DE AMBTENAREN EN DE OPIUM.—DE VOGELNESTPLUK TE KARANG BOLLONG.

Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren

harde waarheden voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken

hadden; maar het waren waarheden, die niet weg te cijferen of weg te

redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar op hunne „karossi

gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne

manilla-sigaren ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een

verdubbeld gebulder van het geschut vernomen werd, en een verdubbeld

geknetter der mertjons, schier verdoofd door een uitbundig gejuich,

hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde, en

door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op

het vuurwerk te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel

was waarschijnlijk veroorzaakt door den toast van Lim Yang Bing op den

resident Van Gulpendam.

„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich

aan zijne zwaarmoedige gedachten ontwringende, die door het verhaal van

Van Beneden niet verdrongen waren.

Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat

evenwel ook weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard van

Rheijn het gesprek.

„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio

Siong Mo geene medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat

die integendeel geheel en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie

waren. Die uitspraak zal u wel niet ontvallen zijn; maar zult gij wel

degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel, het is mij niet

duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche

opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is

zwaar.”

Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een

paar seconden, alvorens hij antwoordde:

„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde

het beste. En gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet

ondoordacht uitsprak. Wien zij geldt? Inlandsche of Europeesche

beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust in dezelfde

beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik

vooral de blanken op het oog had....”

„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van

Rheijn diepbewogen.

„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal

processtukken, die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene

nota aan van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een

oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook gevraagd was. [263] Zie

hier, wat die nota ongeveer inhield:

„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel

in opium zijn uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun

zeer moeielijk bedrijf ten dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat

zeer weinig geschikte sujetten zich voor dat baantje aanbieden. Hoe

geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden eenige

individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen

resident. Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden

achter zich hebben, en van den opiumsluikhandel een zeer beperkt

denkbeeld hebben, worden dan op een traktement van ƒ 150 ’s maands

geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene opium

ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of

onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar.

Hunne stations bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke

moerassen, en de schier ondoordringbare wildernissen van Java’s

noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige huren tegen

25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen

kosten een.

„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets!

Daarvoor is geen geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp

vragen, als er wat aan de hand is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in

den regel bij den duivel te biecht.

„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te

houden, en genieten daarvoor aan fouragegelden ƒ 10 ’s maands per

paard. Fondsen tot het aanschaffen dier paarden worden eenvoudig niet

verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te maken van de

bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat

hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent

men nu de korting voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de

ongelukkigen ƒ 102 in handen, waarvan huishuur en bediendeloon afgaat,

zoodat hun slechts 67 gulden overblijven om veelal met een gezin van te

leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook maar eene schamele

inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders

over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen

volgaarne als geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer

niet opgedrongen: uit hun baantje te halen, wat er uit te halen is?”

„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle

opiumbeambten direct of indirect onder de afhankelijkheid van de

pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen daarvan liggen,

dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van

individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de

belangen der pachters verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot.

Anderen waren ledepoppen van de pachters en durfden zich niet tegen den

sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie kwam in die nota

voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht

ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, dat de pachters als

smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve die

pachters even ijverig controleerden. Maar.... Maar... dezen hielden het

niet lang uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd

dan door de residenten ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was

toch eenmaal eene klacht ingediend, dan moest het recht zijn loop

hebben, en... de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare pachters

bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne financiëele

verplichtingen jegens de Staatskas vervullen...”

„Maar... waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare

herhaalde verzekering van den Minister van Koloniën in de

vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig, „dat het opiumverbruik

zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt, zooals wij

hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren

aan den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en

ongeoorloofde middelen het vreeselijke heulsap op.”

„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat

geen fatsoenlijk man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot

tegengang van den sluikhandel, men moet dus de toevlucht tot personen

van minder gehalte nemen. En... vandaar, beste vrienden, dat de

kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo

mogelijk waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik

mededeelde....”

„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht

geschapen,” zei Van Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten.

Zeide Van Rheijn straks niet, dat ook hij een opiumgeschiedenis te

vertellen had?”

„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.”

„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te

weten, maar telkenmale openen zich nieuwe gezichtspunten.”

„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer

uitnoodigend. „Wij zijn geheel en al gehoor, Eduard.”

„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn.

„Van Murowsky, onzen dokter?”

„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?”

„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en

hij daarenboven aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in

tegenstelling van de gedragslijn, door onzen gastheer gevolgd, in zijn

geheel voorlezen.”

„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.”

„Komt er iets over kapellen in voor?”

„Ja.”

„En over kevers en slangen?”

„Misschien ook.”

„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig

zijn; zij schenken je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet),

geen dekschild, geen...”

„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen

glimlachend. „Luistert maar:

„„Hoe ik het te Gombong uithoud?” vroegt gij mij in uwen laatsten

brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het er dienaangaande

somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha van Bemmelen een goed hart

toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep,

wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne

komst hier, dacht ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe

omgeving en vloekte den chef, die mij de poets gebakken had, mijne

overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie geen sprake. De

enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte

mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één

beeld, dat der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en

bekoorlijke koonen, en vergat ik mij zoodanig, dat de fraaiste

vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder dat ik er aan

dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn

insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de

officieren, daar aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de

pupillen-inrichting aangewezen, en hadden het druk genoeg. Ik

daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel te Gombong is

wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje

gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder

handen te krijgen, merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.....”

„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit.

„Bidden om eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten,

of op zijn minst in het nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een

plaatsje bezorgen.”

„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard.

„Verlangt hier onze August niet naar processen? En is een geding niet

erger dan eene epidemie? Maar, laat mij voortgaan.”

„Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of

beter ik wisselde het een met het ander af. Ik bezong haar, die

afwezige, in alexandrijnen, in jamben, in pentameters, in hexameters,

in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten, in stanzen,

in het Duitsch, in het Poolsch....”

„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in.

„In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn....”

De vrienden schaterden het uit.

„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?”

„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide,

„eene ode van haar aanbidder ontving, getiteld: „Solus occasus, virgini

Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus. [264] Ik wou dan haar

bakkesje wel zien.”

„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die

evenals de anderen hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen

had.

„...En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik

eensklaps vernam, dat Agatha van Bemmelen geëngageerd was, en al heel

spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne dichterlijke producten,

stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp om de

muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de

officieren van het garnizoen bij elkander, gaf een flinke

champagne-fuif, en was na een nacht, dien ik doorbracht, alsof ik de

Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende concurrentie

wilde aandoen, totaal genezen.”

„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor

je Karel!”

„Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de

hemidiptera, de diptera, de hymenoptera, de lepitoptera, de

coleoptera....”

„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen,

niet overslaan?” vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog

door; die weet niet beter. Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt,

is onvergeeflijk.”

„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.... de coleoptera, de

crustaceeën [265] mijne beste vrienden waren, en mij de meeste

verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof het gelukkig. Zieken waren er

geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier van

gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof

bekomen had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel

van eene beginnende miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om

mij bij voorkomende ziektegevallen te kunnen vervangen, al ware het ook

om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar ten prooi was.

Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan

den militairen kommandant permissie, om mij gedurende acht dagen in het

Karang Bollongsche gebergte, dat hier in de nabijheid gelegen is, aan

den entomologischen hartstocht te mogen wijden.

„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige

kapitein. „Zorg echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk

krijgt, en dat ge op uw tijd weer present zijt.”

„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de

weitasch om en de blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op

het pad, terwijl mijn bediende mij met het overig benoodigde volgde.

Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati, Ringodono naar

Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het woeste gebergte was. Ik

legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim twee dagen

over.

„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou

parelen voor de zwijnen geworpen zijn....”

„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert

niet door beleefdheidsvormen.”

„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van

straks,” lachte Van Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u

mededeelen, dat ik redenen te over heb tot tevredenheid. Ik heb onder

meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en eenen schoonen Priamos.

Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas, die met

zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het

vierkant beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij

daaraan? Neen, ik heb een onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer

aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming met het opiumschuiven heeft

mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog lang niet

ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden.

Die hebben mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne

opmerkingen te maken, waar mij bizonderheden van het opiumverbruik

onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk goed terecht gekomen.

„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche

gebergte in aanraking met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat

middel van inkomsten van den Nederlandschen Staat op de hoogte zijt of

niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp: het

opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een

vluchtig overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.”

„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!”

„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,”

meende Grashuis. „Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan

onuitstaanbaar pedant zijn.”

„Toch niet,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Ik voor mij heb tal van

wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen. Maar, laat

mij voortgaan:”

„Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel weten zult, een

uitlooper van den Goenoeng Djampong [266], die een verbindingsrug

daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng Batoer met

zijne voortzettingen. [267] De hoofdmassa van het Karang

Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken, die eene

hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een

breeden band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den

Indischen Oceaan opstijgen. In dien rotsmuur heeft de wereldzee met

hare machtige deininggolven, die ongehinderd van de Zuidpool aanrollen,

om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld, waarvan

sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. [268] In het binnenste

gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders

„manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten...”

„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in,

„daar begint de Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen

weet, wat ons nog te wachten staat!”

„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen,

maak je maar niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort:

„„....Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale

rotswanden. Die nesten bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid,

welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen wordt. Die vogeltjes

bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben om hun

nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat

droog en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over,

dat eveneens drogen moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan.

Zoo wordt voortgegaan, totdat het nestje voltooid is. Is dat het geval,

dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje van geringe

middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots

gehecht zoude zijn. De nestjes bestaan dus uit een geleiachtige massa,

die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer zij van supérieure

qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend...”

„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers

zouden zij daaraan vinden?”

„Laat mij voortgaan.”

„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een

délicatesse. Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid

vertegenwoordigt voor hen het fijnste, hetwelk het verhemelte strelen

kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote geneeskracht aan toe, en

prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon aan.

Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan

die nestjes verleent....”

„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche

Gouvernement!” [269] riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der

vogelnestjes uiterst beperkt is, anders zou men die Chineezen, welke er

afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten op te dringen, zooals

men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit te

drijven.”

„„.... De inzameling der nestjes,” ging Eduard van Rheijn met lezen

voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in het

laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint

half Augustus en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat”

heeft in December plaats.

„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes

gun, welke zich daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen

der grotten te bereiken, men middels ladders langs den loodrechten wand

der rotsen naar beneden moet. De ladder, b. v. die naar de

Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn hart

popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken.

Maar, als ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand

bracht, terwijl een paar Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik

dan die bengelende rottanladder zag, die onder den invloed der bries

heen en weêr bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan

eens buigende onder een inspringend gedeelte, en zich daar voor het oog

verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder mij de lange deiningbaren

zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een woest en wild

tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in

verblindend wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn

oor den donder van die onmetelijke branding vernam, en ik de rots,

waarop ik lag, onder mij voelde dreunen, vrienden dan bekroop mij zoo’n

gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde, en de hand niet

uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen.

„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan

den voet dier steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die

als eene beweegbare heuvelreeks over het prachtig azuurblauw van den

Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen van de baar in een

machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet der

rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje

tooide; dat neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende

melkzee veranderde, waarin iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de

zonnestralen als een diamant fonkelde; dat fijn verdeeld waterstof, dat

die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig zilverwaas

hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is

en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een

hooge baar aangerold kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten

geheel en al, en drong er met kracht in, om den uitspoelingsarbeid

voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die holen verdwenen

waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den

aandrang der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n

spelonk, spoot het water met een machtigen straal van vijf- of

zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke horizontale

fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar

dwarrelende kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte.

„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden.

Toch ben ik besloten bij een volgenden keer in zoo’n grot in te

dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in het zuider

halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s

zuidkust verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid

bestaat, de Goewah (grot) Temon met een niet diepgaand schuitje binnen

te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft mij beloofd, wanneer ik hem

vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid te zullen

houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou

aanschouwen, moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der

werkzaamheden daarvan, welke mij door de hoofden medegedeeld werd, te

vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam:

„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages

van rottantouwen langs de wanden met „tali doek” [270] vastgemaakt. Een

dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met ééne

hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de

wanden worden afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt

kunnen worden, en in het algemeen die, welke zich aan het plafond der

grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan een ijzeren haak

bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen.

„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes

een zeer gevaarlijke arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte

langs die loodrechte rotsmassa’s boven die kokende zee afklimmen; dan

in die holen dringen, waarin de oceaan zijne golven stuwt [271]. Bij

onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt

het wel, dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen

verbrijzeld worden of ellendig verdrinken.

„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling

bezighouden, zult ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is

aan zijn geboortegrond dan de Javaan. Zoo ook hier. Er bestaat geen

woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek in het Karang

Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. De

kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden,

hebben niets te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de

overlevering steeds met de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden,

en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat de Nederlandsche regeering zich

de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter of slechter

betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan

hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen.

Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken

[272], waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin

tachtig nestjes gaan, in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15,

zegge in letters VIJFTIEN CENTEN erlangt...”

„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te

vervolgen, dienen wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes

hebben.”

„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De

Chineezen geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel

vogelnestjes, en daar honderd nestjes ongeveer één katie wegen, en een

pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt ons gouvernement vierhonderd

gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen afscheept.

Het is bij God schandelijk!”

„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden.

„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard van Rheijn. „Uwe vraag, August, zal

dan ook beantwoord worden.”

„Welnu, vervolg!”

„.... Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, wanneer het hem

meêloopt, twaalf zakken kan afleveren....”

„Dat is ƒ 1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog meêloopen! God

betere het!”

„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig.

„.... Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som

herhaaldelijk in doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te

verwerven, moet de arme drommel zeer dikwijls naar beneden naar het

hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk toch duurt nog

altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het

gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen

zweven. Luistert: Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen.

Gij kent de aanhankelijkheid van den inboorling voor hen. Deze worden

dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider slechts ƒ 1,80 in

handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en

Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te

werken, maar om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de

eerbied en de gehoorzaamheid van den Javaan voor zijne hoofden, zouden

bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort geschoten zijn. Men

heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel,

vrienden, is....de opium!

„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het

gouvernement niet alleen toelaat, maar betaalt, ter zake van die

vogelnest-inzameling; alsook de afgodische eeredienst aan Njahi Ratoe

Segårå Kidoel [273] gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde

staatskas bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen

wordt, en waarvan wij de werking, bij eenigszins aanzienlijke

hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan. Welnu, bij alles wat die

pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium

verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan

worden vijf „bekels” (kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone

dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen de eersten daarvoor ieder

1 en de laatsten ieder ½ „kedawang” [274] amfioen. Voor het schoonmaken

van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd, die

respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang-

en toppengspelers ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4

voor „sadjen” of offerande, en bij hun heengaan nog ieder 16 kedawangs

amfioen.

„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en

daartoe sapies of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van

elk dier worden 8 kedawangs amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van

elken achterbout dier geslachte dieren, die ieder begeleid en gedragen

worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder bekel 1 en iedere

sekep ½ kedawang amfioen. Bij het naar de klippen brengen der ladders,

iedere ladder begeleid en gedragen door twee bekels en twee sekeps,

ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste ½ kedawang

amfioen.

„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel

verdere strekking. Vrienden, leest maar verder:

„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen

loerah en iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige

feestvierenden ieder 1 kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb

liggen, staat letterlijk: [275]

„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen,

hetwelk bij die feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der

aanwezigen amfioen wordt verstrekt, laat het zich denken, dat niemand,

die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal blijven.”

„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs

amfioen, en voor het vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8

kedawangs verstrekt.”

„Gedurende de inzameling der nestjes”.... och, hoe zal ik dat ten einde

brengen? Laat het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt

76, die van de Goewah Dahar 64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de

overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De „toekan’s” van die genoemde

grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs.

„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der

ladders belast zijn, worden in opium betaald; de personen, die de

geplukte nestjes moeten bewaken, ontvangen opium. Het verzenden van het

product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen der ladders, het

bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke

heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het

geschiktste middel om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum

zooveel mogelijk op te zweepen.

„Maar,.... waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is

toch al lang genoeg, en ik heb ulieden nog het een en ander te

vertellen...”

„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis.

„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard van Rheijn.

„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”,

meende Van Beneden.

„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen

kijken goed uit hun oogen.”

„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun

oogen.”

„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen,

Frankrijk veel beter te kennen dan de Franschen zelven.”

„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het

allerinteressantste komt eerst aan.”

Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel van

Nerekool vergezeld.

„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits.

„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.”

„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen).

Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene

nieuwe sigaar op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en

neêr, en waren daarna, weêr geheel gehoor.

Baboe Dalima · 第 85 / 94 题