Over het bal bij Lugtens hadden Roos en Geber gekibbeld. Zij wilde nog
altijd weten, welke die oude geheimzinnige quaestie was; zij nam hem
daarover „waar” op alle tijden; zij loerde op zijn zwakste momenten; op
de oogenblikken van zijn geringst weêrstandsvermogen, en eindelijk,
terwijl zijn hoofd op haar arm rustte, en zij hem aanhaalde, hij,
liggend in een onverschillige ontspanning zijner zenuwen, vertelde hij
het, net als had het niets te beduiden, en kon het hem ten slotte ook
in ’t minst niet meer schelen. Er tintelden en flikkerden zwarte
duiveltjes onder haar lange omgekrulde wimpers! Dàt had men dus voor
haar geheim gehouden! Op zichzelf liet het haar heelemaal
onverschillig. Wat gaf ze erom, hoe Geber voor zooveel jaren een stukje
van zijn jongeluisleven had besteed. Neen, dàt was het niet; maar nu,
nu nog was zij, tante Clara, jaloersch van haar, Roos! Dus zou zij ook
in staat wezen nu nog en bij gelegenheid.... De korte, dikke, donkere
hand met de putjes op de knokken werd een aardige vuist, in stilte
mevrouw Lugtens bedreigend.
De zusters hadden er, sinds mevrouw Uhlstra ’n brief ontvangen had van
Roos, met zinspelingen, die aan duidelijkheid niet te wenschen lieten,
tot in het oneindige over gepraat, stil, met verbeten woede, zonder
eenig plan op een brouille. Het was haast haar eenig gesprek den
laatsten tijd, als ze elkaar zagen; ’t was of ze nergens anders over
konden spreken; al die jaren hadden ze er over gezwegen; deze oude koe,
zoolang in de sloot, was daar nu uitgehaald en scheen er niet weêr in
te zullen raken.
„Het zou de eerste groote partij zijn geweest na haar huwelijk.”
Het „Soedah, Leen,” had mevrouw Uhlstra niet belet voort te gaan: zij
was woedend, zooals zij ronduit bekende, nu haar eenige getrouwde
dochter ontbrak op dit schitterend feest, en niets vertoonen kon van
haar mooie toiletten en parures.
„Waarom is ze dan ook niet gekomen. Ik zou haar in elk geval niet
hebben opgegeten!”
„Omdat ze niet kon; haar eergevoel....”
„Ze is jaloersch, ja!”
„Op jou?”
’t Was een smalende vraag. Er lag alles in den toon, waarop die gedaan
werd. In de oogen van Clara gloeide het rood op; het waren allemaal
dezelfde: de oogen van mama tjang, die intusschen weêr beter was
geworden, maar niet naar de kampong was gegaan. Mevrouw Uhlstra zag het
en ’t maakte haar bang. Zij sloeg haar grooten waaier dicht, een eind
makend aan het kort nijdig gesprek, dat er achter was gevoerd, zonder
dat anderen er iets van hadden bespeurd.
Clara sprak tegen mevrouw Markens, die naast haar was komen zitten aan
den anderen kant, en haar open waaier half voor de borst, met
koninklijk opgeheven hoofd de eerbiedige hulde ontving van de aanwezige
ambtelijke personen, die ’n sportje lager stonden dan Markens, en die
door de anderen werd toegesproken met een zweempje ironie, waarvan ze
in het volle besef harer persoonlijke voornaamheid niets bemerkte.
De banale praatjes bij het „even begroeten” door de heeren hielden ook
Clara en mevrouw Uhlstra bezig: jongelieden spraken over de warmte, nog
niet wetend hoe met dames boven zekeren leeftijd een gesprek te voeren;
ouden, die dit wel geweten hadden, maar het zachtjes aan begonnen te
vergeten, meenden een compliment te maken, door de verklaring dat de
dames zich nog zoo goed hielden. Maar tegen mevrouw Uhlstra spraken
allen over de afwezigheid van Roos. Dat was nu zoo opvallend! Zij
behoorde tot alle partijen der laatste jaren, geregeld elk programma
afdansend, de „toegiftjes” incluis. Het waren de „meisjes” Uhlstra, die
altijd genoemd werden, als de vaste comparanten bij elke feestelijkheid
op de plaats. Roos, de oudste, was ontelbare malen in de
heerenconversatie getrouwd. Er was geen jongmensch geweest op de plaats
van eenige beteekenis tegen wien niet door zijne vrienden of bekenden
was gezegd, dat dit nu juist een geschikte vrouw zou zijn voor hem; en
de respectieve jongelui hadden er dan wel eens over nagedacht, bij
welke overwegingen de arme Roos vaak financieel, maatschappelijk en
persoonlijk geprüft aber nicht richtig befunden was. Althans ze kwamen
niet verder dan denkbeeldige voorstellingen, totdat, zeer reëel, Geber
haar had gevraagd en getrouwd. Nu vonden allen, dat hun onthouding
eigenlijk een domme streek was geweest.
„Hoe gaat het uw nicht, mevrouw Geber?” vroeg ook mevrouw Markens.
„Mijn nicht Roos? O, dank u, heel goed.”
„Spreek dien naam toch niet uit; ik vind hem vreeselijk.”
„Och, zoo? ’t Is, vind ik, een heel lieve naam.”
„Hoe is het mogelijk! In Holland is hij onder menschen van stand
ondenkbaar. Men vindt hem, geloof ik, nog in de kleine joodsche
wereld.”
Het rood was nog de oogen niet uit van Clara; zij voelde inwendig nog
de grootste behoefte zich te wreken over dat beleedigend „op jou?” van
Lena, en zonder zich te bedenken, schoot zij een scherpen pijl af.
„Ik weet het niet,” zei ze met het effen, ondoorgrondelijk indisch
masque en de oogen neergeslagen. „Ik ben in die buurten niet bekend.”
Mevrouw Markens werd bleek, met een aanvechting om op te staan en
dadelijk te vertrekken. Zulk een hatelijkheid durfde men zeggen tegen
haar! Dat moest ze doorstaan van zoo’n nonna! Maar zij hield zich goed,
doende alsof zij het niet had gehoord, en zich hoog oprichtend, zei ze
als over het hoofd van Clara heen tegen mevrouw Uhlstra:
„Bevalt het u nogal op den duur hier op de plaats?”
„Och ja, het is hier aangenamer voor de kinderen. Denkt u er niet aan
naar Europa te gaan?”
Het was haar cauchemar, voor zoover hier onder Europa Nederland werd
verstaan, waar gansch de gedegenereerde tak der goede familie haar
dadelijk zou bestormen als een troep hongerige en gemeene raven,
waaraan zij niet kon ontkomen; die haar niet zouden loslaten; haar weêr
terug zouden trekken uit de hoogte, die ze in het goede Indië had
bereikt, naar de laagte hunner persoonlijke ondeugden en
maatschappelijke ellenden.
„Misschien,” zei ze, zacht moduleerend en met een licht heen en weêr
bewegen van het hoofd. „Wij zouden het óók doen voor de kinderen.”
„Ja, de jongens beginnen op te schieten.”
Mevrouw Markens rilde ervan; wat was dat nu voor een afschuwelijk
woord, „opschieten”; dat kon men van zulke boeren of buitenlui
verwachten; zij praatten over de menschen alsof het planten waren.
„Ze worden groot, zeker; het is voor hun verdere vorming
allernoodzakelijkst. Dat onderwijs hier in Indië....”
Nu werd mevrouw Uhlstra, die ook nog niet bekomen was van haar gesprek
met Clara, weêr boos. En had zij bovendien niet nog een zoon, die met
heel veel succes in Indië onderwijs genoot!
„Och, ik geloof niet, dat het aan het onderwijs ligt. De een is wat
vlugger van begrip en leerzamer dan de andere.”
„Het kan wel zijn. Maar er heerscht hier in Indië zulk een
parvenu-toon....”
„Dat is heel iets anders. Daar zal het wel niet aan liggen, dat er
jongens zijn, die niet door hun examens komen.”
„Toch wel.... De gevoeligheid op dat punt van den een is grooter, dan
die van den ander.”
„Nu, ik ken jongelui, die zoo gevoelig zijn, dat ze de gemeenste
streken uithalen in den kampong, en dat de ouders door hun geld en hun
invloed alles doen moeten om de zaken te toetoepen; en die jongens zijn
op school de luiheid en de domheid zelf....”
Weêr werd mevrouw Markens zeer bleek en trilde haar onderlip. Goede
hemel, wat waren dat toch ’n gemeene menschen! Zij begreep volkomen,
waarop mevrouw Uhlstra doelde, en het ging haar als een steek door het
hart, dat zij nu hier nog voor het hoofd moest krijgen, wat haar al
zooveel tranen en verdriet had gekost. Het was de tweede beleediging,
en ook nu dacht zij met bitterheid: „zoo’n nonna!”
„Ja,” zei ze, als ging haar het aangehaalde casus niet aan, „het is
verschrikkelijk. Wij voor ons, denken er toch aan naar Europa te gaan.
De indische ontwikkeling heeft op jongelui van goede afkomst een hoogst
nadeeligen invloed. Het is mogelijk, dat een kolonie van misdadigers
zich hier perfectionneert, maar voor menschen van onzen stand is het
doodelijk.”
„Als ik mij anders herinner, hoe sommige fatsoenlijke personen hier ’n
twintig jaar of meer geleden kwamen, zooals uw man, b. v., en ik zie
hoe ze nu zijn, dan geloof ik niet, dat het bepaald misdadigers
behoeven te wezen, die hier slagen.”
„O, dàt wil ik niet zeggen. Er zijn natuurlijk heel veel
uitzonderingen. Meneer Geber b. v., hier, mijnheer Lugtens, en dan uw
man, meneer Uhlstra....”
„Pardon, Uhlstra behoefde niet te ontaarden; hij is hier geboren net
als ik; maar hij zou zeer zeker onder zijn gegaan, als hij een
ongelukkig huisgezin had gehad. Want dàt is wel het ergste wat een man
kan overkomen.”
„Ja..... dat is zoo,” stemde mevrouw Markens aarzelend en pijnlijk toe.
„Men moet sommige mannen om hun onuitputtelijk geduld bewonderen. Als
zij van fatsoenlijke lieden geen misdadigers worden, is dat zeker niet
aan hun gelukkig interieur te danken.”
Het steeg mevrouw Markens tot boven in de keel; zij moest het inslikken
met kracht, en het ging haar naar binnen als een bal.
Stijf nu, en met een buiging, alsof hij op een scharnier bewoog, boog
Markens voor de vrouw des huizes, terwijl Lugtens de oogen wijd
opensperrend, met een gewrongen vriendelijken lach, quasi deftige
hoofdzwaaitjes en ’n uitgestoken wit geganteerde hand, mevrouw Markens
vroeg om met hem het bal te openen.
Het was haar een verlichting uit den nood; zij herstelde zich dadelijk,
zich oprichtend uit de laagte, waarin zij zoo onmeêdoogend was
getrokken; de zaal overziend met trotschen blik. Wat kon haar ook het
gekakel schelen van zoo’n paar onbeduidende wezens, zoo ver beneden
haar?
Clara had ervan genoten. Wat had die Leen dat malle wijf, dat altijd
zulke airs aannam en waarvan iedereen wist, dat ze haar man ruïneerde
en haar kinderen verwaarloosde, getroefd! Al haar grieven vergat ze
dáárvoor; zij zou dadelijk voor haar zuster de partij hebben opgenomen,
ondanks dat diep grievend „op jou?” van daareven. Doch het was waarlijk
niet noodig geweest.
Maar als Lena het had afgelegd tegenover mevrouw Markens, zou zij,
ofschoon als gastvrouw verplicht een aangename stemming te bewaren,
haar zuster ’n handje geholpen hebben. Zij mochten dan samen twisten
over oude knoeierij, ze waren familie van elkaar, en dáármee was alles
gezegd. Al die vreemde mannen,—nu ja, men kon met hen trouwen, en ze
dienden, min of meer geschikt, als noodzakelijk kwaad, maar de familie
ging toch voor! Mevrouw Lugtens zou niets liever doen, dan zich met
Roos verzoenen onder tranen en kussen. Ze begreep wel, dat dit niet
gaan zou in den eersten tijd, nu Geber nog te veel meêtelde, en het
nieuwe van het huwelijk nog niet af was. Doch als er een kind was op
Koeningan—en dat er een komen zou achtte zij wiskunstig zeker—zou de
familie wel weêr haar oude aanspraken op het hart van Roos doen gelden.
Dan was het nestje klaar, het „jonkie” erin, en verder werd het laki
een meer of minder groot bezwaar, al naar zijn humeur en gewoonten.
Het bal was geopend; de oude heeren zaten aan hun partijtje. Lugtens
met Uhlstra, Markens en een generaal; Twissels hadden ze ergens anders
ingedeeld; het was ten slotte wel ’n beetje vervelend, dat hij zoo
altijd veinard bleef.
„Je schoonzoon is niet gekomen,” zei Lugtens met ’n beetje ironie en
veel ontevredenheid.
„Roos was niet wel,” schreef hij me, „en hij wou haar nu niet alleen
laten.”
„Hm! Heeft hij al afgeleverd?”
Dat laatste sloeg op de levering voor de kongsi.
„Wij zijn heelemaal klaar.”
„Goed. Ik ook. Hebt u er al iets van gehoord?” Die vraag gold Markens.
„De keurings-commissie is zeer tevreden.”
„Dat verheugt me.—U geeft, generaal!”
Het behoorde tot zijn bijzondere amusementen. Hij vond het
alleraardigst het woord „generaal” uit te spreken. Uit zijn mond en in
zijn ooren klonk het, vond hij, als een commando. ’n Mooi woord! Zij
hielden nu en dan ’n praatje tusschen twee spellen. Rechts zat een
ander viertal met Twissels erbij. Daar zag men telkens de hoofden
bijeensteken. Daar was er nu en dan een die „’n schuine ui” vertelde;
die eene, dien men kende, en van wien men zeide, dat hij een heele
verzameling zulke „uien” wist, welke hij overal, waar hij ze hoorde,
opschreef als hij op zijn ambtelijke inspectiereizen was, tusschen zijn
aanteekeningen over den dienst, en die hij, teruggekomen, nog eer
uitwerkte dan zijn officieele verslagen. Men hoorde het hooge
fluitlachje van Twissels, die aan dat tafeltje zat, er boven uit.
„Hij is weer bezig,” zei Uhlstra met z’n hoofd terzijde wijzend en een
schuinen lachenden blik in die richting; hij mocht dat wel en zou om de
beroemde „uien” heel graag hebben meêgelachen.
Maar Lugtens had er gloeiend ’t land aan.
„Ik begrijp niet,” zei hij, „hoe iemand van zijn leeftijd nog zoo
kinderachtig kan zijn.”
„Hij is nog zoo oud niet,” vergoelijkte de generaal, die ook wel eens
had willen luisteren.
„Is het waar,” vroeg Markens, „dat u met verlof gaat?”
„Weet u het al? Dat is vlug. Ja, ik denk... in ’t begin van het volgend
jaar.”
„’t Is jammer,” zei Lugtens.
Hij vond het ongehoord, dat iemand zoo’n mooie positie verliet om met
pensioen te gaan luieren, gezond nog en krachtig.
„Als ik generaal was,” vervolgde hij, „bleef ik in dienst. Ik vind dàt
het eenig mooie in het militaire.”
De generaal keek hem aan met ’n vreemd lachje, streek zijn grijzen
knevel op, kleine oogjes makend met scherp gemarkeerde trekken er om
heen.
„Ik ben liever tweede luitenant,” zei hij.
Markens knikte als een goed verstaander, begrijpend met een half woord;
den dienst kennend met zijn lief en leed; zijn leed vooral. En dan het
leven! Och, hij was ook zooveel liever ’n klein jong ambtenaartje, dat
zich moet behelpen in een achterbuurt, maar het rijke opkomende leven
in zich voelt stroomen met kracht tot overmoed; zoo’n jonge kerel met
zulke groote physieke faculteiten en vrij; vrij van banden en
verplichtingen!
Lugtens begreep dat niet. Geld en positie waren de eenige factoren, die
zijn leven beheerschten; macht en fortuin waren al wat hem ooit had
bekoord. Hij vond het van die twee mannen kwajongensachtig, dat ze nog
hunkerden naar een voorbijgegane jeugd. Minachtend schokschouderde hij
even, en zei droog en kort:
„Zullen we niet liever doorspelen?”
Wat raakte het hem, dat hij ouder werd: dat de tijd zijn tjap in z’n
gezicht drukte en het verleden glinsterend sprak tusschen de blonde
haren van zijn krullebol? Er was slechts één zaak ter wereld voor hem:
de stand, waarin men leven kon; was die goed, dan was alles goed;
slecht, dan alles slecht.
Heel vroeg brak Markens op. Zijn vrouw liet hem weten, dat zij wenschte
heen te gaan. ’t Kon hem weinig schelen, want hij verloor. Het was haar
vaste gewoonte ’t laatst te komen op partijen en het eerst weêr te
vertrekken. Het behoorde bij haar idée-fixe, dat zij uit een betere
stof was vervaardigd dan de rest. Men beschouwde dat niet als een sein
voor de anderen; nauwelijks lette men er op. Waar zij voorbijkwam aan
den arm van den gastheer, het hoofd in den nek, daar bogen de heeren en
groetten de dames heel effen. Markens, die achteraan kwam, kreeg de
vriendelijke knikjes en de handdrukken. Men mocht hem graag; hij was
zoo’n goed man!
Na een paar erge „fijntjes” werd ook het spel der drie anderen
gestaakt.
„Ik ga even ’n woord wisselen met de dames,” zei Lugtens. „Daarna zou
ik jou en Twissels wel eens willen spreken. Ga naar mijn kantoor. Ik
kom er dadelijk.”
Zij deden het; zij gehoorzaamden zonder aarzeling den bevelenden
despoot, zonder dat zij het zelf bemerkten, en zonder dat hijzelf er
ook slechts in de verte aan dacht zijn vrienden orders te geven; soms
niettemin tot hen sprekend alsof zij zijn ondergeschikten waren, louter
uit gewoonte, zonder eenige bedoeling.
„Wat zou hij hebben?” vroeg Uhlstra, achterover leunend in een groen
leeren fauteuil, zijn toenemend buikje met nagemaakte deftigheid
vooruit, terwijl de lange magere Twissels, die ’n havanna uit een
kistje op den lessenaar had genomen, ze boven het glas van de hanglamp
aanstak.
„Wie weet het? Hij is een bijzondere vent. ’t Zal wel iets van
aanbelang wezen.”
Voorbij de geopende deur, van voor naar achter, liepen de gasten; de
jongelui opgewonden van het dansen; dronken van hun eigen jeugd, van
het mooie glinsteren der meisjesoogen, de fijne geuren der bloemen en
parfums, de onmiddellijke nabijheid van onbedekte lijnen, vormen en
tinten, in het gewone leven aan het oog onttrokken; ze praatten en
lachten hardop, hun best doende om aardig en galant te zijn en zich
airs te geven van savoir vivre, met gemaakte tonen in hun stemmen en
groote overgangen van geluid, die ze anders niet hadden in hun spreken.
De jonge dames als vooruitschuivend over het marmer, met kleine pasjes,
druk zacht gesprek en snelle waaierbewegingen, koketteerend door ineens
uitschietende paarl-lachjes, kleine hoofdneiginkjes, pruimenmondjes en
onverwachte oogopslagen; hier en daar langs den muur enkele solitairs
onder de jongelieden, die hun linksheid verborgen achter
ouweheertjeshoudingen, met nijdige blikken hun best doend uit de hoogte
op dat alles neêr te zien, als was het ver beneden hen, maar dolblij en
grenzenloos dankbaar voor ’n blik of ’n groet van ’n voorbijgaande
jonge dame, diep terugbuigend twee-, driemaal.
Lugtens kwam in het kantoor met zijn driftigen harden stap, altijd
eenigszins stampend, alsof de vloer het gewicht zijner persoonlijkheid
niet genoeg kon voelen.
Hij sloot de dubbele deur achter de portière; hij wilde het geluid
wegsluiten van al die vroolijke opgewondenheid, en dier uit het koper
der instrumenten de zalen inschetterende dansmuziek; maar het ging
niet; het heele gebouw was er vol van en het drong door, dóór!
„Nou heb ik een dingetje voor ons,” zeide hij.
Hij meende het wellicht vroolijk te zeggen; een onbekende, afgaande op
het stemgeluid, kon vermoeden, dat onaangename tijdingen werden
meêgedeeld.
„Het zal wel wat goeds zijn, als jij er zoo meê ophebt.”
„Dat is het waarachtig! Ik wil het uit principe niet alleen doen. ’t
Betreft contracten in de buitenbezittingen....”
„Jawel,” zei Twissels. „Ik heb ervan gehoord. Je bedoelt die specerijen
van....”
„Stil,” viel hem Lugtens boos in de rede. „Hoe bliksem! weet jij dat nu
weêr? En je praat er zoo maar over openlijk....”
„Jullie moogt het wel hooren!”
„Men moet het nooit doen. Nu, als jullie meêdoen.... Het is ’n heel
kapitaal! Wij hebben er veel geld en veel crediet voor noodig. Ik wil
alles opkoopen wat er is langs de kust. Drie millioen dollars.”
Uhlstra werd er bleek van.
„Ik blaas mijn partij,” lachte Twissels, als iemand aan alle
transacties gewoon, en zoo fijntjes, dat ’t werkelijk was alsof hij
blies.
„Ik ook,” zei Uhlstra, maar z’n mond was droog van binnen, zoo werkte
de groote omvang van die zaak op z’n zenuwen.
Ze vingen nu aan er verder over te spreken, stil, bedaard fluisterend.
Eenmaal had Uhlstra den naam van Geber genoemd als participant, maar
Lugtens had het afgewezen met een kort gebaar en een enkel woord. De
twee anderen wisten het wel. Lugtens was boos om het kleine feit, dat
Geber niet met zijn vrouw op de partij was gekomen; dáárom mocht die
niet meêdoen. Om hen heen zweefde de klank der feestvreugde, nu als een
harmonie, dan in enkele schelle tonen, met een ruischenden ondergrond.
Dansen, drinken, schertsen; muziek en gelach! Zij stonden in het
kantoor dicht bij elkaar, de gezichten ernstig, de voorhoofden van
inspannend bij de zaak blijven en nadenken geplooid, in ruwe trekken
het plan uitwerkend, door Lugtens met ’n enkel woord aangeduid. Uhlstra
begon ’t helderder te worden; hij zag nu waarom men er hem ook had
ingehaald; zijn kennis van de bevolking, zijn gemakkelijkheid in den
omgang met inlandsche hoofden, zijn coulant spreken van het maleisch,
dat waren zijn verdiensten, meer dan het geld, dat hij vlottend moest
maken voor zijn aandeel.