Mevrouw Markens zag, toen het rijtuig haar erf opreed, buitengewone
beweging van heen en weêr loopende inlanders. Zij had geen woord
gewisseld met haar man; zij hadden elkaar niets te zeggen.
„Wat zou dat beteekenen?” vroeg zij nu angstig, de hand reeds aan den
knop van het portier.
„Houd je bedaard, Etienne; we zullen ’t wel dadelijk hooren.”
Maar zenuwachtig en al bevend van voorloopigen schrik, had ze de deur
open vóór het rijtuig stilstond.
Markens hield haar tegen.
„Wees toch zoo onvoorzichtig niet, je zult zelf een ongeluk krijgen.”
Zij trok zich los en sprong op het pad; de grind schoof weg onder haar
balschoentjes; zij viel achterover, schoon niet heel hard, en
zijdelings op het gazon. Het maakte haar nog zenuwachtiger, en snel
opstaand, zonder haar mooie sortie, die in het gras achterbleef, liep
ze voort, Markens mopperend er achteraan, maar toch ook ongerust, over
die beweging, waar men altijd alles zoo volmaakt stil en rustig gewoon
was.
De stemmen der bedienden zwegen, en hun heen en weêr loopen hield op;
zij stonden in de achtergalerij voor de deur; binnen brandde een laag
licht.
„Eddy! Freddy!” had mevrouw Markens luid geroepen, haast struikelend
over haar eigen voetstappen, in haar zenuwachtigen angst, overtuigd,
dat den kinderen een ongeluk was overkomen.
„Hier ma!” zei een der jongens.
„Wat is er gebeurd? Is jullie iets overkomen?”
„Ja zeker, ma!” riep de oudste. „Ze hebben bij u gestolen, en nu zeggen
ze, dat wij het hebben gedaan.”
De jongens in hun broeken en baadjes zagen er gezond en goed gebouwd
uit, doch met iets ouwelijks en getrokkens in hun gezichten.
„Gestolen!” herhaalde hun moeder, verwonderd, en nu er geen lichamelijk
ongeluk was gebeurd, weêr kalm: „Bij ons gestolen?”
Als in het begin spraken de jongens beiden te gelijk, meê voortgaande
naar het boudoir van mama. Luid en schreeuwerig, brachten zij hun
ouders bij een mahoniehouten spiegelkast, die openstond, het slot
geforceerd; door elkaar vertellend, zeiden zij, dat ze een dief gehoord
hadden en om hulp en malieng-malieng hadden geschreeuwd; toen waren de
bedienden gekomen en die geloofden dat zij het hadden gedaan....
„Wat hadden gedaan?” vroeg Markens ineens.
„Het geld gestolen,” zeiden de jongens.
„Is er dan geld gestolen? Hoe weten jullie, dat er geld is weggenomen?”
De jongens stonden een oogenblik aarzelend, hakkelend bij het inslikken
van het woordenrelletje, waar ze nog niet uit waren.
„Mijn beursje is weg met dertig gulden zilver,” zei mevrouw Markens
tamelijk onverschillig. „De kinderen kunnen best weten, dat het in mijn
kast lag; ze hebben het zeker hier zien liggen, als ze in de kamer
waren.”
„Ja, het is het beursje van mama,” riepen de jongens te gelijk, „en er
zaten dertig guldens in aan rijksdaalders.”
„Ik laat dadelijk den schout roepen,” verklaarde mevrouw Markens met
verontwaardiging; „ik laat al de bedienden oppakken en in hun kamers
huiszoeking doen,” en met ’n vaart naar achter loopend, waar het
bediendenpersoneel nog stond, in een afwachtende houding, niet wetend
of het zou blijven of weggaan,—viel zij woedend uit, hen scheldend voor
dieven en inbrekers, dreigend met politie, gevangenis en dwangarbeid,
terwijl Markens achter haar stond zonder eenige overtuiging, veeleer
met twijfel en angst in zijn hart, maar een boos en ongenaakbaar
gezicht trekkend, harmonisch dreigend met de kwade woorden zijner
vrouw.
Toen zij had uitgesproken, kwam een oude huisjongen een stapje
voorwaarts, het vastbeslotene in zijn uiterlijk, dat een inlander
kenmerkt, als hij ten slotte zich heeft voorgenomen voor zijn rechten
op te komen.
„Wij hebben niets gedaan,” zei hij. „Zij niet en ik niet. Ik hield hier
zelf de wacht toen mijnheer en mevrouw uit waren. De anderen zaten voor
hun kamers; ik kon hen zien in de verte bij hun lampjes. De sinjo’s
schreeuwden, en ik ging dadelijk naar binnen; de anderen volgden. Er
was niets. De kast stond open en de sinjo’s zeiden, dat er geld uit
was. Wij weten van niets.”
Met nijdige gezichten schoten de jongens, die op hun bloote voeten
naderbij waren geslopen, achter hun ouders vandaan.
„Hij liegt het, ma. Hij was al in de kamer, en hij moet het hebben
weggenomen ook!”
Mevrouw Markens wond zich meer en meer op.
„Hoor je het?” vroeg zij haar man, die met de kin in de hand en ’n
somber gezicht voor zich keek. „Hoor je het? De kinderen hebben het
dieventuig zelf betrapt, en nog durft die kerel het ontkennen. Maar ze
zullen het weten, dat beloof ik hun. ’t Is maar gelukkig, dat de
kinderen het ontdekt hebben.”
De bejaarde inlander, die goed Hollandsch verstond, trok, nu ook
inwendig zenuwachtig, aan de randen van zijn baadje, zich bedwingend om
niet uit den goeden toon te vallen en brutaal te worden.
„Ik zou gaarne mijnheer even alleen spreken.”
„Je hebt niets alleen te spreken met mijnheer! Je kunt wel zeggen, wat
je te zeggen hebt, waar ik bij ben.”
Die „onbeschoftheid” bracht haar bijna buiten haar zelve. Zij zou
genegeerd worden en niet gerekend als nummer één in huis door zoo’n
verachtelijk voorwerp als een inlandsche bediende! En Markens, wel
voelend, dat er verschrikkelijke scènes stonden te gebeuren, als hij
den inlander z’n zin gaf, knikte op haar woorden toestemmend.
„Wat je te zeggen hebt,” zei hij tot den bediende, „moet mevrouw even
goed hooren als ik.”
De man schraapte zijn keel; het viel hem moeilijk; toch zei hij met
vaste stem:
„De sinjo’s hebben het geld weggenomen. Zij hebben het verborgen in hun
bed. Zij nemen wel iets meer weg, dat zij daar verstoppen. Ik heb het
al lang geweten, en de anderen weten het ook.”
Zij stonden allen verslagen een oogenblik. Markens had het zien
aankomen. Zijn oude inspecteursgevatheid had hem dadelijk doen opmerken
wie de schuldigen waren. Nu had hij zekerheid voor zichzelf, en bij de
groote smart, die over hem kwam, doorstroomde hem ook heelemaal het
gevoel van een onafwijsbaren plicht, die ten koste van alles moest
vervuld worden.
„Wij zullen het dadelijk gaan onderzoeken.”
Zijn vrouw had een oogenblik verslagen gestaan, met een instinctmatige
beweging als om haar jongens te beschermen, die gluiperig en nijdig,
met witte lippen, rondkeken zijlings uit met hun harde hielen trappend
naar de bedienden. Nu zij dàt hoorde, werd zij in eens zichzelf; had
zij haar hooghartigheid en trots terug, en kalm, minachtend van toon,
vroeg zij:
„Zou-je dat werkelijk doen?”
„Ongetwijfeld.”
„Zou-je mij en mijn kinderen die schandelijke beleediging durven
aandoen?”
„Het moet onderzocht worden.”
„En ik zeg je, dat het niet zal gebeuren.”
Hij haalde de schouders op, als iemand, die met een dwaze te doen heeft
en wierp een harden, strengen blik op de jongens.
„Ed, Fred, ajo, vooruit!”
Maar zij hield ze terug, bevend van het hoofd tot de voeten, en gillend
haast in haar toestand van zenuwachtige overspanning; gebiedend in haar
houding met uitgestrekten arm en wijsvinger, riep ze:
„Markens, het gebeurt niet. Ik verbied je mij die schandelijke
vernedering aan te doen tegenover mijn leugenachtige bedienden, of ik
verlaat dadelijk dit huis.”
Het waren „haar” kinderen en „haar” bedienden; de zijnen waren het,
naar haar oordeel, blijkbaar niet. Zij zei dat altijd zóó, en altijd
hinderde het hem. Nu vooral, trof hem zoo diep haar vijandige houding
tegenover hem, waar hij niets wilde doen dan zijn plicht. Altijd was
hij goed, meegaand, zachtzinnig geweest, onder den invloed van haar
steeds op den voorgrond gestelde afkomst-superioriteit, als ware die
van haar een persoonlijke verdienste, altijd had hij haar behandeld met
toegevendheid en onderscheiding en zich zoo weinig hoofd betoond van
het gezin, dat hij het metterdaad ook reeds lang niet meer was. Nu het
zóóver gekomen was, dus te laat, kon hij niet meer. Hij vergat de
gewone nette verhouding, die hij altijd, schoon gedwongen, in het oog
had gehouden bij verschil; zijn gezicht werd rood en zijn voorhoofd
zwol van toorn.
„Dan donder-je maar op! Ed, Fred, ajo, vooruit!”
En het rechterbeen uitstrekkend, gaf hij Freddy een harden schop. De
jongens waren nog het meest verschrikt. Zóó kenden ze hun vader niet;
hun harten bonsden, angstig liepen ze naar hun kamer. Even had mevrouw
Markens haar hand tegen den muur gesteund, wankelend op haar beenen, nu
ze gevoelde, dat alles verloren was, en niets haar helpen kon in de
verdediging quand même van haar kinderen,—maar ook door de herinnering.
Dat was dezelfde ruwheid van dertig jaren en langer geleden van haar
dronken vader, die haar elken dag sloeg, en van haar slechte sujetten
van broers; dezelfde verschrikkelijke toon, dien zij zoolang had
getracht te vergeten, dien zij meende nooit weêr te zullen hooren en
die nu opeens terugkwam als een opdoemend verschrikkelijk verleden in
het barsche: „Dan donder-je maar op!” van haar anders zoo goedigen,
volgzamen man!
Het duurde niet lang. Zij liep hem na; zij moest weten hoe het zou
afloopen; zij moest erbij zijn om haar kinderen te verdedigen.
Toen zij binnenkwam was de klamboe van het bed wijd open, lag de
bultzak omgeslagen. De jongens stonden erbij in grooten angst, bijtend
op de nagels hunner bevende vingers. En bij ’t schijnsel van het
nachtlampje, dat de oude bediende omhoog hield, zag zij zilvergeld
blinken in de hand van Markens en hoorde zij het rammelen op de
onderlagen. Er kwam meer uit dan het geld; half leege conserveblikjes;
voorwerpen, die zij meende verloren te hebben of die zoek waren
geraakt; snoeperijen uit den koekbakkerswinkel; een nog volle flesch
port en restantjes andere dranken,—een kleine goedang.
Wanhopig keek Markens naar de jongens; in zijn schrikkelijk verdriet
een opwelling van razende woede, een lust hen dood te slaan in één
slag.
„O God,” riep zijn vrouw, de handen samenvouwend en in theatrale
houding vlak voor hem. „Hoe schandelijk, hoe gemeen! Dat heeft dat volk
er met opzet in verborgen om mijn lieve kinderen ongelukkig te maken!”
Doch van politie, gevangenis en dwangarbeid sprak zij niet meer.
„Ik zal jullie morgen wel vinden,” was alles, wat Markens tegen de
jongens wist te zeggen, en hij wist daar op dat oogenblik zelf niet bij
wat hij den volgenden dag doen zou. Hij zei het enkel om iets te
zeggen, blij, dat het schandaal in zoover was afgeloopen; en Eddy en
Freddy waren niet minder blij, dadelijk gekheid makend en stilletjes
scheldend op hun vader en de bedienden, die ze wel „zouden krijgen;”
zonder eenig gevoel van spijt om hun gedrag, heelemaal doortrokken met
de eigenschappen van den ontaarden tak waaruit hun moeder voortkwam, en
die zich in hun geest en wezen als photographisch had overgebracht.
Het was Markens niet mogelijk geweest te slapen; hij zat in zijn
studeerkamer, beproevend na te denken, doch onder den invloed van het
oogenblik er niet toe in staat. Nu en dan rolden de tranen hem over ’t
gezicht. Wat moest daarvan worden als hij eens dood was? Hij had nu een
goed inkomen, dat hij niet onaanzienlijk wist te vermeerderen, wel
zonder rechtstreeks iemand te benadeelen, maar toch op een manier, die
het daglicht niet kon verdragen. Zij zaten met dat al in schulden, al
was hun gezin maar klein. Het had hem alles minder kunnen schelen,
wanneer hij slechts genoegen van die twee jongens had beleefd. Doch dat
was nooit gebeurd, en nu—hadden zij zich schuldig gemaakt aan diefstal,
en niet eens voor de eerste maal. Misschien zou hij, als hij er ernstig
naar streefde, paal en perk kunnen stellen aan dat alles, maar wat zou
het baten? Zijn vrouw zou wel een tegenwicht ten kwade leveren, en dan
was alle moeite toch vruchteloos; dan groeiden zijn kinderen toch, om
zoo te spreken, op voor galg en rad!