Het werd er onder het rijden niet vroolijker op. De file van rijtuigen
joeg aanhoudend hooge stofwolken op, die voor de hoeven der paarden
omhoog schietend, de menschen letterlijk poeierden.
Toen Markens en z’n vrouw thuis kwamen, bevreemdde het hem en
verontrustte het haar, dat zij niets van de kinderen zagen of hoorden.
„Ze slapen,” zei een der bedienden.
Dat was nu juist het gekke: ze sliepen anders nooit op zulk een tijd
van den dag.
Zij gingen nu even de slaapkamer binnen, en werkelijk de jongens
snorkten achter de klamboe, dat het een lust was.
„Zijn ze dan gisteravond laat naar bed gegaan?” vroeg mevrouw.
„Neen.”
„Zijn ze van ochtend al op geweest?”
„Neen.”
„Maar, mijn God! dan zijn ze ziek,” riep zij uit. „O, zulk gemeen,
harteloos inlandsch volk! Ze zouden mijn arme kinderen zich nog liever
dood laten slapen, dan om den dokter gaan!”
Markens volgde haar terug naar de slaapkamer, waar ze de klamboe
openden.
Een stank van sterken drank en tabaksrook sloeg hen tegen. De jongens
lagen daar met roode gezichten en opgezette oogleden in een zwaren
slaap, gekleed, met hun schoenen aan, en vuil, vuil! Fred had een
schram over zijn voorhoofd, en Ed, die uit zijn neus had gebloed, zag
er ontoonbaar uit.
De ouders keken een oogenblik stil toe, verslagen.
Daarna jammerde zij, huilend, dat het zóó geen leven was; dat zij zóó
geen oogenblik van huis kon! dat het geheele bediendenpersoneel weg
moest; zij wilde de meiden roepen, haar „standjes” geven en wegjagen;
zij wilde de „kinderen” laten afwasschen en uitkleeden,—maar daar was
Markens tegen.
„Laat hen maar uitslapen,” zei hij onverschillig.
En eigenlijk deed zij dat het liefste; nu, zoo vermoeid, weêr dadelijk
soesah te hebben, was te erg!
Zij was, meende zij, eigenlijk ook niet sterk genoeg van gestel voor de
zorgen van een huisgezin; iemand van haar délicate constitutie moest
zich met al die onaangename dingen nooit behoeven te bemoeien.
Hij liet haar uitspreken, gewoon aan dat lied; hij had het al zooveel
jaren gehoord!
Zij ging gaarne uit; zij kon ’n goed glas wijn verdragen, meer en beter
dan een der andere dames; zij dronk zelfs somtijds meer dan zij
verdragen kon, thuis, in haar kamer alleen! Als hij naging wat er met
zijn weten werd verbruikt in zijn huis aan Port en Madera, en hij
vergeleek dat, bij de daarvoor op de rekeningen geschreven
hoeveelheden... Bovendien maakte zij graag een partijtje whist, en hoe
laat het dan werd in den nacht was haar geheel onverschillig.
Dat alles kon zij doen, voor dat alles was zij sterk genoeg van gestel;
robuust genoeg van constitutie, maar voor de zorgen van een huishouden
met ’n paar kinderen was zij altijd te zwak geweest, en klagend
daarover, had zij het zoover gebracht, dat er verscheidene dames waren,
die beweerden het te gelooven.
Het maakte hem koud noch warm, geleerd als hij had het stilletjes aan
te hooren; zich bewust, dat tegenspraak of berisping tot niets leidde.
„Wat zouden ze hebben uitgevoerd?” vroeg zij eindelijk, uitgeklaagd
over haarzelve.
Daarover dacht hij reeds al dien tijd.
„Dat weet God!” antwoordde hij met een zucht.
„Geld heb ik hun niet gegeven, en alles is achter slot.”
„We zullen er wel meer van hooren. Nu is er niets aan te doen.”
Zij was ook dat volkomen met hem eens; zij ging naar bed en sliep
dadelijk in; hij, schoon ook heelemaal op, kon niet slapen; het gezicht
op de jeugdige beschonkenen, die zijn kinderen waren, maatschappelijke
drenkelingen in de lange kleeren, vervolgde hem.
Had hij schuld? Hij beproefde zijn verdediging tegen zichzelf. Het
hielp niet. Zijn zwakheid.... die was geen verontschuldiging. Dat
vulgaire woord van Jan-en-alleman voor elk schuldig zijn aan al wat
leelijk was, mocht hij niet in het midden brengen; dáár was hij te
verstandig voor.
Er was al tamoe.
Markens, pas in slaap, werd er boos om, maar toen hij hoorde, dat het
een politie-ambtenaar was, dacht hij met schrik aan zijn jongens. Daar
zou je het hebben!
Net toen hij in de voorgalerij kwam, reed ook Uhlstra het erf op, met
een sprong uit z’n wagen en in ’n zetje de galerij binnen.
Toen hij de politie zag, zeide hij niets, en de ambtenaar keek vragend
Markens aan, die daar stond in de hoogheid zijner ambtelijke
betrekking.
„Zeg maar op, wat u te zeggen hebt.”
„De assistent-resident heeft mij opgedragen u mede te deelen, wat ik
hem van ochtend heb gerapporteerd.”
„’t Is goed. Ga uw gang; ik luister.”
„Vannacht werd mijn hulp ingeroepen, omdat eenige jongeheeren,
aangevoerd door een paar volwassenen en geholpen door inlandsche
soldaten, bij een tokohouder in het chineesche kamp alles stuksloegen.”
„Daar waren mijn zoontjes zeker ook bij.”
„Twee rakkers van mij ook,” zuchtte Uhlstra.
Het deed Markens goed, dat hij een lotgenoot had onder de notabelen, en
wel een man als Uhlstra, die niet zwak was voor zijn kroost, althans
niet erg.
„En verder.”
„Ze hebben een Chinees geslagen.”
„Nu ja, dat is mogelijk,” zei Markens met een voornaam gezicht de
schouders ophalend. „Dat zal zoo’n vaart wel niet geloopen hebben.”
„Om de dit-en-dat wel!” riep Uhlstra zenuwachtig. „Ze hebben hem
doodgeslagen!”
Verwezen en bleek keek Markens hem aan.
Daar kwamen zijn twee schuldigen aan uit de badkamer, proper nu, met
schoone baadjes aan: hun knappe jonge gezichten met een uitdrukking
erop van vroegrijpe gemeenheid, stonden heel leuk; ze kwamen kalmpjes
naderbij geloopen, naast elkaar, en keken te gelijk op, de menschen
brutaal in het gezicht.
„Wat heb je vannacht uitgevoerd?” vroeg hun vader met een boos gezicht.
„Ik weet het niet,” zei Freddy.
„Ik weet het ook niet,” zei Eddy.
„Hoe ben je uitgegaan?”
„We zijn in den vooravond wat gaan wandelen met eenige vrindjes; met de
jongens Uhlstra en Lugtens en anderen.”
„Vervolgens?”
„Toen zijn we voorbij de sociëteit gekomen. Er waren daar maar weinig
menschen door de groote partij op Koeningan.”
„En toen?”
„Daar zaten Cesar Jansen en andere jongelui. Ze hebben ons brendy
gegeven met klontjes suiker; toen zijn ze met ons gaan wandelen.”
„Waarheen?”
Uhlstra zat bij die vraag van Markens in spanning; ’t was hetzelfde
verhoor, dat hij zijn twee jongste kinderen had afgenomen en tot nog
toe waren dat dezelfde antwoorden, die ze hadden gegeven, juist alsof
het afgesproken werk was.
„Ik weet het niet, pa,” zei Freddy.
„Ik herinner me er ook niks van,” verzekerde Eddy. „Heusch pa,
heelemaal niks.”
De mannen keken elkaar aan. Mevrouw Markens, in angst over wat zij
hoorde, was dichtbij gekomen, zonder iets te zeggen.
„Het is duidelijk,” zei ze nu koel en uit de hoogte.—„De kinderen zijn
door een paar volwassen deugnieten dronken gemaakt. Het is een
schande.”
Tot haar groote vreugde deelde de politie-ambtenaar haar meening.
„Dat geloof ik ook, mevrouw.”
Uhlstra en Markens knikten; het was, vonden ze, de eenige manier om tot
een niet oneervolle oplossing te komen voor hun eigen kinderen.
De jongens van Markens, nu gluiperig de blikken naar den grond, met
arme-zondaarsgezichten, toonbeelden der vermoorde onnoozelheid,
schuinoogden ongemerkt tegen elkaar, inwendig juichend, dat het zoo
goed ging.
Men beproefde maar niet er verder nog iets uit te krijgen.
„Het is goed,” zei Markens. „Je kunt naar je kamer gaan.”
En Eddy en Freddy, hun ondeugende gezichten als ervaren tooneelspelers
rustig in bedwang, stapten naast elkaar naar binnen, als goed
gedresseerde soldaten te gelijk, met de les in het hoofd, precies
zooals ze dat met elkaar en Cesar hadden afgesproken.
Maar toen ze binnen waren, buiten het gezicht en het gehoor, vlogen ze
als dollemannen de trap op, gierend van pret, en boven op de galerij
naar hun kamer, duikelden zij over hun kop, pakten een jonge baboe
beet, die met schoon waschgoed beladen liep, trokken haar, vol
baldadigheid het baadje haast van het lijf en rolden met haar over de
vloermat, zonder iets te ontzien.
„Het beste is, dat wij maar dadelijk aan het werk gaan,” meende
Uhlstra. „Hoe gauwer er een eind aan het gezanik is, hoe beter.”
„Die Cesar wordt toch ’n gemeen sujet,” meende Markens.
„We moeten hem van de plaats zien te krijgen.”
„Ik wil er graag meê mijn best toe doen. Zoo’n jongen zou onze kinderen
geheel bederven.”
Hij wist wel, dat aan de zijnen niet veel meer te bederven viel, en tal
van volwassenen gevangen zaten om minder dan deze knapen reeds op hun
geweten hadden,—maar wat kon hij, als vader, doen?
„Gemakkelijk zal het evenwel niet gaan. Mevrouw Jansen....”
Nu mengde zich de vrouw des huizes met verontwaardiging in het gesprek.
„Mevrouw Jansen moet de keus maar gelaten worden tusschen de gevangenis
voor dien gemeenen jongen of zijn verwijdering van de plaats. Zij is
een oude vrouw, dat is waar, maar medelijden heb ik niet met haar, want
dat die Cesar zoo geworden is, is haar schuld; zij heeft hem heelemaal
bedorven.”
Markens was geen wijsgeer, maar hij dacht op dat moment toch heel
wijsgeerig over het tegenstrijdige in een mensch, dat volkomen blind
voor eigen schuld en gebreken, onbarmhartig oordeelt over geheel
gelijke schuld en overeenkomstige gebreken bij anderen.
Uhlstra keerde zich af om z’n gezicht niet te laten zien, dat zeer boos
stond.
Hij zweeg maar, want zijn neiging om mevrouw Markens eens op dit punt
de waarheid te zeggen, was zoo groot, dat hij ertoe zou gekomen zijn
als hij ’n woord had gesproken.
Het was een heel praatje op de plaats. Iedereen had er een bijzonder
verhaal over, dat aanvankelijk altijd nog weêr erg overdreven was.
Lugtens was begonnen zijn twee zonen—van hem waren het de oudsten—met
een hondenzweep te slaan, tot ze het uitgilden en ampon vroegen; daarna
sloot hij hen voorloopig in de wagenkamer.
Toen ze de familie van den vermoorden Chinees door hun invloed en hun
geld er toe hadden gebracht de zaak te laten voor wat die was, en ook
de politie er zich verder niet mee zou inlaten, werden met vereende
krachten contra-berichten verspreid; alle fatsoenlijke menschen
colporteerden die in het openbaar. Er was in ’t geheel geen doode
Chinees. De jongelui en de kinderen, die genoemd waren, hadden niets
gedaan, dan staan kijken, toen eenige van die in garnizoen altijd zoo
rampassende boegineesche soldaten een tokotje hadden geplunderd.
Er waren er, die zelfs dat contra-verhaal hielpen verspreiden,
verontwaardigd de vroegere leugenachtige en lasterlijke praatjes
tegensprekend, en die toch zeer wel de waarheid wisten; de eenige, die
onder deze wetenschap vreeselijk leed was Markens.
Freddy had den Chinees met een stuk ijzer op het hoofd geslagen; hij
was de moordenaar.
Dat was Markens te machtig. Al was hij van huis uit een proletariër, in
zijn gezin en tegenover zijn vrouw van goeden huize altijd slechts le
mari geweest de sa femme,—hij had reeds eenmaal—te laat! getoond te
kunnen optreden.
Nu deed hij het, en het verwonderde hem, dat dit eigenlijk weinig meer
bleek te zijn dan een goed doorgezette durf.
„De jongens gaan naar Holland,” zei hij, nadat hij haar alles verteld
had.
„Dat is onmogelijk,” had zij geantwoord, volstrekt niet
geïmpressionneerd door de mededeeling. „Ze kunnen niet alleen naar
Holland gaan.”
„Ik vraag niet, wat ge denkt, dat ze alleen kunnen doen of niet. Wat ze
doen, alleen en hier, weet ik!”
„Maar ik vond.... Mijn God, ik heb....”
„Het is niet de quaestie, wat je vindt en wat je hebt. De jongens gaan
met de eerste boot weg; ik heb mijn maatregelen genomen, en daar is
niets hoegenaamd aan te veranderen.”
„Dus dat heb je alles beschikt zonder mij.”
„Ja, dat heb ik zonder jou gedaan, en ik zal, zonder jou, nog veel meer
beschikken. Veel te lang ben ik zoo dom en eigenlijk zoo slecht geweest
om dingen aan jou over te laten, die ik zelf had moeten doen... Hoe je
hierover denkt, doet er dus niet toe; het gebeurt! En wat je „hebt”
geldt alleen in zoover het ’t uitzet betreft van de jongens, die in elk
geval niet zonder kleeren op reis kunnen gaan.”
Zij voelde waar het terrein onherroepelijk was verloren, maar te
gelijk, waar zij het onder de voeten had, begrijpend hoe daarmee nog
voordeel was te doen.
Dienzelfden dag nog reed zij de toko’s af en kocht, kocht! Het was
volmaakt of Freddy en Eddy voor vele jaren naar een onbewoond eiland
gingen, met zoo ontzaglijk veel, deels in Europa geheel onbruikbaar
goed, werden koffers en kisten volgepakt.
De jongens waren blij.
Het kon hun niets schelen, waarheen zij gingen; het was tegenwoordig
overal plezieriger dan in Indië. Zij waren aan alle moeilijkheden en
gevaren ontsnapt,—maar de eenige, die hen strafte en onbarmhartig ook,
die geen kasian had, volmaakt onomkoopbaar was en zich door niets liet
vermurwen,—was de schooljeugd, waren de jongens uit de hoogste klasse,
die de heele geschiedenis kenden, precies zooals zij was voorgevallen,
en die, bovendien volkomen op de hoogte van ’t verdere zondenregister
van Freddy en Eddy, nu tot de slotsom waren gekomen, dat het te erg
was. En die conclusie, neêrgelegd in meer dan één pak slaag, in een
dagelijksche bejegening, bestaande uit ’n variant van geheimzinnige
„opstoppers” en onaangename woorden, was veel erger dan wat ter wereld
ook voor een jongen erg kan zijn.