Toen de Uhlstra’s van de partij naar huis reden, was hijzelf bijzonder
stil en teruggetrokken. Zoolang de meisjes erbij waren, had mevrouw
aanspraak genoeg; maar toen ze ’s avonds alleen waren in hun
slaapkamer, vroeg zij:
„Ben je niet lekker, vent?”
„Welzeker. Mij scheelt niets.”
„Je bent zoo stil. Ik dacht, dat je iets mankeerde. Heb je veel
verloren?”
Hij haalde de breede schouders op met een woest schokkende beweging van
verontwaardiging. Welk een mal vrouwenidee!
„Hoe kom je erbij!”
Zij zat op een lagen divan, de beenen kruislings onder het lijf, de
armen slap neêrhangend over de knieën, het haar, los uit het stijve
kapsel, op den rug; in haar sarong en onderlijfje net een inlandsche
vrouw tusschen twee leeftijden, maar forscher en, behoed tegen de
ellende van het mohamedaansche vrouwenleven, in haar gezondheid en
kracht geconserveerd. Hij, ook donker, maar heel anders, meer zuidelijk
europeesch, met zijn korten zwartgrijzen baard en zijn breed gedrongen
dik lichaam, een heel eigen type; een uit den gascogneschen
boerenstand,—zat tegenover haar op een stoel, tobbend met zijn
schoenen, die hij niet aan had kunnen krijgen, en die nu niet van zijn
uitgeloopen voeten wilden; mopperend over ’t gemis van ’n
laarzenknecht.
„Er is toch iets.”
„Nu ja, er is ook iets. We hebben weêr een groot plan opgezet.”
„Doen Lugtens en Twissels ook mee?”
„Natuurlijk.”
Zij was blij; zij wist dat haar man een goed planter was en een
tamelijk administrateur; maar voor zulke verder strekkende zaken achtte
zij hem alleen niet berekend.
„Natuurlijk!” ging hij voort, met een zucht een vrijgeworden bottine
wegschoppend. „Het is weêr ’n mooi dingetje. Ik zal er voor op reis
moeten naar de buitenbezittingen.”
„Met je hoevelen doe je?”
„Wij drieën; anders niemand.”
„Geber niet?”
„Dat is het juist. Ik had zoo graag gezien, dat hij er ook was
ingekomen. Als je eenmaal in zulke zaken bent met een clubje, ben je
goed af. Je gooit elkaar den bal maar toe. Geber kent Lugtens z’n
zwakke zijde: op z’n feesten moet je komen. En nu, het eerste na hun
huwelijk, ik geloof zoo half en half te hunner eer, is hij dom genoeg
om weg te blijven.”
„Maar Roos...”
„Jawel, ik heb gezegd, dat ze ziek was, doch dáár kan je hem niet mee
foppen. Hij was er nijdig om.”
„Zei hij dat?”
„Dat hoefde niet. Ik zag het. Ik wierp een appeltje op om Willem meê te
laten doen; maar hij schudde van neen, en deed net of hij een muskiet
afsloeg.”
„Dus is Geber er nu heelemaal buiten?”
„Natuurlijk.”
„Is het veel roegie?”
„Dat zal waar zijn! Het is een groote affaire, waarbij dat andere ding
maar kinderspel is.”
Mevrouw Uhlstra zuchtte ervan. Daar had-je het nu! Zoo kwam na jaren
zooveel bij dien Geber boontje nog om z’n loontje! Dat kon zoo niet
blijven; zij moest er een eind aan maken.
„Kom,” zei ze, „laat ons maar gaan slapen. Sajang, ja? Maar als er toch
niets aan te doen is,—soedah-lah!”
Zij had een besluit genomen en sliep er dadelijk op in, terwijl Uhlstra
nog voortpikerde over de nieuwe onderneming, die hem door ’t hoofd
maalde, en waarop hij nog onvoldoenden kijk had. Toen zij den volgenden
ochtend ontwaakte, sliep hij vast; zonder hem te wekken, ging zij stil
heen, baadde en trok ’n mooie kabaai aan in zenuwachtige haast; zij
wilde voorkomen dat haar man pogingen deed haar gaan naar Koeningan te
beletten; ook dat hij zelf meêging; ze was blij toen ze eenmaal in de
lichte panier zat en de mooie paarden in gestrekten draf over den
straatweg vlogen.
Te Koeningan sloeg ze in als een bom. Geber was juist terug van de
velden, hij at ’n boterham, terwijl Roos met hem aanzat, haar nassi
etend met de vingers uit een pisangblad. Rustig en gemoedelijk spraken
ze over zijn nieuwen aanplant en hoe mooi die al begon op te komen;
heel kleintjes uit den grond staken de spruitjes omhoog, maar zoo
aardig en zoo kerngezond! Zij hoorde het aan, plezierig, en aandachtig
luisterend; het was voor haar ’t bekende terrein, dáárover had ze
altijd gehoord; dáárvan had ze verstand; dàt en het paarden dresseeren,
de melkerij, het klapperolie maken, vruchten inleggen, kwee-kwee
bakken, sambal-sambal bereiden,—dàt bracht haar in vuur;
enthousiasmeerde haar.
„Eeh!” riep ze met een van de rijst vochtigen wijsvinger naar buiten
wijzend: „Daar is ma!”
Ze lieten hun tweede ontbijt in den steek; Roos, die blufte op haar
aankomende „positie,” liep haar moeder te gemoet, met wat noodeloos
vertoon in gang en houding, net of het al heel wat was; maar ze vergat
dat, toen ze het strak en boos gezicht zag en het vertoon van
vastbeslotenheid, waarmede mevrouw Uhlstra uit den wagen stapte.
„Daar heb je wat moois uitgevoerd,”—zei ze tegen haar dochter, met
groote bazigheid de trap naar de voorgalerij oploopend, Geber voorbij,
zonder hem te zien.
„Zeker omdat we gisteravond niet op die partij zijn geweest!”
Geber hielp zijn vrouw.
„Ten slotte zullen wij toch wel thuis kunnen blijven, als we niet uit
willen gaan.”
„Wel zeker! Jullie behoeft je aan niets te storen! Je denkt maar, dat
het genoeg is hier te zitten, hè! En als je naderhand een groot
huishouden hebt, dan komt het er niet op aan, of je iets meer bezit dan
enkel Koeningan.”
„Ik begrijp er niets van,” zei Roos kwaad.
„Ik ben dan blij, dat papa zoo niet heeft gedaan, en ik ook nooit te
lui ben geweest om in de wereld mee te leven.”
„Ma, praat toch asjeblieft zoo mal niet.... U weet heel goed waarom ik
niet bij tante Clara wil komen!”
„Heeft Geber.... heb jij....”
Zij kon er niet uitkomen. Dat was haar te machtig. Een man die aan zijn
vrouw zulke dingen vertelde!
„Ja, hij heeft me alles verteld, en dat is goed van hem geweest, ma;
heel goed!”
Zij schudde het hoofd, een oogenblik verslagen; doch niet lang. Als het
zóó was, zou zij er niet over tobben, al begreep ze het niet. Voor die
„zanikerij” was zij niet gekomen.
„En ben je daar zoo verschrikkelijk kwaad om, Roos? Zoo’n oude
geschiedenis, waaraan geen mensch meer denkt!”
„Dat is het juist, ma! Zij denkt er wèl aan; dat heeft ze immers bij
mijn trouwen getoond.”
„Maar als ze dat eens niet had gedaan en je hadt het toch geweten.”
„Ja, dan zou het mij weinig hebben kunnen schelen!”
Het deed Geber onaangenaam aan; zij stond in het heldere licht met haar
volle figuur, rustig en in stille vastberadenheid; zij sprak met haar
moeder en niet met hem. En al was het over hem, dat feitelijk hun
gesprek liep,—althans had zijn persoon een groot en dubbel aandeel
daarin,—het was weêr net of hij er vijfde-wiel-aan-den-wagen-achtig
buiten stond.
Het was niet de oude fout, die Roos had geïmpressionneerd; het was de
nieuwe. Niet zijn vroegere verhouding tot tante Clara hinderde
haar,—enkel haar eigen tegenwoordige.
„Zij heeft er nu spijt van,” zei haar moeder. „’t Is immers al te gek,
Roos. Was zij niet altijd lief en goed voor je? Zij wil het nog zijn,
net als vroeger.”
Een oogenblik aarzelde de jonge vrouw; heel haar indisch familiezwak
kwam, streed en overwon.
„Nu,” zei ze, „als zij wil!”
Zoo hij het land had aan den eenen kant over zijn ondergeschikte rol in
de familieaangelegenheden, aan den anderen verheugde hem de aanstaande
vredestoestand; maar hij wou ’t niet zeggen, bang dat Roos zijn
instemming verdacht zou vinden.
Na nog wat heen en weêrpraten, vroeg zij zelf hoe hij erover dacht.
„’t Is mij hetzelfde. Ik ben papier blanc. Je kunt weêr wèl met elkaar
zijn of niet, ’t kan me niks schelen.”
Zijn vrouw en zijn schoonmoeder keken hem aan, wantrouwend,
onderzoekend. Hij had te slim willen zijn. Had hij ronduit gezegd, dat
hij ervóór was of ertegen, zij zouden gerust zijn gesteld. Zijn
oppervlakkige westersche geslepenheid was voor haar kinderspel. En al
hield hij er het onnoozelste gezicht bij, zij geloofden hem toch niet.
Mevrouw Uhlstra gleed maar stil over dien twijfel heen; die mocht haar
niet afbrengen van het doel.
„Wij moeten nu zien te bewerken, dat Lugtens niet meer boos op jullie
is; die nare vent!”
„In ’t geheel niet,” vond Geber. „Laat dat maar aan mij over. Ik ben
altijd heel wèl met hem.”
Zij wilden er niet van hooren. Wat wou hij zeggen: dat hij dien
gemeenen Lugtens kende? Het leek er niet naar. Zij kenden hem en wisten
hoe hij was. Lugtens vergaf nooit iets, beweerden zij; hij was
wraakgierig; nooit zou hij, als hij ’t kon beletten, toestaan dat Geber
weêr „ergens” inkwam, tenzij hij nu goed werd bewerkt.
„Ik zal er,” zei mevrouw Uhlstra ten slotte, „met Twissels over
spreken; dat is de eenige, die invloed op hem heeft,” en in haar
doorgaande drukte, instinctmatig blij nu en dan zelfstandig handelend
te kunnen optreden, verklaarde ze dienzelfden dag nog naar Twissels te
zullen gaan.
„Waar?” vroeg Roos.
„Wel, aan zijn huis.”
„Maar, maatje!”
Geber vond het ook te gek. Iedereen wist, dat Twissels, die ongetrouwd
was, een jong indo-europeesch meisje had als „huishoudster”, en dat was
nu juist het ergste niet, maar hij ontzag zich niet de deern bij zich
te laten zitten in de voorgalerij, waar ze hem ’s middags ’n kop thee
schonk; ja, men wist zelfs, dat hij, als er ’s avonds een hombertje ten
zijnent werd gemaakt, zich niet ontzag Louisa uit te noodigen een
praatje met de heeren te komen maken; maar dan had hij ook vast een
grogje te veel gebruikt.
Men had hem vertrouwelijk gewaarschuwd. Zoo hij een onbemiddeld man of
iemand zonder invloed was geweest, zou het bij waarschuwingen niet zijn
gebleven; men had hem links laten liggen. Dat kon men een groot,
vermogend koopman, met zooveel relaties, en dien ieder op z’n beurt
eens noodig had, niet doen. En hij stelde zich vierkant boven de wet
der maatschappelijke vormen.
„Als je haar niet zien wilt, hi, hi!” zei hij, „doe je maar je oogen
dicht, hoor!”
Lugtens had hem boos en nadrukkelijk op het onzedelijke gewezen en een
soort van standje gemaakt, zooals hij het zijn employés zou gedaan
hebben op ’t kantoor of zijn vrouw thuis.
Daar was Twissels kwaad om geworden, en ’n beetje bleek; maar hij had
het niet laten merken.
„Vooreerst moest jij je,” had hij zangeriger en fijner dan ooit gezegd,
„niet met mijn zaken inlaten. Ten tweede heeft Louisa zich niet over
mij te beklagen. Zij heeft het heel goed, en kom ik te sterven, dan
krijgt zij het nog beter. Zij is tevreden met haar lot; zij heeft het
haar leven lang zoo goed niet gehad, menige getrouwde vrouw heeft het
in alle opzichten slechter.”
Lugtens had hem wel over zijn eigen ballustrade naar buiten willen
gooien, maar bij al zijn autocratische eigenschappen bezat hij tact
genoeg om ter wille van particuliere geschillen nooit de zaken uit het
oog te verliezen. Hij gleed heen over een zinspeling, die hij heel goed
begreep.
„Trouw haar dan,” zei hij.
„Merci! Ik ben, Goddank, niet gek. Zij is voor mij een perfekte
huishoudster en ondergeschikte; zij zou een onuitstaanbare vrouw des
huizes voor mij zijn. Ik ben te oud en niet dom genoeg mij door zulke
grappenmakerij te laten lijmen.”
Er was niets aan te doen. Geen argumenten, ontleend aan de openbare, de
algemeene of de bijzondere moraal, hadden op Twissels vat; en er was
niemand, die voor zichzelf het vraagstuk dier moraal als zoodanig
zwaarwichtig genoeg vond om er met een man als Twissels gebrouilleerd
over te raken.
Maar getrouwde of ongetrouwde „dames” konden toch niet het huis
frequenteeren van iemand, die zijn europeesche bijzit elken dag als het
ware in zijn voorgalerij ten toon stelde.
Een oogenblik aarzelde mevrouw Uhlstra. Neen, het was inderdaad
terlaloe; zij kon het niet doen.
„Laat maar, ma!” zei Roos. „Ik zal morgen naar tante Clara gaan, en dan
zal ik in de stad hen allemaal vragen voor een groote partij, ja! hier
op Koeningan. Er is hier nog niets geweest, en we zouden het toch
binnenkort verplicht zijn.”
„Zou het niet te vermoeiend voor je zijn,” vroeg Geber bezorgd met een
„localen” blik.
„Nu juist niet. Als we tot later wachten, komt dàt er weêr tusschen.”
Het was waar; er viel niets tegen te zeggen; dàt kwam er tusschen met
zijn ganschen nasleep! Ze waren het direct eens, nu, vroolijk en
opgewekt, zonder levenszorgen of narigheid. Ze gingen maar dadelijk met
grooten ijver aan het werk, tal van plannen makend, druk pratend over
den te bepalen dag, de toebereidselen, de schikking, de uitnoodigingen;
en mama reed in den namiddag, opgewonden van de drukte, naar huis, met
in haar réticule een lange lijst boodschappen en een reeks
onopgeschreven plannen en opdrachten in haar hoofd.