NA HET OPROER.

De zenuwen der dames Uhlstra waren tot bedaren gekomen, toen tegen den

middag een man te paard een kort briefje van papa had gebracht. Nu

spraken ze met uitvoerigheid en een zeker welbehagen over den angst,

waarin ze dien ochtend gezeten hadden.

Mevrouw zelf was niet uitgepraat over de aandoeningen van den dag, die

ze in even incorrect als vloeiend hollandsch herhaaldelijk vertelde, nu

eens de handen gevouwen, dan de rechter tegen ’t hart gedrukt of de

linker tegen ’t voorhoofd, uiterst démonstratief. Geber was blij, dat

er niets gebeurd was op Tji-Ori, want hij gunde den Uhlstra’s geen

kwaad, zelfs den zoons niet, die hij niet best lijden mocht.

Voor hemzelf was het allesbehalve een afgeloopen zaak; hoe meer hij

erover nadacht, des te meer kreeg het koortsig gevoel, dat hem naar de

stad had gedreven en waarvan hij in den laatsten tijd bevrijd was, de

overhand.

„’t Is een eenvoudige geschiedenis,” zei Uhlstra toen hij ’s avonds

terugkeerde, „maar het is een beroerd geval voor jou.”

„Hoe was het met de administratie?”

„Dat was het minst erge; tusschen het verbrande boeltje vond ik een

stuk van een boek, dat nog vrij wel gespaard was gebleven, met nog een

klein boekje erbij. Ik heb ze meegebracht en in je kamer laten

neerleggen.”

„En overigens?”

Uhlstra moest het verhaal doen in geuren en kleuren; hoe het lijk

mishandeld was en hoe de overblijfselen van het uitgeplunderde en

verbrande huis daar lagen.

„Merkte je iets van het volk?” vroeg Geber.

„Wel neen, het was op Koeningan zoo rustig als in m’n achtergalerij.

Verbeeld-je dat het Bestuur hier de tijding kreeg van een algemeenen

opstand der bevolking; dat er troepen zijn heengezonden en soldaten op

het land zijn gebivakkeerd!”

Vol verontwaardiging schudde Geber daar het hoofd over. Hij wist dat

men dat gedaan had.

In den loop van den dag waren er kennissen geweest om te hooren wat er

toch bij hem gebeurd was; meteen had hij toen vernomen, dat er soldaten

naar z’n land waren gezonden. Onder den indruk van dat feit, eenig in

de geschiedenis, zwegen allen; ze begrepen, zelfs de meisjes, wat dat

beteekende.

Een moord op een opziener, niet eens een Europeaan; een rampas-partij,

enfin, een opstootje tijdens de afwezigheid van den landheer, had ten

slotte maar weinig om het lijf; dáárdoor werd de reputatie van een land

niet erg geschaad; dáárbij bleef de waarde ervan haast intact.

Maar het groote gerucht van oproer onder de bevolking en het uitzenden

van troepen door het Gouvernement,—dàt was een nekslag voor den

eigenaar, die jaren noodig had om daarvan te herstellen.

„’t Is schande,” zei Roos het eerst. „’t Is net of ze het met opzet

hebben gedaan.”

Verrast en vol instemming keek Geber haar aan; dat idee was bij hem ook

opgekomen. Hij had nogal eens minder aangename quaesties gehad met het

Bestuur en miste, bij verschil van meening, den tact van den schijnbaar

veel ruweren Uhlstra, die er zich op beroemen kon, dat hij van alle

elkaar opvolgende ambtenaren kon gedaan krijgen wat hij verlangde. Ze

hadden allen de stille overtuiging, dat Roos het bij het rechte eind

had, maar niemand sprak er verder over. Zwijgend knikten ze elkander

toe, tot mevrouw Uhlstra de eerste was die opstond met een lang

gerekten zucht, zachtjes zei dat het „vreeselijk en vreeselijk” was, en

daarop naar haar kamer ging om zich te kleeden.

Men had daar nog maar juist den tijd voor. De groote voorgalerij was in

den vooravond vol bezoekers, als hield men een openbare receptie.

Iedereen kwam, door nieuwsgierigheid gedreven.

Men had de troepen zien oprukken; men had iets gehoord van moord en

oproer op het land van Geber, en bij de Uhlstra’s kon men zonder

twijfel het naadje van de kous te weten komen.

Geber had den hoofdambtenaar Markens, die hem ook een

„condoléance-bezoek” bracht, met wien hij zeer wel was en dikwijls een

partijtje maakte, ter zijde genomen en zich bitter beklaagd. En de

regeeringspersoon, oud-besturend ambtenaar, anti-militair, had hem

volkomen gelijk gegeven, met de belofte, z’n best te zullen doen om de

soldaten zoo spoedig mogelijk terug te laten roepen en voor een zoo

gunstig mogelijk verslag te zorgen in het officieele Nieuwsblad. Geber,

die om dit laatste dringend verzocht had, gaf daarbij hoog op van de

humane behandeling, die het volk op zijn land genoot, van de bijzondere

mildheid in het toepassen van zijn rechten en in het voldoening eischen

van zijn verplichtingen.

Maar toen hij in den na-avond lang gekeken had in het groote boek van

Koeningan en daarna in het kleine boek van Jozef; toen hij met veel

moeite het particuliere gedeelte dezer boekhouding had ontcijferd, en

het verband snapte tusschen de kleine administratie en de groote, kwam

een gevoel van diepe moedeloosheid over hem.

Hij zag nu in, dat het alles zijn eigen schuld was; dat zekere

zorgeloosheid en een koppig vertrouwen in onbetrouwbare menschen de

oorzaak waren van zijn halven ondergang. Terwijl hij, bij al zijn

eigenaardigheden, zijn leven lang er naar gestreefd had eerlijk en

fatsoenlijk te zijn, was er nu maandenlang in zijn naam en op zijn

volmacht allerschandelijkst gestolen en geknoeid. Mistroostig zocht hij

Uhlstra op en vertelde het hem, zich daarbij opwindend tot een

ongewonen graad van woede, vloekend nu en dan, en met z’n vuist op de

tafel slaande, maar toch zonder een scheldwoord aan de nagedachtenis

van den vermoorde en, ondanks alles wat was voorgevallen, slechts dit

eene op den voorgrond stellend: „Het is mijn eigen vervloekte schuld.”

En nu hoorde hij van Uhlstra het overige; vernam hij dat de

vrouwen-perkara’s eigenlijk de oorzaak waren van den moord en de rest.

Het was, toen hij alles wist, haarfijn in geuren en kleuren, of alle

hoop hem ontzonk.

„’t Is zoo goed als een ruïne,” zuchtte hij.

„Dat zal waarachtig wel waar zijn; we hoeven elkaar niets wijs te

maken. Koeningan is op het moment zoo goed als onverkoopbaar. Gisteren

sprak je van een half millioen en daar heb ik waarachtig ernstig over

gedacht; op het moment, nu die heele perkara zoo is geloopen, zou ik er

niet graag een ton in willen steken. Maar wees een man, ga terug,

bemoei je met niets, en werk rustig voort tot, na een jaar of wat, de

heele rataplan in het vergeetboek is geraakt.”

De raad was goed; ’t was eigenlijk de eenige die kon gegeven worden;

Geber was daarvan ten volle overtuigd, en niettemin schudde hij het

hoofd met een vies gezicht, als werd hem iets walgelijks aangeboden.

„Ik kan er niet toe besluiten.—Als ik denk dat ik nu weêr voor een jaar

of vier, vijf in m’n eentje op Koeningan moet gaan zitten, dan maak ik

er bij God liever met een pil nummer elf een eind aan.”

Hij kon er den geheelen nacht niet van slapen. Telkens als hij in z’n

kamer heen en weer had geloopen, onrustig, zenuwachtig, zonk hij neer

in een stoel, en als hij dan de oogen sloot, trachtend in te sluimeren,

zag hij duidelijk de onverstoorbare figuur van Uhlstra tegenover hem

zitten, en hoorde hij weêr de verschrikkelijke woorden: „Vandaag zou ik

er niet graag een ton in willen steken.” Geen ton in dat mooie,

vruchtbare en goed bevolkte land van meer dan vijf duizend bouws,

heelemaal onbezwaard; geen ton!!

Dan dacht hij aan de som, waarvoor hij het zelf gekocht had, twintig

jaar geleden; aan zijn eentonig en afgezonderd leven als verbannen uit

de wereld, verstoken van zooveel dat de groote, beschaafde, europeesche

maatschappij opleverde. Dat alles was voor hem verloren gegaan, die

lange reeks zijner schoonste levensjaren, en nu hij op het punt stond

het door arbeid vrij geworden, dus verworven landgoed te gelde te

maken....

Met tranen in de oogen, tranen van medelijden met zichzelf en zijne

omstandigheden, stond Geber weêr op, helderder wakker dan hij was gaan

zitten; gejaagder en zenuwachtiger dan te voren. Toen het vijf uur

sloeg op de groote ouderwetsche hangklok in de achtergalerij, met

langzamen, zwaren slag als van een doodsklok, ging hij buiten zitten,

naar afleiding zoekend in het schemeren van den dageraad en het stil

gescharrel op het erf van de bedienden, die aan den waterput baadden,

hun koffie dronken en hun rijst aten, vóór de ontwaakte familie allen

in dienstbeweging stelde.

Van de Uhlstra’s verscheen Roos het eerst. Om naar de badkamer te gaan

moest ze Geber passeeren, en verwonderd vroeg ze, toen ze hem daar

zitten zag:

„Soh, al op?”

„’k Heb den heelen nacht niet geslapen,” zuchtte hij erbarmelijk, en ’t

meisje, dat dit volkomen begrijpen kon, zuchtte met hem mee.

„Verschrikkelijk, ja?” gaf ze meêlijdend toe. „Veel soesah vóór alles

voorbij is, en zooveel schade, zooveel schade!”

Nu het eerste verdriet bij Geber dien nacht had uitgewerkt, en hij ten

slotte tegen een menschelijk wezen had kunnen klagen, kwam weêr de oude

natuur bij hem boven, en verscheen, voor het eerst sedert een etmaal,

op z’n gezicht de spottende trek, die daarop anders stereotiep was. Hij

stond op en zei, leunend met de hand tegen een pilaar, het eene been

over het andere slaande:

„Ja, Roos, ik ben nu eigenlijk een arm man. Wat je vader zei, is waar:

als ik Koeningan op het oogenblik of zelfs in den eersten tijd wou

verkoopen, zou het land geen ton opbrengen. Plezierig, ja?”

„Kasian,” zei ze van harte, want zij, die van kindsbeen over de prijzen

der groote landerijen steeds had hooren spreken met heele of halve

millioenen, doch overigens van zulke kapitalen slechts een heel vaag

begrip had, vond een ton al bitter weinig, in hoofdzaak omdat haar

vader en Geber zelf over dat bedrag met minachting spraken. „Kasian,”

herhaalde ze. „Maar weet je wat, jij gaat naar Koeningan terug en werkt

weêr teroes een jaar of wat.”

„Dat zei je vader ook, Roos, maar het is niet alles voor me, zoo

moederziel alleen.”

Het verwonderde Geber, dat zij ineens doorging naar de badkamer. Zij en

haar moeder hadden hem in den laatsten tijd voortdurend zoogenaamd

zitten plagen met zijn oldbachelorschap, en eigenlijk had hij nu

verwacht, dat ze hem zou aanraden te trouwen. Zoo’n antwoord zou hij

heel natuurlijk hebben gevonden.

Hij ging met zijn rug tegen den paal leunen, de armen gekruist, vlugger

en beslister denkend en combineerend dan anders zijn gewoonte was.

Werktuigelijk riep hij: „Ja!” toen mevrouw Uhlstra, die intusschen

opgestaan en in het halfduister der achtergalerij was, in een roode

overkabaja met zwart fluweelen omslagen, hem toeriep, dat zijn kop

koffie stond te wachten. Maar hij kwam zoo spoedig niet. Het voor en

tegen stond hem duidelijk voor den geest.

„Je koffie wordt koud!” riep nogmaals de vrouw des huizes en weêr

antwoordde hij: „Ik kom,” maar hij verroerde geen vin.

Wel zeker, het was de beste oplossing; in alle opzichten de beste, en

toen Roos uit de badkamer terugkwam, keerde hij zich om, terwijl ze hem

voorbijging, hield haar vast bij den arm en met een poging om grappig

te zijn, al lachend:

„Zeg Roos, wil jij m’n administrateur worden?”

„Loop rond,” riep ze, ook lachend, den dikken arm lostrekkend uit zijn

magere hand en met een sprongetje de trapjes opwippend naar boven.

Geber hield in z’n hand nog ’n oogenblik een gevoel, dat nu juist geen

dichterlijke aandoening bij hem opwekte; een koud gevoel, net of hij

een visch in de hand had gehouden; doch daar lette hij maar weinig op,

geheel bezig met het groote besluit, dat hij daareven eigenlijk heel

onverwacht genomen had.

Moeilijk werd het hem niet gemaakt. Roos, die heel goed begreep, dat er

meer stak achter het plan om haar tot administrateur te benoemen, had

dadelijk aan haar moeder verteld „dat hij beet.” ’t Viel in het oog

dien ochtend, dat Geber zich gekleed had, zorgvuldiger dan anders z’n

gewoonte was; dat hij zich netjes had geschoren en z’n knevels had

opgekruld; dat hij heel bijzonder naar Roos keek, die deed of ze het

niet merkte, en dat hij het nu was, die telkens sprak over trouwen,

terwijl de dames het onderwerp zorgvuldig vermeden.

Toen Uhlstra na het ontbijt z’n brieven was gaan schrijven, zat Geber

op een gegeven moment alleen achter met Roos; den jeune premier te

spelen ging boven z’n krachten; hij vond dat, bij hun verhouding en

tegenover zijn omstandigheden, ook bespottelijk.

Familiaar ging hij naast haar zitten, terwijl ze ijverig borduurde, nam

haar hand en vroeg doodeenvoudig of ze met hem wou trouwen en meê wou

gaan naar Koeningan.

Zij ademde wel een oogenblik een beetje dieper dan gewoonlijk, wat men

duidelijk zien kon aan de beweging harer zeer ontwikkelde buste, maar

ze antwoordde even eenvoudig en leuk als hij gevraagd had, dat zij erin

toestemde en hij maar spreken moest met haar vader. Hij vond het zeer

natuurlijk, dat hij haar toen een zoen gaf, maar keek ervan op dat hij

er een terugkreeg, niet alleen zonder blooheid, maar ’n zoo goed

europeesche als hij zich slechts herinnerde ééns gehad te hebben, in de

twintig jaren, geheel doorgebracht in het binnenland, waar hij zich

voornamelijk had bepaald tot een inlandsche menagère, die hij

vermeende, buiten den striktsten en meest onvermijdelijken dienst, op

een afstand te moeten houden, zonder liefkoozingen of familiariteiten.

Geber kon niet anders zeggen, of het viel hem erg mee, nu eenmaal de

kogel zoover door de kerk was; doch wat hem tegenviel was het gezicht

van z’n ouden sobat, die van den prins geen kwaad wist en niets

vermoedde toen Geber bij hem kwam met het aanzoek.

Uhlstra zag er van weerskanten een speculatie in, en schoon zelf

uiterst practisch, had hij in zulke aangelegenheden daar een hekel aan.

Hij trok den breeden mond zeer onvriendelijk samen, keek voor zich op

zijn lessenaar, zei kortaf dat het hem hoogst eigenaardig verraste,

maar dat hij niet dadelijk kon besluiten en Geber binnen vierentwintig

uren een beslist antwoord zou geven.

Toen Geber, tamelijk afgebluft, terugging naar z’n kamer, liep Uhlstra

betoel boos naar zijn vrouw om haar rekenschap te vragen. Zij was daar

in het geheel niet bang voor en Roos, die geroepen werd en tot haar

verbazing zag dat papa het niet zoo dadelijk goedkeurde, steunde haar

moeder krachtig. Eigenlijk was er tegen het huwelijk ook niets te

zeggen, dan dat Geber twintig jaar ouder was dan zijn aanstaande, en of

dit een voordeel was of een nadeel, behoorde tot de onuitgemaakte zaken

en zou dat wel altijd blijven, zoolang de opinies er zoo over

uiteenliepen.

Bij Uhlstra week het aanvankelijk op den voorgrond gedrongen gevoel al

pratend terug, terwijl verstand en berekening zich sterker deden

gelden; ten slotte moest hij erkennen, wat dien ochtend vroeg Geber van

den anderen kant had bepikerd: dat het nog de beste oplossing was. Het

eenige wat hem nu verwonderde, was, dat hij dit niet dadelijk had

ingezien. Zonder verwijl zocht hij Geber op en gaf hem lachend een

harden stomp op z’n schouder.

„Ik zal er maar geen vierentwintig uur overheen laten gaan,” riep hij

met z’n luide stem. „Trouw voor mijn part met Roos, en ik mag lijden

dat het jullie goed gaat.”

„Waarom zou het niet gaan? Wij hebben het immers samen ook altijd

uitstekend kunnen vinden in en buiten zaken.”

„Dat is waar,” stemde Uhlstra toe, en knippend met zijn slimme, scherpe

oogen, voegde hij er bij: „Twee joden weten wat een bril kost.”

Het was een goede zaak, meende men algemeen, voor beide partijen,

Koeningan redresseerde zich ineens door dit huwelijk. ’t Had anders

heel wat sensatie op de plaats teweeggebracht, dat bericht van den

moord! Iedereen sprak de eerste dagen van de „opstandelingen”; het

sluitwerk aan deuren en vensters werd overal beter voorzien en er

ontstond een levendige vraag naar het artikel revolvers. Maar de

„burgerlijke en militaire autoriteiten”, die met de soldaten op het

land kwamen, vonden op het „tooneel van den opstand” tot hun groote

verwondering alles in de meest volkomen rust.

Intusschen kon men, eenmaal den sterken arm erbij gehaald hebbend, er

moeilijk toe overgaan de soldaten onverwijld terug te zenden, al

begreep iedereen hoe overbodig ze daar waren. Het gerechtelijk

onderzoek had de arrestatie van een half dozijn opgezetenen ten

gevolge; Uhlstra en zijn zoon hadden echter voor de nagedachtenis van

den vermoorde zoo verpletterende mededeelingen gedaan, en er kwam

bovendien nog zooveel misdadigs ten laste van nu wijlen Jozef aan ’t

licht, dat zich al heel spoedig een meening en een overtuiging vormden,

gunstig voor de van schuld verdachten.

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 7 / 83 题