Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren
voorbijgesneld, of de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z.
M. den Koning behaagd had, den resident Van Gulpendam te benoemen tot
ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later de bizonderheden van
die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men, dat
onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der
opiumverpachting te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in
buitengewone vergadering samengekomen waren, waarin de Minister van
Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid, gewezen
had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de
groote voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer
andere residenten tot dergelijke plichtsbetrachting opgewekt konden
worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat, nu de baten uit de
gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans reeds
de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het
zaaks was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals
hij zich dan ook beijverd had te doen, sedert hij door den Koning
vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven voor de Koloniën met de
inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets nieuws
verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de
koffiecultuur, die, mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie
gebracht, steeds ruime baten had kunnen blijven afwerpen, terwijl zij
welvaart onder de bevolking verspreidde, thans door wanbeheer en
ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds meer en
meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten
vloek van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne
medebestuurders dan ook hunnen bijval te kennen en ondersteunden de
voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde, waaraan helaas! de
constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden.
Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming,
was toch schier geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het
heugelijke telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en
telegrammen van gelukwenschen stroomden van alle kanten, zoowel uit
Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die de familie Van Gulpendam
ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met het algemeen
gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van
belangstelling te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst
toegeschreven worden.
Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en
dansrecepties werden allerwege georganiseerd, om de heugelijke
gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende de rij en werd
daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de
sociëteit Eensgezindheid, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als
slotbouket van al die feestelijkheden had er ten residentiehuize een
luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren,
waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh
tegenwoordig moest wezen, en ook was.
Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden,
gelegenheidsgedichten opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en
dat alles om den man te verheerlijken, wiens borst zoo waardig met het
„virtus nobilitat” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk
schoonheidsgevoel gewild, dat haar Gulpie op al die feesten verschenen
zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje, aan een miniatuur
strikje van Nassausch blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van
goeden smaak getuigd zoude hebben. Maar Van Gulpendam had zich daaraan
niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis van Batavia laten
komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap
lint.
„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet
hij ook op een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten
uitwaaien.”
Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest.
De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude
onvermengd geweest zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden,
dat er aan de rust en de tevredenheid onder de bevolking, waarvan hij
steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde, meer ontbrak dan
hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van
samenscholingen, van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd,
dat meer aan staatkundige woelingen te denken viel, dan aan beramingen
van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad van die bewegingen
in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang
sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht
te zijn. Dat blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne
rustige rust opgejaagd te hebben, werd op zijn vingeren getikt. De
drukkerij werd gesloten, en de redacteur verbannen, om te bewijzen: dat
de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was.
Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam
gegeven, dat hij alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat
de toestand werkelijk bevredigend was, en de artikelen der dagbladen
slechts onrustbarende praatjes bevat hadden.
Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige
tochten gemaakt naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles
rustig bevonden. Onder den prikkel van de Europeesche ambtenaren,
hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting bij den
Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching
geuit, ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen
was.
Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden had hij dan ook
een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om tot
spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan.
Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen
over rust een kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch
ingezetene, een industrieel, wiens suikerfabriek aan de uiterste grens
van de residentie Santjoemeh gelegen was. Deze verzekerde, dat hij
vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms
samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats
vonden, en hij beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te
kennen. Overigens zeide hij, dat hij met het doeleinde der samenkomsten
niet bekend was, maar dat zij hem verdacht en, zelfs bij de meest
onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen.
„En die namen?” had de resident smalend gevraagd.
„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon
zijn, Pak Ardjan en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige,
doortastende vent zijn, en beiden zouden in de dèsa Kaligaweh van de
afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.”
De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen.
Hij greep zijn zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd
parelden, af te vegen, meer echter om zijne aandoening te verbergen.
Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig,
en, alsof hij er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer
die opgemerkt mocht zijn, te vernietigen, hernam hij:
„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal
gevlucht. Die zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied
vertoonen. Nog niet lang geleden zijn zij te Singapore gezien,
daaromtrent zijn mijne berichten stellig.”
„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik
hier niet gerust. Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der
Europeesche nederzettingen gewoonlijk het slachtoffer, en worden dan de
Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord. Mijne fabriek
ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het
gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht
haar bereiken kan. Ik wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel
op de onderneming te plaatsen, waarop ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal
ze wel wapenen.”
„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die
zijne geheele zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij
schept u herschenschimmige angsten. Het is al te dwaas!”
„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor
uit: de mij medegedeelde berichten komen mij volstrekt niet
ongeloofwaardig voor.”
„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch.
„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze
eenzame buurt, dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders
spreken.”
Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit
de helden groeien, zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij
begreep, dat het oogenblik gekomen was pour payer de sa personne. Wat
zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid
vernomen werd?
„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit.
„Kom, om u te toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand
is, noodig ik mij en mijne echtgenoote uit, om een veertiental dagen op
de fabriek te komen logeeren. Ik weet, dat de kombuis goed is... Neemt
gij aan?
„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur.
Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de
hoede van een sterk korps politiedienaren zou stellen.
„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh
afgeloopen zijn, zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar
vertrekken voor ons klaar.”
„En gij brengt eenige oppassers mede?”
„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten
zien, dat ik ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor
niets bevreesd ben. Dat is dus afgesproken, nietwaar?”
Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was,
drentelden een paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean
op en neêr. Als iemand op een dier twee mannen gelet had, dan had hij
opgemerkt, dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij
steeds in de nabijheid der pratenden bleef; ook dat hij scherp
toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens woest en onheilspellend
flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde zich
een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene
westersche klassieke opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld
hebben: Jupiter, quem vult perdere, prius dementat. (Wien de goden ten
verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand).
Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij
allerwegen, dat hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende
feestvieren uitgeput waren, dat zij rust noodig hadden, en dan ook
besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een veertiental dagen
te gaan uitblazen.
En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide
echtgenooten, die zich slechts door de lijfmeid van de schoone
Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden lieten vergezellen. Op
den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats. Die moest
den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in
het rijtuig zat.
„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de
pajoeng voldoende om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot
zijne wederhelft gezegd.
Denzelfden dag vertrokken ook Karel van Nerekool en Theodoor Grenits
naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky, Anna van
Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen
kruisten elkander bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat,
waarboven de gouden pajoeng prijkte, sloeg oostwaarts in; het andere,
waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts.
Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren,
hadden zij het niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen
badplaats te gaan. Wel meenden zij verzekerd te zijn, dat geen
menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die naast Anna in het
water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit
losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden hadden, had hen
toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna
overreedde eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje
te nemen. Die zou dan telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl
de jonge meisjes in het frissche water zouden dartelen, tegen
onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van de nadering van
menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier nènèh
had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele
huiselijke werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere
meisjes meer tijd zouden hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of
bij hare verfkuip door te brengen. Hoe meer zij toch werkten, hoe meer
geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s, die zij weefden, en
de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel hadden
zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg
daarvan was, dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut
heerschte, en.... was het daaraan te wijten, of kon niemand ongevoelig
blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes; maar wanneer zij eens
een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen vrees van
herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de
jongelingschap van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook
wel eens een liefdevol woord toegefluisterd. De deerns hadden er dan
pret in, en lachten er hartelijk om. Op een dag zei Dalima snaaksch en
spottend:
„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een
Kandjeng toean voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit
stuiven.”
„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij
weet, dat ik daarover niet wil hooren reppen. Ik ben geene
residentsdochter meer.”
Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde,
liet zij er met een glimlach op volgen:
„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!”
„Op wie anders, Nana?”
„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te
goed. Al die lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u,
Dalima.”
„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos.
„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!”
„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså [279] gelet, Nana? Die heeft slechts
oogen voor u.”
„Neen, voor u, Dalima!”
„Neen, voor u, Nana!”
Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken,
wie harer dan het laatste woord behield.
„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had....,” zei Anna
eens, terwijl zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was.
„Wat bedoelt ge, Nana?”
„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.”
„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani”
(stoutmoedig) genoeg voor. En hij wel het minst.”
„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes,
zou ik meenen.”
„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft
ons bespied. Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij
het pad rechts en links over eene groote uitgestrektheid konden
gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.”
„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.”
„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.”
„Een blanke, Dalima?”
„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger
zou ik u slechts noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het
gebeurde met dien steen, is een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en
heeft daar bij den loerah overnacht.”
„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld.
„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen
vernemen, dan dat hij zich bezighield met „tangkap koepoe koepoe”
(kapellenvangen) Poeah. [280]”
„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?”
„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is
hij gezien te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke
richting.”
„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?”
„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.”
Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde,
dat Anna over haar ontevreden was, vroeg bedroefd:
„Zijt gij boos op mij, Nana?”
„Neen, Dalima.”
„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?”
„Ik zou wel willen verhuizen.”
„Verhuizen?”
„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de
landstreek nog eenzamer, nog woester is, daar dicht bij de
vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een dier grotten willen
nemen.
„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt.
„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam
Anna met een zucht.
„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige
kleinachting in haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.”
„En Ardjan dan?”
Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam.
„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij
zich ophoudt, en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,”
(verloofde) niet meer. Voor hem ben ik slechts een gevallen meisje.”
Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna
gevoelde spijt, dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een
oogenblik van stilzwijgen hernam Dalima weêr:
„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het
spoor was...?”
„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen
vluchten!”
„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang.
„Zwijg, Dalima!”
„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen...?
Nu?”
„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem
houden?... O, als dat zoo ware!.... Uit mijn hart gebannen?... Er gaat
geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem
denk.”
„Maar, Nana,” hernam de argelooze Javaansche, „waarom dan zoo wreed?”
„Zwijg, Dalima!”
„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?”
„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander
toebehooren!”
Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk
te raden. Op haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In
hare oogen was te lezen:
„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s”! (grillen.) Hoe lastig
maken zij zich het leven toch.”
Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en
opende daartoe reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij
binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden naar de dèsa geweest,
en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen doen. Dat
gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht
zij groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde
toch, dat drie blanken in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij
den loerah genomen hadden.
„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit.
„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij
eene rasgenoote voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en
de residentsdochter met den naam Nana aansprak.
„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima.
„Neen,” was het antwoord.
„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?”
„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde de nènèh. „De een
vertelt, dat het „wong spor” [281] (lieden van den spoorweg) zijn, die
zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben zij geweren bij zich.
Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen zij
hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor
welang” [282] op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds
bemerkte, anders had ik er op getrapt, en dan was ik dood. Een derde
vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen bezichtigen.”
„Hebt gij niets anders gehoord?”
„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd.
Die blanken doen niemand kwaad. Ziet... daar komen zij het pad op....”
Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden
kreet. In de grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij
over het hoofd sloeg, en, gevolgd door Dalima, die evenals zij Van
Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde zij het pad op, dat in
tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte
voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn
treden, en heênvluchten.
„Daar is zij!” riep Murowsky.
„Anna!... Anna!...” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem.
Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra
achter de rotsen verdwenen.
Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij
verplicht andermaal eene schrede achterwaarts te doen.
Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van
waar de twee vrienden den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij
hadden geen tijd, geen oog om de heerlijke landschappen, de verheven
bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen of te bewonderen.
Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende,
wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts
een kreet in den mond:
„Voort! Theodoor, voort!”
Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den
officier van gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar
zijn collega nog steeds te Gombong vertoefde, had de militaire
bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal een verlof voor
vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den
namiddag aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den
flinken rit; zoodat besloten moest worden den tocht eerst den volgenden
morgen voort te zetten. Van dat gedwongen oponthoud werd gebruik
gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky af te
leggen.
„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige
krijgsman, terwijl hij hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en
snuitkevers zich wel verdekt opstellen. Dan zal er eene slachting onder
gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden genoeg, om de
arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle
succes.”
Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te
genieten, bracht een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze
greep het papier.
„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega.
„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,”
antwoordde de gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt.
Als uwe kapellenvangst daarmede maar niet in gevaar wordt gebracht.”
Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening.
„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden... „God in den hemel!” riep
hij vervolgens in de grootste ontsteltenis uit.
„Wat is er? Wat is er?” riepen alle aanwezenden.
„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega,
door eene bende ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las
de dokter voor.
Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep
koortsachtig het telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich
daarna de oogen, alsof hij die niet vertrouwde.
„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk.
„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw
des huizes aan Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken
ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen zag verraden.
„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh
tegelijkertijd met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den
gruwzamen moord op personen gepleegd, die wij gedurende de
feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen, is wel
geschikt om ons te doen ontstellen.”
De dame knikte toestemmend.
„Het is ontzettend!” prevelde zij.
„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal
eenige uren uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven
omstandigheden moet ik noodzakelijk mevrouw Steenvlak spreken. Hoever
is Karang Anjer hier van daan, kapitein?”
„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.”
„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen
bekomen?”
„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?”
„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu
ongeveer zeven uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met
het krieken van den dag begeef ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks
zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong te vervolgen. Wees
gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.”
„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de
Steenvlaks vindt het een goeden stal.”
En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven.
„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de
vrouw des huizes, ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek
van Van Nerekool naar Karang Anjer.
„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw
Steenvlak, waar dat jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar
treft, voorbereid worden.”
Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te
doen.
„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In
zulke omstandigheden kan de raad van eene beproefde vriendin
veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet goed?”
Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand.
Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags
den weg naar Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de
gruwzame gebeurtenis in de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De
assistent-resident had ook een telegram ontvangen.