De noodlottige tijding was maar al te waar!
Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de
eigenaar dier suikerfabriek niet anders verklaren, dan dat in den
laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken was; dat hij
meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen
zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel
daar iemand ontmoet was geworden; zoodat hij tot de meening was
gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht geweest, òf dat de
bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden.
Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der
afdeeling stond, waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook
den regent en de wedono’s in die afdeeling, maar vernam niets
onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden, dat de streek de
meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde,
dat er wel armoede heerschte.
„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih? [283]” had de
resident gevraagd.
Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen
vrijgesteld zijn van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord
zich wachten liet, vroeg Van Gulpendam:
„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende fabrieken
behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?”
„O, ja, Kandjeng toean.”
„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan
waarop gerekend werd?”
„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de
landbouwers hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng”
(schuur) kunnen binnenbrengen.”
„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?”
„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met
een zucht.
Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij
was, dat hij, wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den
resident zoude opwekken. Hij wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de
oogst was overvloedig geweest; maar de paddie was niet in de schuren
terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst was verkwanseld
geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te
hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van
Chineesche opkoopers overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar
de opiumkit, naar het speelhol, naar het pandjeshuis, naar de lade van
die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag van de Nederlandsche
inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet
openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de
borst van den resident prijkte, en herhaalde met een zucht:
„Ik weet het niet, Kandjeng toean.”
Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere
kamers te willen betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich
volgaarne vergenoegen met de gewone logeerkamers [284] van de fabriek.
„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het
hoofdgebouw zijn klaar.”
„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik
wil u bewijzen, dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat
ik daar buiten even gerust zal slapen als in uw hoofdgebouw.”
Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad,
hij scheen gelijk te hebben. De berichten, die van allerwegen
binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden aard, dat de eigenaar
van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te hellen,
dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in
hare vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten
de echtelingen een heerlijke rust.
De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging
van de suikerfabriek, die evenwel op het punt was hare jaarlijksche
campagne te sluiten, daar de maaltijd op zijn eind liep. In den
namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij het
residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de
ontmoet wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon
was; het tegendeel kon beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs
toen hij nog controleur was, stipt en streng geëischt, dat terwijl hij
in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die hem ontmoette, moest
hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat moest
afwenden [285]. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van
schuchterheid, dat die voor bewijzen van diep ontzag en van eerbied
door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, hier in deze streken was
niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter meende Van
Gulpendam wel opgedaan te hebben.
Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka
maniesan had eenige familiën van de rondom liggende ondernemingen
uitgenoodigd, waaraan allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en
ook sommige dames maakten een gezellig partijtje; terwijl anderen zich
met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al eenige onprettige
gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de
voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo
werden die geheel verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele
landschap, hetwelk zich daar voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan
stond hoog aan den hemel, en overgoot alles met haar liefelijk licht.
Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen, die
het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte,
die in een tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo
genotrijk mogelijk te maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk
voorbij, en sloeg het middernachtuur, alvorens de rijtuigen voorkwamen,
die de gasten huiswaarts moesten brengen.
Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter
ruste wilden leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek
rapporteeren, dat men eene gedaante achter de tuinomheining had zien
sluipen.
„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene
niet ongewone gebeurtenis was.
„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een
geweer greep, en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een
gebaar weigerde.
Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten,
terwijl de dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd
is, was het zacht en kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar
bespeurden niets verdachts. Door de frissche nachtlucht verlokt,
strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk hun plan
was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een
paar rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan
de rietstekken gedeeltelijk geoogst waren. Het gekapte riet was reeds
naar de fabriek vervoerd; maar over een groote uitgestrektheid stonden
de stengels nog overeind en wachtten op de hand der arbeiders. Op de
ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen
„dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en
bestemd waren, om ook naar de fabriek vervoerd te worden; ten einde
daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van Soeka maniesan
was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn
vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne
betrekking van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de
suikerindustrie op Java in aanraking geweest; zoodat het gesprek
tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd door den
opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de
verschillende rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende,
dat de „teboe-njamploong” het meeste suikergehalte bevatte; de andere
verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd had, dat zulks met de
teboe-itam [286] het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de
discussie daaromtrent werd vrij levendig; toen plotseling een gil
weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels gewapend, en met zwart
gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn sprongen,
en recht op de wandelenden lossprongen. Het drietal, onthutst door die
plotselinge verschijning, zette het op een loopen; maar nog hadden zij
slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans
den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op
het hoofd deden neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag
had kunnen brengen. Op het erf werd de resident ingehaald, maar in
stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, op den grond
geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht
een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich
achter een hoop bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van
Gulpendam gebonden werd, kon hij nog zien, hoe een twaalftal mannen op
het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer van zijne echtgenoote
aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige vuist
drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe
de aanvallers de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne
knodsen uit hare hengsels sloegen, toen zij haar gesloten vonden. Hij
zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer steeg op, dat
door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen
werd.
Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien
dier slaapkamerdeur de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige
arbeiders, die bij de stoomwerktuigen in de fabriek de wacht hadden,
deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot redding zou hebben
kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug, die Van
Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te
omzwachtelen, zeide:
„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.”
„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard.
„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den
spreker van wraakzucht trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op,
of wij krijgen de werklieden der fabriek op het lijf. Ik zou dien hond
dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.”
Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van
Van Gulpendam gestoken.
„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen.
Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van
zijn gemompel was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd,
die den prop nog dieper in de mondholte deed dringen.
„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald.
Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en
draafden met hunnen last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder
die behandeling; maar dat werd niet gehoord, en hoorde het ook al
iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen.
Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op
een daarvan werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was,
werden de andere paarden bestegen en voort ging het.
„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden.
„Engèh! Engèh!” kreten de overigen.
Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de
overige aanvallers het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra
ten hemel en loeiden vreeselijk, waarbij zich het knappen van het riet
mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna uit de voeten maakte,
begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van de fabriek
te weêrklinken.
Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er
op hetzelfde oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag
bekroond werd.
Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag
een vreemdsoortig gebouw in de plooien van het oploopend terrein
alleraangenaamst verscholen. Ware het van Italiaansche of Zwitsersche
bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een chalet hebben
kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo
duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te
vergissen viel. Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich
daar verhief, en eerst sedert weinige weken in eigendom op Lim Ho, den
zoon van den opiumpachter van Santjoemeh overgegaan was.
Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer
geregelde levenswijze zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem
spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een bezoek aan bedoeld lusthuis
zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn. Dat eenzaam
gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van
den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken
daarvan waren weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste
divans werden in alle kamers aangetroffen; terwijl de wanden met
kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van
pornografische strekking, versierd waren. [287]
In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s
aangetast was, werd ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier
gelukte de onderneming nog gemakkelijker dan bij de suikerfabriek. Lim
Ho, die met misdadige oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en
ongeduldig de prooi zat af te wachten, die zijne driften gaande gemaakt
had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts van een paar
Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet
konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De
babah, overspannen van het wachten, en, in de meening dat ’t het
slachtoffer was, beval te openen. Toen het slot evenwel omgedraaid en
de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar gewapende en zwart
gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn ras
getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen.
Fluks keek hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen
ontvluchten; maar toen hij de beide deuren van het vertrek, waarin hij
zich bevond, door de aanvallers bezet zag, poogde hij in zijn
lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd evenwel
gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en
weggevoerd.
Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles
onaangeroerd gelaten. Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt;
maar zich bepaald tot den moord op mevrouw Van Gulpendam en de
ontvoering van den resident en van den pachterszoon. Dat de eigenaar
van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt
niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de
fabriekswerklieden hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter
vervolging te stellen. Dat mocht niet! De slag was evenwel niet
gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over den gepleegden
moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok, om
den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van
Soeka maniesan even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht
men, dat ook hij dood was, daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen
hij evenwel binnen de woning gebracht was, bespeurde zijne echtgenoote
al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van leven gaf. In
allerijl werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen,
wat evenwel eerst laat slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de
politie op Soeka maniesan verscheen. Er viel niets anders te doen, dan
den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig werd onderzocht,
het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar
zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van
Gulpendam. Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden
ontdekt, maar dat gaf niets; want door de geheerscht hebbende droogte,
waren die spoedig door den morgenwind met eene stoflaag overdekt,
zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters zich gewend
hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat
hij eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien
springen, dat hij had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en
daarbij een slag op het hoofd had gekregen, die hem bewusteloos had
doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist hij natuurlijk niet. De
verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon. Deze
zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een
grooten hoop dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn
te zijn gekropen, toen het rietveld in brand geraakte, en hij beducht
was, dat zijne schuilplaats ook door de vlammen aangetast kon worden.
En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets kunnen
waarnemen.
Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie
was ten einde raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en
vol afgrijzen bij de gedachte aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd
van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben. Maar, wat men ook deed,
of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid, totdat een
visscher, die, met zijne schuit de Moeara Tjatjing willende instevenen,
buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan aantrof, dat in
zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde
dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van
den Kandjeng toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend
hebben en tot zijne visschersgezellen gepreveld hebben:
„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!”
Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en
onaangenaamheden hij voor zich zelven opende, dan zou hij zich wel
gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De boeaja’s (kaaimannen) zouden
wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben.
Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij
ontelbare malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den
regent, door den controleur, door den assistent-resident van politie,
door den rechter van instructie. Al die autoriteiten meenden in hem den
draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden den
armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing
kapala” (ijlhoofdig) en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn.
Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was
niet geoorloofd geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die
deelen van het lichaam evenwel, die door de zeemonsters gespaard
werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken bevonden en was het
blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven was,
hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp
aangewend was geworden, om hem van het leven te berooven.
Wat was er met hem gebeurd?
„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid.
En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing,
waarmede de lezer in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de
ruiterbende in woesten ren heenijlde. Zorgvuldig werden de dèsa’s
vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd ook eene gardoe
geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen.
Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen
het wortelboombosch bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was.
Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen
werd, was Lim Ho daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten
gebonden, op den vloer uitgestrekt. Op een teeken van den aanvoerder,
een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden geslaakt, en den
prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden een twintigtal
Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was
van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik
zijner ledematen gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van
trotsche hooghartigheid:
„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?”
„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die
van gemaakte onderdanigheid getuigde.
„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen
van de hoogste gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne
Leeuwenorde wijzende, die nog in groot formaat op zijnen lichtblauwen
residents-rok bengelde.
„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah
ten teeken van eerbied maakten.
„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar
op het hoofd gekrenkt wordt!”
Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het
gevest hunner krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren
weer stom.
„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan,
„zult gij beiden dood zijn.”
„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit.
„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou
vreeselijk gewroken worden!”
„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard.
„Dat vonnis, wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;...
daarna kan men met ons doen wat men wil,... als men ons ten minste in
handen krijgt.”
„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop.
„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had,
dan dat hij zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het
wellustige oog op geworpen hadt, hier bij deze hut, de folterendste
mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt? Gij hebt datzelfde
meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met list in
uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar
botgevierd hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!”
Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die
woorden vernam. Hij begon te begrijpen, in wiens handen hij zich
bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover die
dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet
begrijpen, dat die Javanen de hand aan hem, den Kandjeng toean, zouden
durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te
moeten spreken.
„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het
opperhoofd, „dan is Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker
alles doen, om hem zijn straf te doen geworden; maar wat heb ik
gedaan?”
„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende
stem, „gij hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt!
Gij hebt den man, waarvan ik straks sprak, in de gevangenis laten
werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke straf veroordeeld; terwijl
gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel van
dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan
de hand gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig
veroordeelde in de onmogelijkheid te stellen, zijn kind te verdedigen
bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op haar te ondernemen!
Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar
schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is
reeds gedeeltelijk voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang
hebben!”
„Wa... wat? gedeeltelijk voltrokken....” kreet de resident. „Mijne
vrouw...?”
„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de
aanvoerder zich tot een van zijn gevolg.
„Njonja mampoes!” was het korte antwoord.
„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar
genadig geweest, een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt
leven. Zie hier op deze kris, die vlekken werden veroorzaakt door haar
bloed!”
„Die gil, dien ik dus gehoord heb....”
„Was haar laatste geluid op deze aarde.... Maar...” ging de Javaan,
ontembaar hartstochtelijk voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen
omspringen. Met eene vrouw konden wij kassian hebben! Gij, gij evenwel
zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen, die gij anderen
aangedaan hebt!”
„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij
weten te wreken!”
„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!”
„Gerechtigheid uitoefenen!... Wie zijt gij dan, die beweert
gerechtigheid te willen uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie
zijt gij?”
„Wie ik ben?... Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld
van allen, die onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige
ziel verschenen?... Wie ik ben?... Gij zult het weten!”
In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan
greep den gevulden klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het
gelaat af.
„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte
voor de beide gevangenen ophief.
„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet.
„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt.
Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De
te vereffenen rekening was verschrikkelijk.
„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze
nederknielden en klappertandend het hoofd op den bodem bogen.
„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden
met Dalima en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!... Hebt gij medelijden
met mij en mijn vader gehad?... Spreek dan toch!... Dalima
geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis
opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van
jaren tot dwangarbeid veroordeeld te worden!... En ik zou medelijden
met u hebben?... Ha! ha!... Dan was ik wel de grootste „bodohk”
(domkop) der geheele wereld!... Daarenboven... zeg... wat zoudt gij
doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij
Kandjeng toean, wat zoudt gij doen?”
Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder
scheen na te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een
sprankje hoop te ontwaren. Bibberend van angst klemde hij zich aan dien
stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn wankelende knieën overeind, en
handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen
biggelden:
„O, vrees niets!... Ik zal alles vergeven... Ik zal Kandjeng
Gouvernement smeeken ook zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal
mij verhooren... Al het onrecht, dat gepleegd is, zal hersteld
worden... Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling
zult erlangen... Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof
mij, al wat gebeurd is, zal gebeterd worden....”
„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den
aanvoerder hooren. „De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien
ons Javanen al voor zeer onnoozel aan!”
Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die
hem scheen overmeesterd te hebben en hem als het ware in boeien
geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof hij eene onwelkome
gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek los en
zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug.
„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in
mijne macht zijt, kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het
vreesachtigste dier. Hebt gij ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig
zien handelen, al gold het ook zijn leven? Gij hebt er genoeg naar de
galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken, de bruine
menschen weten te sterven. Medelijden!... Ha, ha, ha!... Thans doet gij
beloften, en... wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die
zult kunnen verkrachten! Beloften van een blanke!... Ha, ha, ha! Alsof
wij de waarde daarvan niet kennen... Wanneer heeft ooit een blanke zijn
woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer...”
Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor.
„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden!
Integendeel, een wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de
„hoekoem madoe” [288] toegedacht...”
Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden.
„Ampoen! Ampoen!” huilde hij.
„....maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm.
„Wij zouden, voor dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden,
en dat zou jammer zijn. Neen, daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de
„hoekoem Kamadoog” [289] ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten
toepassen; toen ik niets misdaan had, en de Kandjeng toean vond goed,
die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet kunnen zeggen, dat
ik wreeder ben dan gij waart.”
„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen.
„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne
makkers gevende, vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar
beneden!”
In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van
Gulpendam met hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon,
hemd, enz. volgden aan flarden. Het „virtus nobilitat” lag weldra
vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde
bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De
handen werden hen op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen
eenvoudig den trap afgesmeten werden. De aanvoerder herinnerde Lim Ho,
hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den dag gelegd had, toen
Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling van
boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen
gebonden, die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde
Chineezen en Ardjan gekneveld geweest waren.
„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den
boom, waarmede hij in herinneringsvolle aanraking geweest was,
wijzende.
„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden.
Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk
het bevel:
„En, nu er op los!”
Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de
vreeselijke netels gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op
de huid van de twee misdadigers. Waar de bladeren raakten, kromp het
lichaam van pijn weg.
De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer
hooren. Aanvankelijk wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de
Westerlingen bezitten de taaie zielskracht der Oosterlingen in
gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te kermen;
daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne
beulen verteederen.
„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij.
Op dat gehuil klonk tot antwoord:
„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!”
En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam.
Even schrikkelijk, misschien nog schrikkelijker dan de anderen:
„Meidema! Meidema!”
„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend.
Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet
verstaanbaar meer, en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het
regende voortdurend slagen met de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten
slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder alle bewustzijn verloren
had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen en dus
aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust
stralend gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende
blikken aan te staren. Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste,
zijne vuisten balden zich krampachtig, terwijl de vreeselijke
strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich weêrhouden,
om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan
op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een,
om hem dezelfde mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne
dierbaarste genegenheid te krenken, beiden om hem wegens
opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen.
Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen,
die zijn geheele bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen
bij de herinnering aan hetgeen hij onder diezelfde mishandeling geleden
had. En, zou er nog plaats voor deernis in zijn ziel geweest zijn, dan
ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter hem stond en hem
aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!”
De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch
dacht Ardjan er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij
iederen slag, bij iedere aanraking met de vreeselijke bladeren, kromp
de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid, pijnlijk
weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot
knoesten en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede,
die overigens op hunne beenen niet meer vermochten te staan, en als
levenlooze voorwerpen, als zakken in de touwen hingen, die hen aan de
boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo vreeselijk
gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan
verschenen die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en
verrieden door de wezenloosheid van hunnen blik het ontzettende lijden,
waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende sloegen beide lijders
met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts en
links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen
Niboeng-stam bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen
kroonden, her- en derwaarts vlogen.
Maar!... aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden.
Langzamerhand namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en
hingen de lichamen roerloos in hunne banden. Het was, alsof de ziel het
lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak Ardjan op den meest
onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne
makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los);
terwijl hij daarbij zonder een woord verder te spreken, met den vinger
naar de zee wees. In een ommezien waren de touwen doorgesneden, en
ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val opende Van Gulpendam
nog eens de oogen.
„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!”
De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier
ongeluk hij veroorzaakt had, benauwde zijne ziel in dien uitersten
stond. Met dien naam op de lippen blies hij den laatsten adem uit. Ook
Lim Ho gaf geen teeken van leven meer.
De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den
stroomdraad der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige
minuten de wateren der Java-zee toevoerde.
En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de
Chineesche schoenerbrik Kiem Ping Hin te bespeuren, die, hare zending
getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche vlag in top,
voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust
te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de
kongsie Lim Yang Bing aan wal te brengen.