TANTE JANSEN.

Het begon, toen ze thuis kwam, ’n beetje op te frisschen; de zon, in

sterke declinatie, verwarmde haast niet meer, en ’n opstekend koeltje

deed haar, na den vermoeienden dag, zuchten van genot.

Verbaasd keek ze toe, ziende bij het oprijden van haar erf, dat er veel

menschen zaten in de voorgalerij. Zij zag haar man, zij zag een oude

indische dame met sneeuwwit haar en in een wijde zwart merinosche

japon, in vorm aan geen mode herinnerend; zij zag den notaris Stern, en

natuurlijk Lugtens en Twissels, die altijd erbij waren, als er iets van

belang werd verhandeld in het clubje waartoe zij behoorden.

Wat zou er nu weêr aan de hand zijn? Haar eerste gedachte, vastknoopend

aan de voorgenomen buitenpartij, was: als er nu maar niets is gebeurd,

dat ons plan doet in duigen vallen.

Allen zagen op, toen haar panier voor de stoep stilhield; de oude vrouw

kwam haar jammerend te gemoet, de uitgestoken armen slaande om haar

hals, het grijze hoofd huilend op haar schouder neerlatend.

„Leen, kindlief, tante Jansen nou heelemaal arm!”

Mevrouw Uhlstra keek verschrikt naar de mannen, die stil en ernstig

voor zich zagen, met begrafenisgezichten; slechts de notaris met den

ironischen pli in z’n gezicht, door het zien en hooren van zooveel

menschen-dwaasheid erin getjapt, glimlachte.

„Wat is er dan toch gebeurd, tante?” vroeg mevrouw Uhlstra meêwarig, de

oude vrouw opheffend, en onder den arm terugbrengend naar haar stoel.

„Wij hebben mevrouw gezegd,” zei Lugtens, terwijl zijn harde,

onbuigzame stem somber door de galerij klonk, als las hij een

doodvonnis, „dat haar uitgaven te hoog loopen. Haar goederen brengen

dat niet meer op. Zij kan voortaan over geen cent meer beschikken dan

drie duizend gulden per maand.”

Tante Jansen was in haar stoel gezonken: haar doffe, van rimpeltjes

omgeven, oogen keken rechtuit; het slappe vel harer oude wangen hing

droevig over de onderkaak af.

„Straatarm,” steunde zij, diep ongelukkig. „Straatarm, Leen, op mijn

ouden dag!”

Wezenlijk hadden ze met het oude mensch te doen. Wel vonden ze het gek,

dat zij sprak van arm zijn bij zulk een inkomen, maar dat was de

quaestie niet. Zij, altijd gewoon geweest met geld naar willekeur om te

springen, alsof een onuitputtelijk goudmijn haar ten dienste stond, zag

zich nu beperkt tot een zeker bedrag, dat zij niet mocht overschrijden,

wat zij toch onvermijdelijk doen zou. Mevrouw Jansen had een zeer reëel

verdriet, en het deed er niet toe, hoe een ander daarover dacht, of men

het verstandig vond of dwaas, verklaarbaar of ongerijmd, zij had het en

zij gevoelde het.

„Straatarm!” herhaalde zij maar telkens, en het hielp niet of mevrouw

Uhlstra haar troostte. Zij huilde nu en dan, haar eigen gedachtenloop

volgende, vegend met haar zakdoek langs haar oogen, de vale, beenige

hand bevend van aandoening. „Dat had Jansen eens moeten beleven!”

zuchtte zij. „Het is gelukkig! Heer, Heer!” En toen alsof een gedachte,

die zij nog niet had gesnapt, haar plots door het hoofd kwam, zich

ontwikkelend tot een duidelijk denkbeeld, ging haar matte starende blik

onverwacht over de mannen, die de oogen neersloegen, zich inwendig

schamend, zonder te weten waarvoor. Want ze hadden toch hun plicht

gedaan.

„Dat doen jullie me aan,” zei de oude vrouw. „Jullie! Ik zie je nog,

alsof het op den dag van gister was; ik zie je nog alle drie als

ondergeschikte employés bij mijn man.”

Zelfs Lugtens kon zich er niet aan onttrekken, al was hij de eenige,

die teekenen gaf van ongeduld, en die kortaf zei:

„Dat heeft hier niets mee te maken, mevrouw. Wij konden niet anders

tegenover u doen. Het kapitaal...”

„Ik zie je nog,” vervolgde zij, hem in de rede vallend, maar droomerig

en in haarzelve. „Wat waren jullie onderdanig, als je een boodschap

kwam doen of orders halen van mijn man. En nu hij dood is, doen jullie

zóó.”

Het was voor de drie „groote” mannen heel onpleizierig. Uhlstra wenkte

een lang en dik jongmensch, dat in een hoek der galerij stond te

wachten, heel netjes aangekleed, lui en fatterig, maar uit slimme

kleine oogjes rondkijkend.

„Kom tante, zouden we niet naar huis rijden. Isa zou nog komen.”

„Ja kind, laat ons maar naar huis gaan.”

Hij nam haar arm in den zijnen, groette de heeren zeer beleefd, en

leidde de oude vrouw weg naar haar rijtuig. „Goeden dag,” had ze

gezegd, en tegen mevrouw Uhlstra: „Dag Leen,” en zoo was ze aan den arm

van haar neef naar haar rijtuig gegaan, al maar het hoofd zachtjes

schuddend, mopperend bij haar zelve: „Ik zie ze nog komen! Ze waren nog

zulke kleine klerkjes. Nu blaffen ze tegen me, nu Jansen al lang dood

is.”

„Ze wordt suf,” zei Lugtens kwaadaardig toen het mooie, maar

ouderwetsche rijtuig het erf afreed.

„Hi, hi,” lachte Twissels, „dat worden we allemaal, als we maar lang

genoeg in het leven blijven.”

„Kasian!” klaagde mevrouw Uhlstra. „Het is toch wel ’n beetje hard voor

haar.”

Haar man zei niets. Doch wrijvend in zijn korten baard, keek hij het

rijtuig na, met een bezwaard gemoed.

Klaar en duidelijk stond tempo doeloe ook hem voor den geest, met den

grooten Jansen, onder wien ze allen hadden gediend, dien koning in

handel- en landbouwzaken, en het stemde hem onaangenaam, dat ze nu een

maatregel hadden moeten nemen tegen die koningin van voorheen, die

troonde op recepties zonder een versiersel en in een hoogst eenvoudig

kleedje, maar met haar slavinnen achter haar, beladen met een schat van

sieraden en edelgesteenten.

Het dikke neefje Jansen had in het rijtuig zijn spraak teruggevonden.

Hij schold dapper op „die kerels”; hij noemde het nu rondweg een

schandaal, bewerend dat tante bestolen werd, en „die kerels” mooi weêr

speelden van het geld van oom Jansen. De oude vrouw, vermoeid, hoorde

de ratelende stem van Cesar, ’n beetje hakkelend als hij er niet goed

wist uit te komen, stil aan; zij verstond of begreep er niet de helft

van bij het gedruisch der rijtuigwielen over den weg en het

onsamenhangende in het gebabbel van den jongen. Maar ze begreep wel,

dat Cesaartje, zooals zij haar lieveling noemde, van idee was, dat die

brutale vlegels, gelijk zij de beheerders van haar vermogen betitelde,

haar te kort deden. En dat geloofde zij ook. Dat iemand, een oud mensch

met zóó weinig behoeften, meer zou kunnen verteren dan een fortuin, als

door Jansen nagelaten, afwierp, was niet te gelooven, en geloofde zij

ook niet; ze hadden haar vroeger dikwijls gewaarschuwd, maar zij had

het beschouwd als kinderachtige bangmakerij en parvenuachtige zucht om

wat te zeggen te hebben; meer niet.

Isa zat al te wachten; dat zag Cesaartje dadelijk bij het den hoek

omslaan, het erf op. Het was zijn gewezen min en hij hield nog altijd

heel veel van de inlandsche vrouw, die, toen hij zijn tante uit den

wagen had gehaald, zijn hand kuste en met van vreugd stralende oogen

zag hoe lang en dik hij was. Zij had een tros bijzonder mooie pisangs

meêgebracht en eenige buitengewoon groote djeroeks.

De oude vrouw was in de marmeren voorgalerij vermoeid gaan zitten op

een palembangschen wipstoel; haar roode shawl, afgegleden van de

schouders, hing aan weerszijden over de armleuningen, een helle

vuurvlek in het lichte wit van vloer en muren.

„Het zijn prachtige djeroeks,” zei mevrouw Jansen. „Hoe kom je eraan,

Isa?”

„Van mijn broers erf.”

„Hoe maakt het je broer?” werd dadelijk belangstellend gevraagd: hij

was immers de koetsier geweest van wijlen meneer Jansen, en die was

altijd zoo over hem tevreden!

Maar nu maakte hij het heel niet goed; zijn oudste zoon kon in dienst

komen op een kantoor, maar hij moest eerst een schuld afbetalen van

driehonderd gulden aan den Chinees, die kassier was op ’tzelfde

kantoor, en hem zou helpen aan het mandoorsbaantje. Daarover zaten ze

nu erg in soesah, want als dat niet alles zóó ging, dan moest toch de

Chinees zijn geld hebben, en het boeltje van den broer van Isa zou

verkocht moeten worden. Zij praatten over het geval.

Isa had op de njonja gerekend, die was zoo rijk en zou wel hulp

verleenen aan menschen, die haar gediend hadden en wel altijd zouden

willen dienen!

Natuurlijk zou zij haar oude meid helpen! Zij dacht er niet aan het

verzoek te weigeren, de voorgewende redenen te betwijfelen. Beslist

wees zij de kraboes en de haarspelden met diamanten af, die Isa haar

wilde tot pand geven. Aan zulke dingen deed zij niet; zij was er altijd

een te groote dame voor geweest, het beleedigde haar bijna.

Mevrouw Jansen stond langzaam op, steunend op het marmeren tafelvlak en

zacht naar binnen schuivend, waar haar geldtrommeltje stond, dat al van

zóó ontzaglijk veel papier, goud en zilver de doorgangsweg was geweest.

Cesar was haar nagegaan.

„Neemt u de kraboes niet, tante?”

„Wat denk-je wel, kind?” zei ze met ’n donker gezicht, verontwaardigd.

„Het zou nu toch niet kwaad zijn,” meende hij. „Ze zijn heel mooi, en

altijd het geld wel waard.”

„Cesaartje, Cesaartje!” vermaande de oude vrouw knorrig, woelend met

haar stijve, eenigszins gekromde, handen in ’t trommeltje, onder het

dooreen frommelen van groot en klein papier, de driehonderd gulden

bijeentellend.

„Heusch tante, het is beter de kraboes te nemen. Die menschen hebben er

niks aan.”

„Ik heb er ook niets aan; ik wil er niets mee te doen hebben.”

„Het is toch wezenlijk beter, tante. Ze brengen hun goed anders toch

maar naar het pandjeshuis.”

„Het kan mij niet schelen, kind.”

„Maar dan halen ze het niet weêr terug, tante, en dan wordt het

verkocht, zonder dat ze er ooit weêr iets voor krijgen.”

„Soedah! Laat maar.”

„Het is toch jammer, tante! Ze hebben er niets aan. En.... en...”

Zij schoof langs den gladden vloer weêr naar buiten, het geld in de

hand, op den voet gevolgd door Cesar, die zeer bezorgde blikken wierp

op het bankpapier.

Isa had de kraboes en de haarspelden weêr opgeborgen; zij wist immers

toch wel, dat die maar voor een vertooning van eerlijkheid en goede

trouw harerzijds moesten dienen, en de njonja besar er nooit aan denken

zou preciosa in pand te nemen als waarborg voor geleend geld.

Cesar hield zijn tante, vóór zij nog de deur naar de voorgalerij had

bereikt, terug bij den arm.

„Geloof me tante, u moet ze nemen. Denk eens aan, u hebt zelf niet

zooveel geld meer.”

Verschrikt keek mevrouw Jansen den knaap in de kleine glinsterende

oogjes, haast verborgen achter de vleeschwalletjes zijner dikke wangen.

Daar had ze nu geen oogenblik aan gedacht. Met een diepen zucht stond

zij stil. Het was waar! Zij moest zich behelpen; zij kon niet meer

weggeven zooveel zij wilde aan de honderden vroegere slaven en

slavinnen, oude baboes en minnen, oude koetsiers en tuinlieden, met hun

kinderen en de kinderen van hun kinderen, die als een menigte

parasieten op haar geld aasden, voor het meerendeel haar erf bewoonden,

als bedienden werden gesalarieerd, zonder haast ooit iets te doen, of,

als ze buiten woonden, niet nalieten haar regelmatig geld te komen

afvragen, onder allerlei voorwendsels, zoogenoemd ter leen, met het

vaste plan het nooit terug te geven.

„Ik kan het toch niet doen,” zei de oude vrouw weêr huilend.

„Ga even zitten, tante. Ik wou u maar iets voorstellen. Dan behoeft u

je verder met niets te bemoeien.”

Onder den indruk van haar verdriet en dood-op van de soesah, liet zij

zich door den knaap gezeggen, stil zitten gaande op een lagen

europeeschen stoel, mooi van mahoniehouten fijn ornamentwerk, maar erg

ouderwetsch.

„Laat u het mij maar doen, tante. Ik zal Isa het heel goed zeggen, en

ik zal die dingen wel van haar nemen.”

Willoos gaf zij Cesar het geld. Met groote gezwindheid moffelde hij

honderd gulden in zijn zak en de tweehonderd gulden in de hand, kwam

hij met een nijdig gezicht buiten, Isa, die verwonderd opkeek, bevelend

hem te volgen naar achteren.

„Jij denkt zeker,” zei hij, „dat ik jullie zal toestaan nog langer bij

mijn tante te rampassen, hè! Dat zal niet zijn, hoor! Hier heb je voor

ditmaal tweehonderd. En nu gauw de kraboes hier en de spelden. Die

bewaar ik, en als je ’t geld terugbrengt, kan je ze van mij ook weêr

ontvangen.”

Isa wilde eerst niet. Dàt was haar bedoeling niet geweest, want bepaald

noodig had zij het geld niet. Zij wilde het enkel gebruiken om eens

lekker feest te vieren, en hoe zou zij dat kunnen als zij haar

versierselen niet had? Zij wilde tegenstribbelen, doch Cesar, die zijn

ganschen kindertijd over dit schepsel met onbeperkte tyrannie had

geregeerd, gaf haar zulk een gevoeligen stomp, dat zij stil jammerend

en zuchtend het pand tegen het geld ruilde, en zeer teleurgesteld

heenging.

In zijn kamer had Cesaartje ’n plezier van belang, terwijl hij, zonder

voor het oogenblik verder naar zijn tante om te zien, op een canapé een

cigarette ging liggen rooken. Alles wèl beschouwd zou het een lekker

leventje blijven, ook al kreeg tante niet meer dan drie duizend pop in

de maand. Op die manier zou hij er zelfs nog beter afkomen dan ooit.

Hij zou die kraboes en spelden dadelijk naar het pandjeshuis laten

brengen; betaalde Isa het geld, dan zou hij ze laten inlossen; habis

perkara! Voor zijn tante kwam het er minder op aan, en als hij dit

stelsel ’n beetje handig in praktijk bracht, kon hij heelemaal alleen

de persoon wezen die van het geld van tante profiteerde. Het denkbeeld

bekoorde hem in hooge mate. Hij stond in onderhandeling over een mooi

rijpaard; hij zou het maar koopen; dat kon best! Daar zou hij dien

namiddag werk van maken, nu had hij honger; hij zou achter eerst wat

eten, en hij at inderdaad voor twee personen rijst en vleesch, tot zijn

dik gezicht glom van benauwde oververzadigdheid. En al dien tijd zat de

oude vrouw droevig te soezen over haar toestand; nu en dan een woord

zacht mompelend, als kauwde zij het in haar haast tandenloozen mond,

Isa en het geld vergetend.

Maar zij had geen rust. Nauwelijks waren haar de muizenissen uit het

oude hoofd gegaan, zonk dat vermoeid achterover in den stoel en sliep

zij een oogenblik in, of een herhaald zangerig en klagend: Tabé, njonja

besar! kwam uit de galerij naar binnen en met de gemaakte

schroomvalligheid van den inlander, die iets te verzoeken heeft,

verscheen om het hoekje van de deur een hoofddoek, waar als het ware

langzamerhand een bejaard inlander onderuit kwam. Hij kwam pindjam

sepoeloeh roepia, of zooals hij ’t nog altijd noemde, uit den tijd van

het papieren geld: recepis. Hij had een heel verhaal opgemaakt, dat hij

met groote radheid van tong voordroeg, over een kind van een aangenomen

dochter, dat gestorven was, ergens in den kampong, en dat ze geen geld

hadden om te begraven, en nu zou de njonja besar.... Natuurlijk ging

mevrouw Jansen naar haar trommeltje. Als de menschen toch eens wisten,

dacht zij, op hoe groote lasten zij zat,—ze zouden er niet aan denken

haar zóó gemeen te beknibbelen. Zij had voor haar zelve maar weinig

noodig; een groot huis, mooie paarden en rijtuigen, welvoorziene kasten

gebatikte en zijden sarongs en een schat van juweelen. Nu, dat behoefde

niet meer gekocht te worden; dat alles bezat zij; verder gingen haar

behoeften niet; zij at het liefst rijst van de warong uit het blad, en,

behalve koffie, was schoon water haar eenige drank.

Maar al die menschen, die altijd geld noodig hadden, en die men toch

niet kon wegzenden zonder het te geven!

„Njonja besar kan het wel deze maand van mijn loon afhouden,” zei

welwillend de oude huisjongen met een strijkage en een trimakasi banjak

de vier rijksdaalders in den zak van zijn baadje latende glijden.

Mevrouw Jansen wuifde stil met de hand, alsof ze zeggen wilde: snij nu

maar uit. Ze wist waar dat afhouden van het loon op neerdraaide; ze was

alweêr vergeten, dat ze tien gulden had weggegeven!

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 18 / 83 题