Clara was opgestaan; zij was een der eersten geweest, die naar haar
kamer ging, ze had goed geslapen en was nu ook het eerst bij de hand,
hoofdschuddend over den aanblik van de leege feestlokalen, nog door de
lampen hier en daar verlicht.
Verrast zag ze Geber zitten, in den grooten rieten stoel, het gezicht
naar boven, bleek en glimlachend als in een droom.
„Mijn hemel, Wim,” zei ze over hem heen buigend, „lig jij hier te
slapen?”
Hij had haar niet hooren komen, zoo zacht liep ze op haar bloote
voeten, en met een koortsschrik, die hem door merg en been ging, rees
hij ineens op, haar aanziend met een verbaasd en ontsteld gezicht.
Zij keek hem aan met groote oogen, verwonderd, niet wetend hoe ze het
met hem had.
„Wat scheelt je?” vroeg ze bezorgd. „Je hebt zeker koorts gekregen. Hoe
onvoorzichtig ook!”
Geber streek, diep zuchtend, de hand ’n paar malen over het voorhoofd,
en lachte toen zacht, schoon zijn hart nog bonsde van het plotseling
opschrikken.
„Het is volstrekt niets. Ik lag te soezen, ’n beetje overspannen door
al die drukte. Ik weet niet hoe ik zoo opschrikte toen ik je stem
hoorde zoo dicht bij me.”
„En je bent zelfs nog gekleed.”
„Het is waar ook! Ik ga me lekker maken.”
„Ik zou trachten nog rustig een uurtje te slapen. Je hebt er behoefte
aan. Het zal je goed doen.”
„Dat zou het zeker. Nu, ik zal het probeeren.”
Hij haalde zijn horloge uit z’n vestzak en hield het onder ’n lamp.
„’t Is amper vier uur, Clara,” zei hij huiverend. „’t Is een erg koele
ochtend. Wat ga jij doen?”
„Ik? Wel, wat ik elken ochtend doe vóór vijven. Ik zal probeeren een
lekkeren kop koffie te zetten.”
„Dat is een idee. Krijg ik er dan ook een?”
„Als je wilt.... Maar ik zou het je niet aanraden. Het is geen goed
middel als men in slaap wil raken.”
„In ’s hemels naam.... ik heb er zoo’n behoefte aan.... veel meer nog
dan aan slapen.”
Langzaam ontkleedde hij zich in z’n kamer, nog bezig in gedachten met
dat dwaze zoo plotseling opgekomen idee van zelfmoord. Het was al te
gek! Iemand in zijn omstandigheden moest zulke malligheid niet in ’t
hoofd kunnen krijgen. Het zou, meende hij, wel veroorzaakt zijn door
een geringe storing in z’n bloedsomloop, ’n tikje malaria, gevatte kou,
onregelmatige werking van de gal of zoo! Hoe zou iemand, normaal gezond
van lichaam en geest, zulke krankzinnige visioenen kunnen hebben en die
dan als heel gewone zaken opnemen en in gedachten beschouwen? Het zou
hem niet weêr overkomen, dat was zeker, en al frisscher en helderder
wordend in z’n hoofd, stak hij een cigarette op en wierp, nu in
nachtbroek en kabaai gekleed, zich op een divan bij het opengestooten
venster.
Zacht hoorde hij tikken aan de kamerdeur. Dat zou zijn koffie wezen,
die de jongen bracht; daarom antwoordde hij in ’t maleisch. Doch Clara
was het zelf met een grooten porseleinen kop in de hand.
„Er is geen bediende present.”
„Dat begrijp ik,” antwoordde hij.
„Neen, ze hebben óók niet stilgezeten, gister en vannacht.”
Hij nam den kop koffie van haar aan en dronk die met wellust, sterk en
warm als ze was, en toen gaf hij den leegen kop haar niet terug, schoon
ze daarop wachtte, maar hij zette dien op de tafel, sloeg zijn arm om
haar heen, haar zacht meêtrekkend naar den divan bij het venster. En
het was weêr juist als voor jaren geleden, zonder voorbedachten rade,
zonder voorafgegane bedoeling of gemaakt plan, maar als iets, dat
heelemaal vanzelf kwam en vanzelf sprak; er volgde ook nu van haar kant
geen tegenstand; zelfs geen poging daartoe.
Toen zij samen Geber’s kamer verlieten, was er nog altijd niemand
wakker van de huisgenooten en de gasten. Clara ging naar achter bij de
koffie; hij stapte langzaam de trap af der voorgalerij, schrikbarend
uit zijn humeur, hoogst ontevreden met en over zichzelven, ook al net
als voorheen.
Hij liep een landweg op met groote schreden, zonder ergens heen te
moeten, zonder haast zich spoedend, louter uit onbekenden aandrang tot
heftige beweging, als moest die reageeren op zijn stemming.
Er kwam tint aan den horizon, licht rose. Hij volgde denzelfden weg,
dien Jozef had geloopen, den avond voor de ketjoe-partij.
De weg liep tusschen de velden door, haast een uur lang, ombuigend door
de sawahs den anderen kant weêr terug naar het landhuis. ’t Daglicht
brak zachtjes door, lichtgrijs over de velden, rood aan de lucht, tot
de kleurverschillen in één toon smolten en de boomtoppen verguldden in
den zonneschijn.
Toen hij weêr thuis kwam, door en door warm van den geforceerden
marsch, met een kleur op z’n gezicht, was het heelemaal dag en zat de
galerij vol, terwijl werd storm geloopen op de badkamers.
„Jij bent in ’t geheel niet naar bed geweest, hè?” vroeg Lugtens hem,
toen hij, opkomend, zijn gasten een vroolijken morgengroet toeriep.
„Neen. Ik heb nog geprobeerd ’n oogenblik in ’n stoel te slapen, maar
het lukte niet.”
„Je hebt al koffie gehad van tante,” zei Roos, toen zij haar man
bemerkte, met de bedoeling te informeeren of hij misschien nog meer
verlangde. Even keek hij terzijde naar mevrouw Lugtens, maar die was in
gesprek met andere dames en lette niet op hem.
„Ja,” antwoordde hij. „Maar ik lust nog wel wat. Ik heb een flinke
wandeling gedaan: den heelen binnenweg om.”
„Is dat lang?” vroeg Markens, genietend van een boterham met gerookten
zalm.
„Een goed uur als men aanstapt,” antwoordde Geber. „En hebben al de
dames en heeren goed geslapen?” vroeg hij in het rond ziend.
De stroom van antwoorden was zeer verschillend.
Over het algemeen heerschte er dadelijk weêr de vroolijke feesttoon
bij. Er waren jongelui die haast met geweld bedwongen moesten worden,
want ze wilden maar dadelijk weêr aan den dans op het plancher. Toen
stelde er een voor en corps in de kali te gaan baden, en dit vond zelfs
bij hen, die al in de badkamer waren geweest, grooten bijval.
Haast allen gingen meê, velen enkel om te zien wat er te zien viel, al
zwommen ze niet zelf.
Natuurlijk bleef Lugtens thuis en Geber ook; de eerste bij deze
gelegenheid bijzonder vroolijk voor zijn doen en spraakzaam, gaf een
betuiging van tevredenheid over het aangenaam festijn; de andere,
verstrooid, luisterde eigenlijk maar half naar den commandotoon, en
hoorde eerst wat Lugtens zei, toen hij begon te begrijpen, dat er iets
te verdienen viel.
„Je weet,” verzekerde Lugtens, „dat ik jullie graag mag. Maar je moet
je niet terugtrekken. Dat gaat niet. Ik heb nu een mooi houtcontract op
het oog. Wel, dat kunnen we weêr met ons vieren doen. Als we het spoor
door het bosch kunnen krijgen, zijn we heelemaal klaar. Doch één ding,
en dat weet je wel. Ik houd niet van menschen die... die... zoo
eigenzinnig een anderen weg willen gaan. Men moet veel menschen
ontvangen en bij menschen gaan. Ik ben je genegen, en met deze royale
partij heb je ’t weêr eenigszins in orde gemaakt. Het is alles heel
goed hier. Nogeens, ik ben daarover tevreden.”
Ofschoon de meesterachtige toon hem hinderde, en hij te gelijk moest
lachen om het gek geval, dat hij juist thans en van dezen man pluimpjes
moest krijgen,—hield toch een gevoel van schaamte de overhand. Het was
en bleef altijd een gemeene streek;—nu hijzelf getrouwd was, besefte
hij dat beter dan ooit. Maar van een vriend en gastheer te gelijk!....
Geber beproefde over zijn eigen gevoel heen te praten, groote
belangstelling toonend in het houtcontract en informeerend of en hoe
het mogelijk zou zijn later een spoor te krijgen door de te
exploiteeren djattibosschen.
’t Bracht hem er heelemaal bovenop bij Lugtens. Iemand die van een of
andere zaak niets begreep, waarvan hij heelemaal op de hoogte was, en
die dan gepaste belangstelling aan den dag lei, zoodat hij, in ’t volle
gevoel zijner meerderheid, hem kon inlichten,—dat was juist een kolfje
naar zijn hand.
„Het moet niet van hier uitgaan.”
„Moet dan niet door de Regeering hier het ontwerp worden goedgekeurd?”
„Dat beteekent niets. Het is de Tweede Kamer die beslist hoe dat spoor
zal gelegd worden.”
„Het zal geen kleinigheid....”
Lugtens zag hem aan.
„Het is ook geen kleinigheid, meneer! Daarmee houd ik me nooit op. Ik
heb in Holland er alles voorgespannen, wat ik kon en,... we zullen
zien.”
Gelukkig kwamen zij in een stroom van gasten; er waren er die
stilhielden en tegen Lugtens praatten. Geber ontsnapte; het werd hem,
nu de warmte toenam, te machtig; hij zou stil naar zijn kamer gaan, en
ondanks het met de temperatuur stijgend rumoer trachten te slapen.
Een paar uur later werd hij gewekt door Roos; hij sliep zoo
schrikkelijk vast, dat het haar veel moeite kostte hem wakker te
krijgen, en toen het haar gelukte, keek hij haar aan, suf, met oogen
rood van vermoeienis, en in een onaangename stemming.
„Ga toch heen,” bromde hij en ging, vastbesloten, op z’n andere zijde
liggen.
Maar zij hield aan met haar zachte, goedige stem, net als tegen een
kind. „Wim, Wim, Willem! Sta nou op, Wim! We gaan zóó rijsttafelen;
daarna kan je immers nog slapen gaan. Wim, Willem, Wim!....”
„Gévédé!” vloekte hij. „Schei nu asjeblieft uit. Daar word ik gek van!”
Zij moest erom lachen, want hot doel was bereikt; hij stond op en
verfrischte zijn gezicht en polsen met koud water.
Roos had wel gelijk; hij moest immers aan tafel zijn, zoo goed als zij;
ten slotte had de slaap hem toch aardig, verkwikt en toen hij in een
wit pakje te midden der gasten kwam, stond hij eenigszins als ’n kat in
een vreemd pakhuis, als iemand die heelemaal niet in de heerschende
stemming was; hij had niet meêgedronken van de Champagne, die van tien
uren af duchtig was aangesproken, en ook niet van de
twaalf-uur-bittertjes, die de heeren reeds klokke-elf waren aangevangen
te verschalken. Zelfs aan tafel onder een glas wijn kon hij het peil
der heeren-omgeving niet bereiken. Voor de tweede maal was ook Lugtens
de invloed van buiten te sterk geweest en had hij zich laten verleiden
in het warme ochtenduur. En net als de eerste maal, speelde het hem
parten; nu danste hij niet, maar oreerde, trachtend geestig te zijn,
wat hem niet gelukte.
Men lachte niettemin om zijn platte aardigheden, velen uit respect voor
zijn positie, anderen uit plezier, dat de altijd zoo quasi deftige
kerel eens met z’n waren aard voor het front kwam; de jongelui omdat ze
er „lol” in hadden in alle beteekenissen.
„Zoo dadelijk gaat hij weêr aan den zevensprong,” zei er een.
„Hij is er al aan,” fluisterde een ander, „maar met z’n tong.”
„Daar zal je ’m nog ’n kuitflikker meê zien slaan,” gaf een derde terug
met ’n basstem, die haast iedereen verstaan kon.
Ze stikten bijna van ’t lachen; de laatste aardigheid deed de ronde aan
tafel en had het succes dat er in deze omstandigheden natuurlijk van te
verwachten viel. Geber kon hieraan niet meêdoen, flauwtjes, gedwongen
glimlachte hij, omdat hij nu eenmaal gastheer was; hij zag Roos, die
haast niet eten kon van de pret en zich tranen lachte; hij zag Clara
donkere minachtende blikken werpend naar haar man: het was alles naar,
vond hij; heel naar.
Maar hij ontkwam er niet aan. Lugtens sprak door, over het feest, den
gastheer, de gastvrouw.
De jongelui aan het ander eind van de tafel mopperden nu.
„Hij maait ons al het gras weg voor de voeten.”
„Er blijft niets voor ons over.”
„Net zoo’n haai als hij is in zaken.”
Lugtens hoorde er niets van; glimmend en met onduidelijke oogen,
trachtend vastheid bij te zetten aan z’n stem, zich inspannend om
zinnen te zeggen, die niet over elkaar den hals braken, stoomde hij
door, tot het einde, dat voor iedereen ’n verlichting was.
De gasten juichten; er waren nog jongelui die zich nu eenmaal hadden
voorgesteld een woordje meê te spreken en zich door niets ter wereld
van dit plan lieten afbrengen.
Toen ze gereed waren, dankte Geber, volkomen normaal en nuchter, met
een enkel vriendelijk woord zoo goed, zoo eenvoudig, zoo volstrekt niet
riekend naar wijn of spiritualiën, dat hij twee knikjes kreeg en twee
glimlachen: van Roos en Clara. De eene vond dat haar man toch iets
geheel anders was dan de rest: de andere vond dat ook.
Er volgde weêr een dansavond, met partijtjes; weêr schetterde den
heelen nacht de muziek; maar ditmaal was alles in een zoo opgewonden
stemming, dat er in het geheel niet naar bed werd gegaan, noch door de
dansende paren, noch door de spelende partners. Het was den volgenden
dag Zondag. Iedereen had daarop gerekend. Men zou thuis wel uitslapen.
Eindelijk kwam er een eind aan!
Het was mooi geweest; plezierig, allerprettigst, jolig, royaal,
joviaal,—al-wat-je-maar-wil, maar legio was het aantal „Goddanks” dat
in stilte opsteeg bij huisgenooten en genoodigden, toen de lange, lange
reeks rijtuigen de laan van Koeningan afreed, den grooten weg op, terug
naar de stad.
Alleen Geber en Clara verheugden zich niet. Het eigen groot rijtuig van
Lugtens was een der eerste dat voorkwam. Zij had zich in een hoek als
geworpen, verdrietig en ontstemd, met geforceerde vriendelijke lachjes
tegen haar zuster Lena, tegen Uhlstra, Roos en de andere neefjes en
nichtjes; met haar oogen had zij hem gegroet, tweemaal uit het open
deel achter in de kap van ’t rijtuig; toen waren ze weggereden.