die drie ongelukkige avonden

beginnen, die er bovendien nog waren in een heele week?

Roos was naar beneden gekomen, hoezeer haar toenemende omvang het zeer

bezwaarlijk maakte. Mama tjang zou nu bepaald dood gaan, en het zou,

vond zij, toch „te erg” wezen, als zij daar niet bij kon zijn.

Zij waren weêr allen in de kamer, net als vroeger, en de oude vrouw,

meer verschrompeld nog en ingevallen, lag onbeweeglijk op haar

baleh-baleh met mooie klamboes, nieuwsgierig aangegaapt door de

kinderen, en nu enkel met kleine Lena, haar kind, zooals zij altijd

zei, vlak bij haar. Het oude mensch ademde moeielijk; zij stierf toch

nog met een zwaren strijd om het bestaan blijven: en ze was volkomen

bij haar kennis. Nu en dan zei ze iets.

„Ik zie hen gaan; allemaal gaan!”

„Wat zegt ze, Clara?” vroeg mevrouw Uhlstra.

„Zij ziet ons gaan, kasian!”

„Ik zie hen allen gaan naar den grooten put.... een.... twee....

drie.... vier....”

„Zij ziet ons naar een put gaan,” expliceerde mevrouw Lugtens, en

ofschoon dat nu op zichzelf niets had te beduiden, rilden zij allen van

de akeligheid, met koude vingertoppen, zoo zenuwachtig. Het sterfbed en

het gepraat van mama tjang maakten haar angstig, maar ze wilden het nu

nog niet voor elkaar weten.

„Wat telt ze toch?” vroeg fluisterend Roos, die een ander leven voelde

in het hare, en nog veel banger was voor den dood, dan een der anderen,

even bijgeloovig bevreesd als zij, voor wat zoo’n stervend mensch nog

zegt.

„Wat zeg-je ma?” vroeg kleine Lena om nicht Roos genoegen te doen. „Wat

reken-je uit?”

„Allen.... allen.... Ze gaan erin.... twee.... Lugtens nu.... dat is

goed.... zeven.... mijn kind niet.... zij gaat er over.... God houdt

haar vast.”

Verschrikt keken zij elkaar aan; ze konden het elkaar niet meer

verzwijgen, dat ze nu vreeselijk bang begonnen te worden.

Het was donker in de kamer. Er brandde een klein flikkerend lichtje,

dat de schaduwen fantastisch liet dansen op de witte muren en de

klamboe.

Roos, anders zoo kalm, kon het niet langer uithouden; zij sloop stil

weg, ze kon niet langer aanhooren die akelige woorden over hen allen in

dien put.

Langzamerhand kwamen de anderen ook, en de kinderen liepen

onverschillig meê, onder elkaar fluisterend en gekheid makend over het

heelemaal in een put gaan, met hoofd en handen gichelend aanwijzend hoe

ze daar zouden inschieten, den kop vooruit.

Enkel bleef de kleine Lena achter, met haar groote oogen kijkend naar

het leelijke oude masque, waarmeê ze altijd zoo vertrouwd was, en dat

ze niet leelijk vond, in het geheel niet; met groote belangstelling

luisterend naar de woord-herhalingen, tot vervelens toe, uit den

tandeloozen mond, die bij het krampachtig ademen, half samengetrokken,

als ’t ware uit- en inging als een zuignap, die telkens pakt en weêr

loslaat. Eens nog gingen de nu doffe zwarte oogen open; zij keek naar

haar kind, met een poging haar hand te leggen op het blonde krullende

haar, wat Lena deed, toen ze zag wat mama tjang woû, en dat ze het zelf

niet meer kon.

Buiten in den helderen zonneschijn op het gezellig achtererf, waar in

de volières de glatiks en andere vogeltjes vlug op en neêr wipten, de

badjings krijgertje speelden door het glinsterend groen der klappers,

de perkoetoets de tien of twaalf volle tonen van hun roep zacht en

droomerig lieten wegvloeien, was de vrees der dames gauw geweken; ze

griezelden nog een oogenblik, maar waren toen direct in druk gepraat

over wat er in den laatsten tijd gebeurd was en niet gebeurd, over de

toko’s en den goedang.

De kinderen waren weggeloopen naar de paarden, die trappelden in den

stal; naar de apen, die, verschrikt en bang, krijschend in de stijlen

vlogen, met opgetrokken wenkbrauwen, en bij het zenuwachtig telkens

opkijken de witte tanden toonend. ’t Was het leven van elken dag.

Kleine Lena kwam uit de kamer, misschien tien minuten later, met ’n

bleek bedroefd gezichtje, tranen in haar groote blauwe oogen en ’n

bevende onderlip, die weêr op schreien stond.

Mevrouw Lugtens zag het; ze zagen het dadelijk allemaal, opschrikkend

uit het onverschillige gerammel van hun dagelijksch praatje, met korte

uitroepen van schrik. Nu drongen ze de kamer binnen, naar de

baleh-baleh met de mooie klamboes, waar mama tjang lag, zoo droog, zoo

beenig en dor, zoo strak en stijf als een reeds bij het leven

gemummificeerde, pas gestorvene. Een oogenblik volgde ’n luidruchtig

vertoon van droefheid, in eens overslaand op twee baboes, die tegen den

muur gingen leunen, het gezicht op een omhoog gestoken arm, luid

huilend, jammerend onverstaanbare woorden, waartusschen enkel duidelijk

nu en dan „mati”, met langgerekte i’s in eentonige cadence drie-,

viermaal.

Er kwam gauw een eind aan. Eigenlijk was er geen smart om het verlies.

Het oude inlandsche mensch, dat al zoo dikwijls den schijn van te

zullen sterven had aangenomen, was alleen dáárdoor reeds

„afgeschreven.”

Lugtens was er blij om. Toen zijn vrouw hem ’n week of wat later bij

zijn terugkomst vertelde, dat mama tjang dood was en begraven, zei hij

ronduit:

„Des te beter! dan zijn we eindelijk van dat gezanik af.”

Hij had, toen hij het zei, de hand van kleine Lena in de zijne, alleen

verheugd, dat hij er weêr was om het kind, het eenige in huis, dat hij

graag zag. Zij trok zich kwaad los, hem aankijkend met een gezicht vol

verwijt. Het ging hem nu ineens door het hoofd: dat was waar ook! En te

gelijk vreesde hij, dat zij weêr iets zoo onaangenaams mocht zeggen,

als een vorige maal, toen ze sprak over zijn eigen moeder.

„Nu ja, ik wil maar zeggen,” ging hij voort, schijnbaar onverschillig

het hoofd achteruit trekkend, „dat het voor ’t mensch beter is.”

„Ja,” stemde zijn vrouw toe, „ze was altijd ziek.”

„Maar ze had toch ook wel plezier,” zei kleine Lena, denkend aan de

tevredenheid der oude vrouw bij haar verhaaltjes in ’t maleisch.

Lugtens en Clara zwegen.

Het was geen onderwerp om op terug te komen, als het kind erbij was;

dat kind oefende al een invloed uit grooter dan zij beseften. Ze hadden

van alles gedurfd waar de andere kinderen bij waren; die telden in

zoover niet mee! Het aanwezig zijn van Leentje deed dat wel.

„Roos heeft een meisje,” vertelde mevrouw Lugtens verder.

„Dat heb ik gehoord.”

„Alles is heel goed gegaan. Geber is op Koeningan.”

„Ik heb bericht van hem. De zaken komen flink in orde. Verder niets?”

„Lena zegt dat hij er slecht uitziet. Een dag of wat geleden ben ik er

geweest, toen was hij nog niet thuis.”

Lugtens haalde de robuste schouders op.

„’t Zal wel weêr over gaan,” antwoordde hij onverschillig naar zijn

kamer gaande.

Het kind van Roos droeg het onverwoestbaar cachet van mama tjang; de

jonge moeder vond dat niets aangenaam. Dat het geen jongen was, viel

haar al geweldig tegen; zij had daar vast op gerekend, want alle

doekoens, die zij had geraadpleegd in de laatste drie maanden, hadden

bij hoog en laag verzekerd, dat het een jongen wezen zou, nu was het

toch slechts een meisje! ’t Was om er in ’t geheel niets meer van te

begrijpen! Had het nu nog maar een blanke huid gehad of ten minste ’n

beetje blank, met blond haar, zooals de kinderen van tante Clara, dan

had ze zich over de teleurstelling kunnen troosten. De kleine Lena,—ook

dit kind moest heeten naar mevrouw Uhlstra,—was al vrij donker bij de

geboorte en donkerde als ’t ware met den dag op! Roos had daarover

gepikerd, mismoedig! Zij was zoo dol niet op Willem,—heer neen!—maar

tante Clara hield zeer zeker nog veel, veel minder van Lugtens.

Dàt was dus alles maar gekheid. Dááraan kon het niet liggen, en aan een

verschil in vatbaarheid, samenstelling of gevoeligheid voor indrukken

tusschen haar en haar moeders zuster, een verschil in haar nadeel

dus,—wel, zij kon er niet aan denken.

Het moest zijn, Gebers, schuld wezen, meende zij; hij was geen

krachtige persoonlijkheid genoeg, geen man, die zijn nakomelingschap

tjapte. Dat zou het wezen!

Zij was als ’t ware weêr kant en klaar toen Geber terugkeerde.

Hij zag er wezenlijk vermagerd en bleek uit, maar daar lette zij minder

op. Wat haar meer trof was zijn grootere opgewektheid en vroolijkheid.

Die troffen ook zijn schoonmoeder, tijdelijk op Koeningan om het

huishouden te doen. Hij sprak over de zaken met veel levendigheid;

alles ging uitstekend! Hij legde een groot en plichtmatig vertoon van

vaderliefde aan den dag; nam zijn kind in de armen, kuste het, vond het

mooi en flink, zoende Roos bij wijze van bedank-je voor het levend

geschenk,—gedroeg zich naar de gevoelens van mevrouw Uhlstra volmaakt

zooals het behoorde en rees in haar schatting.

Misschien lette zij daarom meer in het bijzonder op hem en zag, dat hij

veranderd was in z’n gezicht.

„Weet-je,” zei ze ’s avonds bij het naar bed gaan tegen Roos,

assisteerend bij het „helpen” van de kleine. „Ik vind dat Willem er

niet goed uitziet.”

Roos antwoordde er niet op, bezig met haar kind, dat onrustig worstelde

met de moeielijkheid, om de beste methode te pakken, voor het tot zich

nemen van z’n eerste middel van bestaan; zij knikte bevestigend tegen

haar moeder, maar zonder groote belangstelling of overtuiging, ook in

haar gedachten met het kind bezig en niet willende spreken, omdat de

kleine zich dan verslikte.

En mevrouw Uhlstra, van die laatste omstandigheid, door veelvuldige

persoonlijke ervaring, geheel op de hoogte, gaf maar zelf het antwoord:

„Hij zal vermoeid zijn van de reis.”

Maar den volgenden morgen zag Geber er niet uit als iemand, die van de

vermoeienis is uitgerust; het teekende nu scherper op zijn gezicht en

Roos had wel blind moeten zijn om ’t niet zelf te zien. Zij vroeg hem

of hij zich ongesteld gevoelde, en hij antwoordde heel gewoon:

„’n Beetje koortsig soms. Overigens scheelt me niks.”

„Het is toch beter ’n dokter te raadplegen,” meende mevrouw Uhlstra.

„Misschien wel. Ik slaap slecht.”

„Daar moet je bepaald den dokter over spreken. Het is een lastig iets.”

’t Was weêr mevrouw Uhlstra, die het zei, maar zonder overtuiging, zoo

losjesweg als om het gesprek aan de ontbijttafel aan den gang te

houden. In haar verstand van getrouwde vrouw met een man als Uhlstra,

bracht ze bijzonder veel in het leven terug tot een algemeene oorzaak.

„Willem ziet er betoel slecht uit,” zei nu ook Roos, toen Geber weg was

naar zijn werk. „Ik weet niet wat slecht slapen is, want ik slaap

altijd kostelijk. Het is toch niet erg, ma?”

„Wel neen,” zei mevrouw Uhlstra met een geheimzinnigen lach. „Het is

volstrekt niks! Dat heeft je pa ook wel eens gehad in vroeger tijd.”

En Roos in haar eenvoud:

„Hé ma! daar heb ik nooit iets van gehoord.”

Haar moeder amuseerde zich ermeê; zij lachte, dat zij er zacht van

schudde, zoo grappig vond zij het.

„Wacht maar,” zei ze, „tot je heelemaal beter bent; dan zal je zien,

dat hij weêr goed zal kunnen slapen.”

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 29 / 83 题