MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH.

„.... Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort.

„Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn

garnizoen te Gombong terug moest zijn, was ik des morgens, voor het

aanbreken van den dageraad van de dèsa Ajo, waar ik overnacht had, op

weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng Poleng te

exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik

niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een

prachtigen en ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote

beeldschoone kapel met groengouden vleugels, puntig uitloopende en met

een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord. Eene zeldzaamheid! O, ik

was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een dèsaman van

Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid

gekocht, dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken

langs de Zuidkust van het eiland Noesa Kambangan [276] gevonden te

hebben. Het is eene prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den

vorm eener ineengedrongene evoluta....

„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor

dag en dauw op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen

het morgenrood de geheele bergmassa van Karang Bollong in gloed zette.

Mijn pad liep dwars over de ribben van den Goenoeng Poleng, en

doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms erg

kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte

vervloot, welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte.

Hoe hooger ik kwam, hoe fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne

voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche morgenuur geheel en al

verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen, om mij

slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op

een wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen

uitstrekte, en stond een oogenblik stil om uit te blazen van de

inspanning, veroorzaakt door de beklimming van de zeer steile helling,

waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden beekjes,

die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend

zeewaarts spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een

paar zilveren linten voordeden, die kronkelend en wentelend, bevallig

en als het ware achteloos, daar in de diepte door de morgenbries waren

uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had, lagen

trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen

verspreid. Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik

afdalen moest; maar tusschen die rotsen en de struiken werd ik, een

honderd voeten beneden mij, het atappen dak gewaar eener Javaansche

woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij kon

waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte

en op eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht.

Zou het een menschenhater zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog

kon door een geopend raam in een der vertrekken dringen, en meende ik

eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder den invloed der

morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende ik

een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel

zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft,

of gebruikt hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit

bontkleurig katoen....”

Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier

te genieten; maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op

Van Nerekool, die in zijn wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat

het voorkomen had, alsof hij niet hoorde, maar met zijn gedachte elders

was.

„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard.

Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak.

„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om

Murowsky’s brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke

ambtenaar te mijmeren, en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar,

maar niet in de nabijheid van de dèsa Ajo. Wacht maar een oogenblik,

dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt nu. Luistert

maar.”

Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne

sigaar, zette zich rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van

Rheijn vervolgde:

„.... Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik

daar diep, zeer diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in

één woord de zilvertonen van een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den

hals uit en keek in de richting, vanwaar dat vriendelijk geluid kwam;

maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde ik, dat daar

ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij

den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon

ieder onbescheiden oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken

den blik van terzijde afweerde. Intusschen ging het geginnegap voort,

thans vermengd met geplons en geplas van water, waartusschen nu en dan

een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes zich

daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter

verschooning mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders

aanhalen, dan het hier te lande zoo algemeen gezegde: een mensch is

geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde naar beneden naar de

aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen ik

deed, was ik weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te

volgen. Het is waar, dat ik er volstrekt niet op rekende, eene Diana,

eene godin, te bespieden.

„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te

maken, ten einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk

daalde het pad rechttoe rechtaan naar den Wariengien af, die eene

groote oppervlakte overschaduwde. Als dat zoo voortging, dan zou ik

binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar bij eene

groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en

scheen, den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek

te voeren, alwaar de overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk

aan den overkant het pad langs de tegenovergelegen helling van het

ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne nieuwsgierigheid werd

nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in mijne

nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en

verliet het pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was

mij gunstig. Van af de bedoelde sperrots strekte zich eene hellende

terreinstrook uit, die geheel en al met struiken begroeid was,

waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog

had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots

achtergelaten, om meer ongedwongen in mijne bewegingen te zijn. Ik

sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van struik tot

struik.....”

Allen schreeuwden het uit van lachen.

„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden

toesluipen!” grinnikte Grenits.

„Met slechts een „ewah” [277],” schreeuwde Van Rheijn.

„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je

wel, Karel?”

„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast

je maar.”

„.... Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk

stond ik voor een soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder

doordringen ondoenlijk maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den

rand van een waterbekken, dat bijna ovaalrond in de grauwe

trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht door

menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang

en vijftien breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien

heerlijk overschaduwd. Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een

kleine komvormige baai uitmaakte, gevoed; het water was diep, maar zoo

helder, dat men de kleinste steentjes op den bodem zien kon. Maar, dat

alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden kwamen mij

eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne

aandacht. Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne

heg verborgen, ter hoogte van een twintigtal voeten beheerschte,

zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens. Hoe zal ik u

beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van

een uwer op zijne wangen te jagen...”

Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan.

„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te

hebben.

„.... Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen

gekleed, dat wil zeggen: zij hadden slechts den sarong om de lendenen

geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch hoe kiesch de Indische

schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij dat tot

onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems

kunnen vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral

wanneer de sarong nat is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden.

Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel in ieder harer een

verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde de

type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare

ronde wangen en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging

zij in een ondiepe plaats van het bekken staan, sloeg zich den sarong,

die bij het zwemmen losgegaan was, vaster om de heupen, en was het mij

duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke in gezegende

omstandigheden verkeerde....”

Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel

te werpen. Deze zat hijgende van ongeduld, hem de woorden uit den mond

te kijken.

„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij.

„...De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig

fraai onder den natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het

Europeesche corset in aanraking was geweest. Haar gelaat duidde ook op

eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware de huid ook niet bruin

getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen zijn

geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch

zijdeachtig van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en

haar bij het zwemmen in sierlijke en weelderige krullen op de

watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende ik de Arabische type in

het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere

water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet;

want ik meende dat gelaat te herkennen.

„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige

tafereel, dat zich daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen,

hetwelk de werkelijkheid eenigszins nabij zou komen. De pen kan zoo

iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden schilder, van een

die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een woord,

noodig zijn.

„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte

wildernis, ver van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een

onbescheiden oog bespied werden, zwommen, dartelden, stoeiden de

bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander, smeten

elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere

vocht onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had

om te beletten, dat de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de

boezemwelving losging. Dat spel duurde lang, zeer lang; het scheen dat

de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet konden losrukken.

„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee:

„„Soedah! moesti poelang, boe!”” (genoeg, wij moeten naar huis

terugkeeren, baboe).

„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?”

vroeg Grashuis.

„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, andermaal een blik

op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping is

nabij.

„...De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen

oever zitten, waarbij zij hare lieve kleine voetjes in het water liet

hangen, en begon haren weelderigen haardos uit te wringen. Zij zat met

het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt, waar ik mij bevond,

kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een kondeh

op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug

ontwaren. Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?... Maar ik

meende, dat de huid van dien rug niet zoo donker getint was als wel het

gelaat en de handen. Ten uiterste nieuwsgierig, wilde ik scherper

toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende struiken en boog

mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.... of beter: de hemel zij

geprezen! Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder

mijn voet los, rolde de helling af en viel met een geweldigen plons

vlak naast en rechts van de schoone baadster in het water. Het scheelde

waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou het lieve kind

geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen

maakte, stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar

de linkerzijde, alsof zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan

eenige oneffenheden vasthakende, losgleed, en....

„Bij alle Goden!... het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al

gelaat, hals, schouders, armen, handen en voeten bruin getint, de rug,

de rugholte, de dijen, in een woord alle deelen, die gewoonlijk bedekt

zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden, waren lelieblank, van

dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht op...

Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was... Dat gelaat,

hetwelk ik meende te herkennen.... O, ik kon mij niet vergissen, zij

was het!... Nu herkende ik haar in weerwil van de bruine kleur... De

verschrikte meisjes, die mij achter de dichte heg niet zien konden,

waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen, en een

paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik

kon evenwel de kleine Javaansche nog hooren zeggen:

„„Tida takoet, Nana, tida ada orang!” (Wees niet bang Nana, er is daar

geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat zij het

losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of

aan het toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden

beiden zich voort, en ik zag haar weldra onder het beschermend dak van

het huisje verdwijnen.

„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook

om het kiesche gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang

mogelijk in mijne schuilplaats. Toen ik berekenen kon, dat zij het

opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik zoo langzaam mogelijk,

gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte van

het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het

oog verloor, en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare

bewoonsters onzichtbaar was.

„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te

schrijven. Ik weet, hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal

maken. Raad vermag ik niet te geven. Ik stel mij evenwel ter

beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen....”

„Anna!... Anna weêrgevonden!” kreet Karel van Nerekool, terwijl hij

onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij

opgewonden op en neer liep.

„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden.

„Wat ik doen wil?... Ik vertrek morgen ochtend!... Ik zal...”

„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis.

„Geen overijling, zegt ge? ... En als zij intusschen weêr verdwijnt?”

„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De

meisjes, van hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de

meening verkeerd hebben, dat zij door een loos alarm op de vlucht

gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben, die eenzame plek te

verlaten.”

„Vrienden,” sprak August van Beneden, „ik geloof, dat wij het beste

doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat. Laten wij de zaak

overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen valt.

In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou

zoodoende zijne geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar

mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats

verwijderen.”

„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag

om verlof schrijven.”

„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om

te overleggen. Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne

hand. Ik vergezel u bij dien tocht.”

De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning,

terwijl de feesttonen der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen

werden.

Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet

verkrijgen.

Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie

aanhangig, daartoe genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof

verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong. De voorzitter was

verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie

te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In

afwachting grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den

loop van ons verhaal uitoefenen, en derhalve hare mededeeling

vereischen.

Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke

Ngow Ming Nio moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren

18.., 18.. en 18.. plaats hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis

voor de ambtenaars-wereld, die bij de bestaande fiscalische neigingen,

waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan den dag legde, van

hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te Batavia

als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal

millioenen als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij

en met hem zijn mederegeerders zich vaster op het kussen gevoelen, daar

zij meenden en niet ten onrechte, dat bij zoo’n behandeling van zaken,

zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor zouden hebben. En

zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken.

Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere

drijfveer, om de gegadigden voor de opiumpacht tot eene zeldzame

inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd. Door

tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen

verlokken, bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter

de schermen en door tusschenkomst van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem

waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor de trotsche

residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen.

Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert

maanden, voor dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de

grootste activiteit aan den dag gelegd geworden. Allerwegen was het

toezicht op den sluikhandel, die niet van den pachter uitging,

verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans en

politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis

en aan den lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij

hunne vervolgingen van hen, die geen opium of het heulsap slechts matig

gebruikten. Het succes was volkomen. Onder den invloed van de genomen

maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon en stegen de

detailprijzen van het vergift in evenredigheid.

„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet

altijd zijn tong aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht

gesproken werd.

Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had

dien uitslag wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als

onder het beheer zijner kongsie stonden, was dat onmogelijk.

Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij

liet door zijne gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden,

dat het aantal opiumkitten in de residentie belangrijk opgevoerd zoude

worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand eene koortsachtige

opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen.

Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den

vlaggestok, die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe

driekleedsvlag, [278] de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden

was geweest, en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de

morgenbries. De oppassers, die heden allen present waren en zeker een

korps van een twintigtal uitmaakten, waren, in nieuwe pakjes gestoken

en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken en met

gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken,

waren in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der

twee schildwachten, die voor het perron der voorgalerij op en neer

drentelden, onmiskenbaar te bespeuren, dat zij zich van den gewichtigen

dag, dien zij beleefden, bewust waren.

De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een

paar assistent-residenten en een paar controleurs uit de naburige

afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich de ambtenaren van

Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden

zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis.

Allen waren in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en

eikentakken, die emblemata van onkreukbare reinheid en fieren

mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd, met de wit

cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den

statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm.

Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk

zindelijk wit baadje en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen

gekleed, het hoofd zorgvuldig glad geschoren en glimmend gepoetst,

terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst zorgzaam

behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden

koord, die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw

waren, kunstvaardig, haast wiskunstig ineengestrengeld was.

Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen

nemen; weldra verschenen echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden,

eindelijk de rijken, zij, die als ernstige mededingers konden

aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en Lim Ho,

die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen van hunnen

landaard met een uitvorschenden blik monsterden.

Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de

ambtenaren, en vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en

handjesdrukken plaats hadden, die van de innigste verstandhouding

moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht, om aan te

duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn

schilderhuis geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam,

vergezeld van zijn secretaris, beiden ook in galacostuum, de

voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van Rheijn gearmd,

ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen.

Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten

presenteerden de schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich

in één gelid naast den pajoengstandaard, waarin thans een fonkelnieuw

waardigheidsemblema prijkte.

Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om

hulde te bewijzen aan den Vertegenwoordiger van den

Gouverneur-Generaal, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van

Neêrlands Koning in die verre Aziatische gewesten is.

Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te

verrichten; waarna de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden

bleven.

Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden

op de schoone Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De

lieftallige vrouw reikte ieder hunner en ook aan sommigen der naastbij

staanden eene hand en noodigde al de babahs even naar binnen te treden,

om zich te laven aan een verfrisschenden dronk.

„Het was toch zoo ontzettend warm in dit seizoen te Santjoemeh,”

betuigde zij.

De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen

dankbaar, wierpen elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden

de schoone vrouw door de binnengalerij naar de pandoppo. Daar stonden

op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met kelken beladen,

terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte

champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt

waren.

„Boeka anggoer poeff!” (maak champagne open) beval Laurentia aan een

viertal bedienden.

De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een

schuimend glas in de hand en stelde er eene eer in met de

njonja-resident te mogen klinken. Als de Chineezen champagne drinken,

dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over het algemeen

zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere

andere gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine

teugjes gelept zouden hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen

bij officiëele gelegenheden gezien hadden, gedroegen zij zich nu

anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de eer genoten, met

eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden.

„De toean toean noemen dat ad fundum,” merkte de majoor-Chinees op.

„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet.

In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg.

„Isi glas lagie!” beval zij.

En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van

Gulpendam, dat de glazen telkens geleêgd werden; terwijl zij met

fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig met de

champagneflesschen rondliepen om in te schenken.

Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in de

voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten.

„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,”

vervolgde hij met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons

berouwen zullen, wanneer wij hen gaan opzoeken. Het is ontzettend heet;

vindt ge niet?”

Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten

zakdoek afveegde, stapte hij aan het hoofd der beborduurde en

gegalonneerde landsdienaren naar binnen.

„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de

bedienden:

„Lakas, kassie glas sama toean toean!”

Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet

de heeren der schepping met elkander. De resident fluisterde een paar

woorden met Kwee Sioem Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende

dat korte gesprek eenen onderzoekenden blik op Lim Yang Bing trachtte

te werpen.

„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „tapeh

saja takoet” (maar ik vrees).

„Tida takoet!” (vrees niet) stelde de resident hem gerust.

„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!”

„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het

pachtcontract opgenomen zijn.”

„Dat is zoo Kandjeng toean; maar...”

Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den

steek van het hoofd, hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een

der bedienden was aangereikt.

„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een

luid gejuich aan de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van

de Veuve Cliquot blijkbaar zijn invloed begon uit te oefenen.

„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van

politie.

„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar.

Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid

gedaan. Waarachtig, hier en daar begonnen de scheef staande oogen der

babah’s wonderlijk zonderling te kijken.

Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door

de lucht.

„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze

pacht niet slagen mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de

verpachting van het opiummiddel voor het pachtperceel Bengawan en een

paar dagen later voor het perceel eener andere residentie zal

geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.”

Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij

in, en groepeerden zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren

blad, waarop een massa paperassen uitgespreid lagen. Aan het boveneinde

plaatste zich de resident, omgeven door zijn fonkelenden staf van

ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door de

tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing

een keurige schilderij, een borstbeeld in levensgrootte van Koning

Willem III, die nu als het ware het middelpunt uitmaakte van de beide

groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande.

„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract

voorlezen,” sprak de resident plechtig.

Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier

onverstaanbaar, de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te

kennen. Het was ook maar eene bloote formaliteit. De gegadigden voor

dat contract kenden den inhoud op hun duimpje. Alleen den aanhef: in

naam des Konings! waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle

aanwezigen het hoofd diep voor het borstbeeld bogen, sprak de

secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij bepaald

was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal

opiumkitten meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract

bepaald was, werd met verheffing van stem en met statigen nadruk

voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden te treffen.

Toen die lezing ten einde was, sprak de resident:

„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf

honderd twee en dertig duizend gulden!.... Twaalf honderd twee en

dertig duizend gulden!.... Wie biedt hooger?”

„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem.

„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere.

„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek.

„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen.

Er had eene poos verademing plaats.

„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam

kalm en afgemeten.

„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van

de tafel hield.

Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op.

„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd

mengende.

„Vijftien honderd duizend!”

Het gevecht was in vollen gang.

„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter.

Andermaal trad eene stilte in.

„Panas ini hari,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem.

De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne

nabijheid ophielden. Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe

met hunne groote presenteerbladen, waarop de heerlijk afgekoelde

champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten de Chineezen

toe. Het was toch ook zoo snikheet.

„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident.

In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der

aangeboden kelken en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid

naar binnen.

„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij.

„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter.

Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken

werd, alsook door het getik der glazen, welke van nu af door de

bedienden, hiertoe door de schoone Laurentia aangezet, die achter eene

zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond gade te slaan,

onafgebroken aangeboden of gevuld werden.

„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam.

„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent

van Lim Yang Bing.

„Achttien honderd duizend!” riep deze.

Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot

riposteeren aan te moedigen.

„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit

op een toon zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf.

„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter.

De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel

met een schier onhoorbare stem uit te brengen:

„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!”

„Doea millioen!” riep Lim Yang Bing zegevierend uit.

Doodsche stilte volgde op dat bod... Men zou eene speld hebben kunnen

hooren vallen. Men voelde, dat de tegenstand daarbij gebroken was. De

kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten trokken hem

achteruit en beletten hem te spreken.

„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er

op volgen: „ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal

opiumkitten bij dit contract aanzienlijk vermeerderd is.”

Maar het mocht niet baten... De bedienden vulden steeds ijverig de

glazen... Maar niets, niets meer hielp.

„Twee millioen guldens... eenmaal!....”

„Twee millioen guldens... tweemaal!....”

„Twee millioen guldens... Biedt niemand hooger?.... Twee millioen

guldens... driemaal!”

Boum! daar viel onherroepelijk de hamer.

„Behoudens de nadere goedkeuring van de Nederlandsch-Indische

Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan

babah Lim Yang Bing de opiumpacht toegewezen!”

Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk

bestuur en wenschten hem geluk met den afloop der verpachting.

Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen Lim Yang Bing, om hem

de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste glas

champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een

oogenblik heerschte daar in die groepen veel geestdrift en

opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte aan de bevolking gewijd

werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren welvaart

zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden....

Ja, toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het

beeld van Neêrlands Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke

wil was, dat zoo gehandeld werd? Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig

waarde de blik van den Vorst op die joelende menigte.

Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde

met stralend gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten

met twee telegrammen in de hand, nagenoeg van denzelfden inhoud:

„Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht twee millioen—Van

Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den Haag.

Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het

telegraafbureau te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met

tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom zich en toen zijn oog op

Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich bevallig

loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het

noordwesten, naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en

prevelde:

„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!”

Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend

aan.

„Gij nog hier?” vroeg hij.

Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem

met zacht geweld in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder

onbescheiden oog verborgen, sloot zij hem met krachtigen arm aan haren

zwoegenden boezem.

„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!”

„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen

geloodst, al zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet

ondankbaar zal wezen.”

Baboe Dalima · 第 87 / 94 题