De rijstoogst op Koeningan was al binnen, en bij het dalend licht van
den ondergaanden dag zagen de nu dorre en stoppelige velden, zich ver
uitstrekkend naar alle zijden, er somber en eentonig uit. Slechts van
den kant der groote weiden, waar een mooie kudde bengaalsche koeien
haar avondmaal deed in ’t welig gras, was het een frisch en levendig
gezicht: het lichtvale der opkomende schemering, gebroken door de
roodbonte en zwart-wit gevlekte robes van het zacht bewegend vee, tegen
den groenen achtergrond van hellend boschterrein.
Op een der smalle wegjes, die het land doorkruisten, wandelde Geber’s
factotum, de hoofdmandoor, Jozef, een dikken koffiestok over de
schouders, de beide handen over de einden bengelend, rustig zijn
strootje rookend. Hij had het vèr gebracht. Wie hij eigenlijk was en
waar hij vandaan kwam, toen hij voor jaren in dienst van Geber trad,
kon niemand zeggen. Zijn europeesche voornaam, die hem tevens tot
geslachtsnaam diende, mocht doen denken aan een christen, maar daarvan
was nooit iets gebleken.
Zijn kloeke, vierkante gestalte, zijn vrije houding, zijn knappe kop
met gitzwarte knevel en kort geknipt baardje boven langs de ooren,
wezen wel uit dat hij geen maleier of javaan was, zelfs niet iemand van
inlandsche herkomst, maar meer ook niet; hij kon even goed afkomstig
zijn uit Arabië als uit Bengalen.
Nu Geber er niet was, berustte het beheer van het land geheel in zijn
handen en hij gaf daarbij, althans op het papier, blijk van een
administratieve geschiktheid, die voor zulk een man, wat werken betrof
in alle opzichten een self-made-man, zeer bijzonder was.
Ja, hij had het ver gebracht; niemand was meer overtuigd van zijn
verdiensten dan hij zelf. Nu en dan stond hij eens stil en liet zijn
groote blinkende, zwarte oogen over den omtrek gaan met het air van een
heer en meester.
Hij zou het nog wel verder brengen, dacht hij; om daartoe te komen, was
hij naar zijn oordeel op den goeden weg.
Reeds toen Geber nog zelf het land bestuurde, en hij metterdaad niet
veel meer was dan mandoor, had hij zich bijverdiensten weten te
bezorgen. Nooit ten nadeele van den heer Geber, dáár zou hij zich niet
aan gewaagd hebben; die kreeg altijd wat hem toekwam; maar ten koste
der bevolking, die hem vreesde, meer dan den eigenaar van het land. Nu
hij in de laatste maanden haast onbeperkte vrijheid van handelen had
gehad, was zijn spaarpot buitengewoon zwaar geworden.
Hij had op zijn wijze de duimschroeven eens aangezet, met de diepste
minachting voor de inlandsche bevolking en haar wel en wee; zonder zich
in het minst te bekommeren om de milde wijze, waarop Geber steeds
tegenover den kleinen man liet handelen, of om hetgeen, in dat opzicht,
bij de wet was bepaald. Hij hield er huis onder op zijn manier, nu
inderdaad het „hek van den dam” was, en in zijn hevigen lust zooveel
geld bijeen te brengen tot hij zelf een landje kon koopen, en toewan
tanah worden, deinsde hij voor niets terug.
Geber en de Uhlstra’s minachtte hij in stilte om hun gemoedelijkheid
tegenover het volk, en hun goedheid en royaliteit, die hen lang niet
zooveel deden heffen, als waarop zij het striktste recht hadden, ja,
die hen tot de dwaasheid brachten belangstelling te toonen voor dat
leugenachtig en kruipend slavenvolk, dat ze met geld en vee bijsprongen
en zelfs gratis dokterden, als er ziekte heerschte.
Zoo het volk van Koeningan Jozef haatte als de pest, omdat hij het
afzette en onbeschaamd bestal op zijn producten, op zijn arbeid en op
zijn geld,—dat alles was nog het ergste niet. Het volk was al zooveel
eeuwen lang door parasieten, inlandsche of anderen, geperst en
geknepen, dat wat meer of minder wel een groot verschil maakte, maar
ieder toch zijn lot in stilte droeg. En waren er soms, die mopperden en
tegenstribbelden, dan maakte al heel gauw de dikke stok van Jozef
kennis met hun schouderbladen, en voelden ze nog dagen lang, dat het
maar beter was te zwijgen.
Eén ding echter verdroegen ze niet, en dat ééne had hun haat opgevoerd
tot wraakzucht. Sedert Jozef naar willekeur op het land den baas
speelde, vierde hij zijn lusten den teugel. Vroeger kneep hij wel de
kat in het donker en haalde stukjes uit, die minder te pas kwamen, maar
hij deed dat, uit vrees voor Geber, met groote omzichtigheid en in alle
stilte. Tegenwoordig kon hij in de kampongs en op ’t veld letterlijk
geen vrouw met rust laten.
Openlijk permitteerde hij zich allerlei vrijheden en valsche
handgrepen, en om ze naar zijn wil te krijgen beproefde hij van alles,
list en geweld.
Door die middelen kreeg hij haast altijd gedaan wat hij verlangde; zijn
gunstig uiterlijk van mooien oosterling deed het overige. Dàt was zijn
onvergeeflijke misdaad in de oogen van veel jonge mannen onder ’t volk,
die er achterkwamen door welke handen hun vrouwen gepasseerd waren; van
vaders, die hun aankomende dochtertjes thuis kregen op erbarmlijke
manier.
Het broeide en broeide al weken achtereen. Stilletjes kwamen ze ’s
avonds hier of daar ver van het landhuis bij elkaar, quasi om een
strootje te rooken en een praatje te houden, feitelijk om elkaar op te
hitsen tegen den bruinen geweldenaar, die niets ontzag. En Jozef, die
anders zoo goed wist, wat er gebeurde op ’t land, was dáármee geheel
onbekend gebleven. Zijn ijdelheid, als over ’t paard getilde knecht, en
zijn diepe minachting voor ’t „slavenvolk” maakten het hem onmogelijk
zich zoo iets voor te stellen; zoo iets als verzet tegen hem.
Hij wandelde terug naar huis, terwijl hij zag, dat de koehoeders het
vee uit de weide terugdreven naar de kralen; en toen de duisternis
geheel was gevallen, alles in orde was gerapporteerd door den inlander,
die onder hem als djoeragan diende, sloot hij het voorgedeelte zijner
woning, een afzonderlijk houten gebouwtje, half overdekt met
klimplanten, waartusschen groote trossen bruidstranen hingen, zoo
schilderachtig en lief, dat het overdag in ’t zonlicht een landelijke
idylle was.
Daarbinnen, bij zijn nu brandende koperen lamp, heel ouderwetsch van
vorm, afkomstig nog van landheeren uit tempo doeloe, ging Jozef rustig
aan z’n administratie, aandachtig, voor elke letter die hij schreef,
elk cijfer dat hij zette: eerst de boeken van z’n baas, daarna het
bescheiden notitieboekje van hemzelf. Toen hij ermee klaar was en de
trommel zou krijgen uit een kleine brandkast, om het geld te tellen,
zond hij zijn jongen weg naar de kampong en sloot z’n huis ook achter;
niet uit vrees, maar uit wantrouwen.
Nauwkeurig telde hij alles met welgevallen na en sorteerde het geld in
de vakjes van de trommel met zorg en liefde, tot hij het, na lange
aanschouwing en stille berekening, weêr wegsloot, zijn eenvoudig maal
deed met wat rijst en visch, doorgespoeld met een glas water; zijn lamp
uitblies en zóó als hij was, zich met welbehagen uitstrekte in zijn
niet zeer frisch en niet zeer zuiver ledikant.
’t Was donkere maan. De wachter tusschen het huis van den landheer en
de woning van Jozef sloeg ten naasten bij op tijd met de groote bel
onder de loods het geheele en halve uur.
Juist stapte hij, huiverend van de koude nachtlucht, schurkend onder de
over z’n naakte schouders geslagen sarong, van de baleh-baleh, waarop
hij had zitten soezen, naar den paal waar de bel hing aan een
dwarshout,—toen hij ineens lang uit op den grond lag, in een ommezien
gekneveld en gebonden, zonder dat hij iets gezien had of iets anders
gehoord dan den doffen val van z’n eigen lichaam; maar voelen deed hij
het des te beter. Het was een bejaard man. Men had hem overal buiten
gelaten; hij wist rechtstreeks van niets en bemoeide zich met niets;
maar niettemin begreep hij nu volkomen wat op het land zou gebeuren.
Angstig, met wijd geopende oogen, keek hij in den donkeren nacht; hij
zag schimmen flauw in het zwart der duisternis heen en weer bewegen;
hij hoorde het zachte treden van de bloote voeten over den grond en het
schuifelen van voortgaande lichamen tegen elkaar; en hoe weinig
aanwijzing dit ook gaf, toch kon hij wel gissen wie het waren en
vanwaar ze kwamen. In een dichte groep schoven ze nu, bijna niet
hoorbaar, verder tot voor de woning van Jozef.
Minuten en minuten was toen alles doodstil, met de gewone geluiden van
den nacht, het kwaken der kikvorschen in de poelen, het geroep van den
nachtuil in het hoog geboomte en het suizend gefluister der krekels in
het groen.
In eens sprong Jozef uit z’n bed en tegen een stoel aan, die met een
harden slag omviel tegen den houten vloer; opgeschrikt, half slapend
nog en in ’t minst zich geen rekenschap kunnende geven van wat er
gebeurde en wat het doffe bonzen beduidde, dat zijn heele woning deed
trillen. Maar ook ineens wist hij het, en begreep of kon zich ten
minste voorstellen, wat de juiste toedracht was, en dat de zware
djati-houten deur, door twee grendels en een palang pintoe van binnen
gesloten, met een boomstam van buiten werd gerammeid. Voor het dreigend
doodsgevaar, waarvan hij nu het volle gevoel had, stond Jozef in beraad
wat te doen, zijn geladen jachtgeweer, dat hij op den tast van den muur
gegrepen had, in de hand.
Met een opwelling van woede en drift wilde hij de voordeur openen en er
direct op los schieten; maar glurend door de reten van het vensterluik,
zag hij het buiten stikdonker, zonder geluid van stemmen, die eenige
aanwijzing gaven; en, die duisternis, onzekerheid en stilte deden zijn
toorn weer vallen; angst ervoor in de plaats treden. Hij had lucifers
bij de hand, maar durfde geen licht maken, en onder de dof dreunende,
regelmatige slagen van den boomstam kraakte en knarste de deur op haar
hengsels, op ’t punt te bezwijken. Toen wendde hij zich naar den
anderen kant, voelde en greep de palang pintoe van de achterdeur,
schoof die zacht weg en de grendels terug, rukte haar met forschen
greep ineens wijd open en deed een grooten sprong naar buiten, den
vinger aan den trekker van zijn geweer.
Het schot ging af, loos in de lucht, en als een gedolde os sloeg Jozef
neêr, zonder een kreet, haast zonder eenig geluid. Een wild geschreeuw
en geroep, schor en woest, van dozijnen stemmen klonk brullend, als van
wilde dieren, over het veld en langs de boomen omhoog.
De doffe slagen van den boomstam hielden op; de een na de ander
ontbrandden de obors in de handen van halfnaakte inlanders met zwart en
wit bestreepte onherkenbaar gemaakte gezichten. Zij kwamen allen om het
lichaam van Jozef staan, een oogenblik stil. Hij lag plat op den rug
tusschen de struiken op het achtererf en uit zijn baadje stak, breed
omzoomd door een grooter wordende bloedvlek, het lichtbruin, in het
geschemer der toortsen fraai blinkend gevest van een kris, midden door
het hart gestoken.
De een, die het gedaan had, wees er op, triomfantelijk, met z’n
wijsvinger, dansend van plezier; maar de anderen waren teleurgesteld in
hun wraak. Ze hadden ieder hun aandeel willen hebben in zijn dood; elk
hunner had zijn stil idee gehad over een toe te brengen slag of stoot.
Nu was hij dadelijk gestorven aan den meesterlijken krissteek, in de
duisternis toegebracht met de zekerheid en de vastheid van hand van den
toréador, die zijn degen plant tusschen de horens van den stier en hem
doet knielen. De eens opgekomen moordlust van onderdrukten en
lafhartigen nam daarmee geen genoegen. Ze staken met hun lansen, ze
hakten met hun ariets en parangs waar ze het doode lichaam slechts
konden raken; ze sneden er stukken en ledematen af op de gruwelijkste
manier, wel een half uur achtereen, tot ze er zelf bosèn van waren en
het vormlooze lijk als ’t ware over den pagger jonasten, naar buiten.
Het omwonende volk en het dienstpersoneel van het landhuis, door het
rumoer en het aanslaan der honden ontwaakt, was eerst naar buiten
geloopen, loerend in de duisternis, maar toen ze zagen, of althans
begrepen, wat er voorviel, en dat er geketjoed werd, had ieder zich zoo
gauw mogelijk teruggetrokken, z’n huisje gesloten en dat, bevend van
angst en zoo goed en zoo kwaad het ging, van binnen gebarricadeerd.
In de woning van Jozef was het nu een plunderen en rampassen, uren
lang. Met de grootste moeite en ten koste van veel wapenen, werd de
kleine brandkast geforceerd, want de sleutel, dien Jozef altijd op een
bepaalde plaats verborg, was niet te vinden.
De trommel werd opengebroken; van het geld greep ieder in de ruwte wat
hij machtig kon worden; onder luid en verward geschreeuw en als
krankzinnigen sprongen ze rond, alles stukslaande met de grootste
woede, tot er niets meer was om te vernielen.
Een hooge vlam, het geboomte der omgeving van onder verlichtend met
heldere rozeroode tinten, en mooi goudrood in de toppen, steeg toen op
uit een dikke rookwolk, die snel omhoog trok als een grijze zuil; de
obors waren gedoofd, de daders van het gruwelstuk links en rechts over
de donkere, smalle wegen en in de velden verdwenen, en alsof het
afgesproken werk was, had toen een der bedienden van het landhuis in
eens den moed naar buiten te komen om het brandsignaal op de tongtong
luid en akelig te doen weergalmen door de lucht.
Was het homberpartijtje bij Uhlstra laat begonnen,—het duurde daarom
niet minder lang, en Twissels had zijn eigenaardig woord gehouden of
het een evangelie was.
Hij speelde groote spellen van allerlei soort, maar of het „ossen”
waren dan wel „snippertjes”,—hij haalde ze erdoor, het eene zoo goed
als het andere. Toen het drie uur sloeg in den nacht, meende Geber, een
beetje uit zijn humeur over zijn aanhoudende déveine, dat men wel den
laatsten sans prendre bepalen kon.
Twissels wou er drie in plaats van één, maar zijn partners hadden er
geen zin in en stemden als naar gewoonte enkel toe, dat een verloren
spel niet meetellen zou.
Geber annonceerde het eerst „een kleintje” dat hij codille verloor.
„Heb je nu ooit zoo’n weerlichtschen Pech gezien?” riep hij kwaad met
z’n vuist op de speeltafel slaande. „Dat’s nou de tweede keer in een
half uur.”
„Ja, het loopt je niet mee,” troostte Uhlstra, „maar ’t kan verkeeren.”
En Twissels, spottend, met een zacht, fijn dameslachje, terwijl hij de
fiches opstreek:
„Alle goede dingen bestaan in drieën.”
Hij had de woorden nauwelijks gesproken of de bediende van Uhlstra, die
aan den ingang van het voorerf zat, kwam met een verschrikt gezicht
naar binnen, en ging staan aan ’t hoekje van de speeltafel, tusschen
Geber en z’n meester.
„Wat is er?” vroeg Uhlstra in ’t maleisch en eenigszins ruw, verstoord
over zoo’n ongewone vrijpostigheid.
De huisjongen wees met z’n duim over den rooden kraag van zijn
dienstbaadje naar buiten.
„Er is een boedjang van Koeningan.”
„Wat mot hij?” vroeg Geber, z’n nieuwe spel, door Twissels uitgegeven,
weer neêrleggend.
„Hij zegt dat er tjilaka is.”
„Wat dan!” riepen Uhlstra en Geber allebei ongeduldig.
„Hij zegt,” ging de Maleier met groote kalmte voort, „dat er geketjoed
is bij mijnheer; dat het huis in brand staat en toean Joop al dood is.”
Verwezen keken zij elkaâr aan, alle drie. Geber zeer bleek en ontsteld,
Uhlstra met een rooden gloed op z’n bruin gezicht; de eerste sprong
driftig op en riep den boedjang, die voor aan ’t erf was blijven staan,
met uitgestrekten arm hem wenkend, naar binnen. De arme inlander kwam
op zijn doorgeloopen voeten en tot de knieën grijs van ’t stof van den
weg, half kruipend, naar de breede marmeren galerij, neêrhurkend op de
onderste trede.—Wat hij vertelde was niet meer dan hij had meêgedeeld
aan den huisjongen; hij wist er zelf niet meer van.
Het luide spreken, de uitroepen en vloeken der mannen, verward klinkend
door de binnengalerij het huis in, hadden mevrouw Uhlstra uit den slaap
gewekt. Uit haar kamer liep ze haastig naar voren, de dikke figuur in
een wijde slobberkabaai, het haar onder ’t loopen draaiend in een
kondé. Toen ze hoorde wat er gebeurd was, ontsteld, vol vrees voor het
lot van haar eigen kinderen op hun eigen daaraan grenzend land,
trachtte zij in een luiden woordenstroom meer van den boodschapper te
weten te komen, den armen drommel dooreen schuddend als kon ze uit hem
strooien, wat zij meende dat er in zat. Maar het maakte hem zoo
bingoeng, dat hij ten sjotte heelemaal niets wist. Toen waren ook Roos
en de andere meisjes verschenen, allen op het noodlottig bericht door
vrees en schrik overmand, bleek, met tranen in de oogen, jammerend door
elkaar. Het werd erger toen Uhlstra last gaf den koetsier te wekken, om
dadelijk z’n américaine te laten voorkomen met z’n beste paarden. Ze
wilden hem met geweld terughouden, bevreesd voor zijn veiligheid. In
den donkeren nacht namen de ideeën van moord en brandstichting
reusachtige verbindingen aan; alleen Twissels, die op zijn winst een
extra-grogje had genomen en nu tegen een pilaar leunde, zijn groot
zwart vest vooruit als een kolossale inktvlek, onderging dien invloed
niet; hij lachte fijntjes en kleintjes, doch niemand keek naar hem
onder het zenuwachtig rumoer, en met ’n zoet stemmetje zei hij bij
zichzelf, heel hoog: „Die vrouwen, die vrouwen!”
Uhlstra, zoo goedhartig als hij was, viel niet af te brengen van z’n
besluit. Hij kende het volk, en zijn geweten was volkomen zuiver. Als
er iets aan de hand was, moest hij erbij zijn; er kon van komen wat er
wou.
„Ik ga met je mee,” zei Geber aarzelend, als iemand die fatsoenshalve
niet anders zeggen kan, maar flauwtjes en zonder enthousiasme.
Eigenlijk was hij, schoon voor den vorm nog wat aandringend, blij, dat
Uhlstra het beslist weigerde. Het was maar beter dat hij achterbleef;
wat gedaan was, was gedaan en viel niet meer te verhelpen.
De paarden vlogen over den weg: toch ging het Uhlstra veel te langzaam.
Toen het even begon te dagen, naderde hij de grenzen van z’n land.
Alles was stil en rustig als naar gewoonte, wat hij in z’n
opgewondenheid haast onbegrijpelijk vond, en toen hij een half uur
later in den grijzen schemer de laan opreed naar zijn oude landhuis, en
zag hoe reeds enkele lieden er vroeg bij waren om hun gras te pikollen
voor het vee in zijn stallen, ontgleed hem een diepe zucht van
verlichting. Hier althans was niets gebeurd; dáár had hij nu op durven
zweren.
Met een verwonderd maar blij gezicht kwam z’n zoon Henri, volmaakt zijn
jongere individualiteit, hem op het erf tegemoet.
„Dag pa, dat is verduiveld vlug!”
„Is het waar?” vroeg Uhlstra, uit het rijtuig springend, blij en
ontroerd den zoon de hand drukkend, die zoo gaaf en ongerept nu voor
hem stond.
Henri knikte met een gewichtig, bedenkelijk gezicht.
„Akelig waar,” bevestigde hij met kwalijk verborgen Schadenfreude. „Het
is voor Geber een leelijk gevalletje.”
„En is Joop dood?”
„Naar ik hoor, zoo dood als een pier; ze moeten hem verschrikkelijk
hebben gehavend! Enfin, het is mijnheer Geber’s eigen schuld. Waarom
laat hij zoo’n smeerlap heer en meester op het land?”
De vader antwoordde er niet op. Wat gaf het?
„Laat maar even verspannen,” zei hij met een blik op z’n dampende
paarden, die werden afgewreven.
Maar daar wou Henri niet van hooren en zijn jonge vrouw evenmin. Ze
brachten den vader nu weêr aan ’t verstand, dat het heele geval
eigenlijk weinig om het lijf had; dat de vermoorde absoluut niets had
dan zijn verdiend loon. Als Europeanen zich niet ontzagen hun zaken
door zulk gemeen en laag volk te doen beheeren, was het beneden de
waardigheid van een fatsoenlijk landeigenaar of administrateur zich met
de gevolgen daarvan in te laten.
Uhlstra, voorloopig gerustgesteld en hongerig na den slapeloozen nacht
en den langen rit in de frissche ochtendlucht, liet hen maar praten en
ging mee het landhuis binnen, met een geweldigen trek in een kop sterke
koffie, die hij ook dadelijk van z’n schoondochter kreeg. Nu het
inderdaad niet erger bleek te zijn dan de inlander had geboodschapt,
had hij zoo’n groote haast niet, en wilde wel eens vooraf Henri en Lize
uithooren.
Dat ging gemakkelijk genoeg; hij had slechts te luisteren naar het
relaas der geweldenarijen van den vermoorden hoofdmandoor op Koeningan.
Henri kwam daarbij altijd weêr terug op hetzelfde uitgangspunt: het was
alles de schuld van Geber. Een europeesch landheer moest fatsoenlijke
europeesche jongelui en niet zulke vreemde schooiers in dienst nemen,
herhaalde hij voor de zooveelste maal.
Een uur later moest er toch voor Uhlstra worden ingespannen. Hij had
Geber beloofd alles te onderzoeken; belofte maakt schuld, en hoewel
Henri nu weêr beweerde dat het gevaarlijk en bovendien onnoodig was,
wijl men den assistent-resident had kennis gegeven, reed Uhlstra naar
Koeningan, en zijn zoon, à fond nieuwsgierig om te zien hoe ze dien
smeerlap getjientjangd hadden, ging mee.