EENE WALGELIJKE TEGENKANTING.—TWEE OPIUMKONGSIE’S IN GEVECHT.

Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen

alledaagsche zaak, dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van

Santjoemeh trouwde met de dochter van een niet minder rijken

emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling van zoovele

millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de

grootste belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan.

Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat

niet allen behoefte gevoeld hadden de receptie met hunne

tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden ook enkelen, zooals Van

Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne

weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche

huwelijksplechtigheid te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te

halen geweest bij het diner aan te zitten of de danspartij bij te

wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de Europeesche

bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van

Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool

bij elkander te komen, om gezellig dien avond door te brengen.

Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen

rechter nog in zijn studeervertrek onder de kap eener groote

astraallamp over zijne schrijftafel gebogen.

„Nog aan den arbeid?” vroeg de een.

„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere.

„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde.

„In de ornithologie zou Karel onder de „rari aves” (zeldzame vogels)

gesorteerd worden!” riep August van Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog

op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert? Hoort ze daar ginds eens

toeteren en spektakel maken.”

En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der

residentie’s hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter

der fanfares, het geknetter der mertjons en het gedonder van het

geschut vernomen.

„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits

verachtelijk glimlachende op.

„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den

dag ijverig besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan

hij wel meende, is het in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij

den raad van Justitie; toch hield iets anders mijne aandacht bezig,

toen gij zoo even binnentraadt...”

„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo

over zijne schrijftafel deed bukken?” vroeg Theodoor.

„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven

ontvangen had, en die mij de pen heeft doen neerleggen.”

„Van Willem Verstork?”

„Hoe maakt hij het?”

„Is hij welvarend?”

„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?”

Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig

uitgesproken. Een ieder van dat vijftal droeg den waardigen controleur

een goed hart toe.

„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich

uitmuntend in die militaire wereld daar ginds te schikken.”

„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals

hij gewoonlijk de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet

in zijne plaats te zijn.”

„Wat schrijft hij, Karel?” vroeg August van Beneden.

„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van

Nerekool. „Daarenboven is het grootste gedeelte gewijd aan mijne

particuliere omstandigheden, en treedt hij omtrent de ouders van Anna

van Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet

kan mededeelen. Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is

voorzeker welgemeend; toch maakt dat schrijven mij diep neerslachtig,

daar mij de klove, die mij van het lieve meisje scheidt, al meer en

meer onoverkomelijk aangrijnst.... Waar mag zij toch zijn? Wist ik dat

maar; och, dan was alles nog niet verloren.”

Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den

gastheer tot weemoed moest stemmen.

„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid

niet toe. Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken.

Daarenboven, wie weet wat de toekomst bereidt?”...

„Maar, zij is weg... spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool.

Eduard van Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet

direct op.

„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij.

Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat

kan mij dat schelen?”

„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur

voort, „en heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is

volgens hem geruimen tijd geleden naar Karang Anjer gereisd....”

„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. „En wat?....”

„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.”

„Niets?”

„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.”

Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken.

„Een opflikkering der hoop,...” prevelde hij; „en daarna weer zwarte

nacht!”

Allen keken een poos bedrukt voor zich.

„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg

Van Beneden, die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending

wenschte te geven.

„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon.

„Kom, laten wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het

meest wetenswaardige van zijn brief mededeelen. Het is hier niets

gezellig voor vriendenkout.”

Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat

inderdaad met zijne folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot

vertrouwelijkheid verlokte.

„Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!” (Sabieio,

geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En

toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden:

„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij.

En op de toestemmende beweging zijner gasten:

„Sabieio, kassi bier ajam,” [257] vervolgde hij, „sama ajer batoe,”

(Sabieio, geef haantjesbier met ijs).

Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam

Van Nerekool:

„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert:

„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht

in den djoerang Pringapoes mededeeling deed van een recept van

pilletjes om de opium te bestrijden, [258] alsook welk succes ik en

anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets gesticht

over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in.

Zijne woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij

onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor

u,” sprak hij waarschuwend. „De minister van Koloniën, die bezig is de

opiuminkomsten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te

zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. Er zijn

zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de

Koloniën uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die

veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht.”

Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst mijner

familieleden een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden

bij eenig nadenken slechts opnam als eene zwartgallige ontboezeming,

geuit ten gevolge van ons gesprek bij den maaltijd, dat hoofdzakelijk

over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen had. Grenits

zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel

aanduidden; want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg

niet loopen zou: „maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen

niet verdienen.”

„Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat

ik deed, verrichtte ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene

mogelijke belooning. Zulk streven heb ik steeds volgaarne aan anderen

overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede, soms wel het tegendeel

daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid met die

uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond

wordt. De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo

dienstvaardige spierbundels in mijne lendenen te hebben, zou mij

ongeschikt tot iedere poging daartoe maken.

„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch

kon hij noch ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en

hoe doeltreffend zijne voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op

het geen volgen gaat.

„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche

Secretarie gewerd. Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen

omtrent sommige civiele kwestiën, b. v. inkomende rechten of zoo iets

wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur niet bemoeielijken

wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet door

tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een

geschreven stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm

eener circulaire, die evenwel gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is.

Dat document luidde: [259] „Te Batavia is eene poging ontdekt om

pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn.

Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die

pillen moeten worden beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen

anders dan voor rekening van het gouvernement, alsmede de verkoop,

anders dan door den pachter, verboden is, behoudens de bij Indisch

Staatsblad 1872, No. 170 ten behoeve der particuliere apothekers

vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr. wordt verzocht aan dien last

der Regeering stipt de hand te doen houden.”

„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch

Bestuur.

„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen

aangewend, om Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze

verslaafdheid aan het heulsap af te brengen, en die pogingen waren met

een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een paar honderdtallen

van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne

ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de

heerlijke werking van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook

met een zestal vermeerderd; en ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op

die werktuigen van zedelijke verwoesting viel, die daar nu als

zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen, ik een

gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken.

„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de

regeering wars zoude zijn, het hare bij te brengen, om zoovele

rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik in Indië

rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was

misleid, en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen

beschikbaar bij de pachters stellen, moest het doel, met dat middel

beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een uitvoerig stuk op, waarin ik

de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook door de

evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo

ook door de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de

laatstbedoelden legde ik authentieke verklaringen deswege over. Ten

slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor, ten opzichte van

de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap vervaardigd, eene

uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken.

„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van

mijn hart gevolgd. Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik

gelooven kon, dat de regeering ook maar een klein beetje van hare

prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel, zou laten varen.

Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in een

tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als

de hoogste vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten

wordt voor de bas-fonds, waarin geschraapt wordt.

„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op

mijn welgemeend pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel,

vervat in uw schrijven van den zooveelsten, verlangt de regeering niet

te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet in den

laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad

in andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te

zijn, om de schuivers het gebruik van opium af te leeren, dienen zij

toch inderdaad om hun, die zich, hetzij wegens de hooge kosten of om

andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen voorzien, het

opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. [260] Bestond er reeds

twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, dat

gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met

een goed doel—de verordeningen der regeering omtrent het

opium-monopolie te ontduiken, en zoo mede te werken tot benadeeling van

’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de meeste zekerheid, dat

gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd hebt. Op

de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de

regeering onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de

beweegredenen, die u genoopt hebben te handelen, zooals gij deedt,

ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat uwe

familie-verhoudingen mij hebben doen terugdeinzen, zou ik u als

onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, voor ontslag

hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen

ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te

rapporteeren. Gij moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding

noodig heeft, dan het gehoor geven aan ziekelijke philantropische

opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van ontevredenheid,

gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt...””

„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield

met lezen. „En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n

edelaardig karakter als onze Willem.”

„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij

bederft de beste sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen,

dat men de middelen weert, die bij de bestaande toestanden heil zouden

kunnen aanbrengen!”

„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden.

„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te

uitsluitend in onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet

waar kunnen zijn, dat onder het mom van genezing aan te brengen,

inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd...”

„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe

Willem Verstork van sluikhandel te verdenken?”

„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis

er aan toe.

„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard van Rheijn, terwijl hij

driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd. Zoo iets

te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een

paal boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen

onkreukbaar eerlijk en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet

kunnen aannemen, dat onverlaten, zich achter dat geneesmiddel

verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist te

benadeelen?”

„Zoo iets kan wel,” zei Grenits nadenkend.

„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een

zoodanigen clandestienen invoer tegenga? Onder den dekmantel van die

pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote vlucht kunnen

nemen....”

„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die

maar gestijfd wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van

het opiumverbruik zoo afkeerig niet. Integendeel!”

„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent

de pillen van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk

genoeg,” merkte Theodoor Grenits op. „Men kon het middel handhaven en

beschermen, maar de vervalschingen daarop tegengaan. Maar, dat wil men

blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken,

die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot

verbetering te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in

den Haag gefemeld en geteemd wordt, ten ernstigste tegengegaan worden.

Vrienden, gij herinnert u onze discussiën nog wel. Valt de uitspraak

nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking op het arme

Indië rust?”

Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas,

neen, tegen die uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die

overtuiging gevestigd.

„Ja, die opium!...” zei August van Beneden met een zucht. „Vrienden,...

wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp prijs te geven,

wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden

zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares

trilt, en de grond dreunt door het gedonder van het geschut bij de

feestviering van de samenkoppeling der millioenen, uit die bron

verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche Rijk zijn nu

zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet

altijd zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij

zij uiterst vinnig tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer

dagen van eenige overjarige documenten, kwam mij een Kongsie-geschil in

handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring gunde, waarin zich

de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat mij u

die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op

plaatsnamen letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om

de handelenden, die nog leven, te brandmerken, en dat zult gij, met het

oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken. Voor

den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden

van personen door N. N. of P. P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen

daarenboven iets stuitends heeft, zoo zal ik mij veroorloven

gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden daaraan maar wilt

denken.

„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren

geleden,—bestond er in eene residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij

aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die wij Hok Bie

zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de

opiumpacht van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij

Bengawan zullen heeten. Maar ter zelfder tijd had dat pachtperceel

Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van een jeugdig Chinees,—dien

wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de millioenen

niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval

was.

„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, „wanneer

ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en

omkooperijen, die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig

te worden. Laat het u genoeg zijn te weten, dat van weêrszijden alle

krachten werden ingespannen, en niet zonder reden; want het

pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java, en

telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal

opiumkitten, waar tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking

van het geheele eiland bezit.”

„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen.

Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was,

[261] dat de soliditeit der borgen van hare tegenpartij betwijfeld

werd, waardoor deze buiten mededinging gehouden zoude worden. Tio Siong

Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers met hunne eigene

wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?... Och,

dat zult gijlieden wel kunnen gissen.”

„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons

als een klontje kandijsuiker!”

„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om.

Eerst poogde zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich

failliet zouden verklaren. Toen dat niet opging, deed zij den

gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen gouds, wanneer hij zich

terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend worden.

Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de

pacht van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op.

„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal

mededingers geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het

strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers van de kongsie Hok Bie en

Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt.

„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende

stoutmoedigheid en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende

oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk ƒ 80,000....”

„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.... „Maar, dat is niet

veel.”

„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden.

„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te

Santjoemeh....”

„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in

de rede. „Laat u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.”

„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool.

„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en

daarmede gemeend zijn tegenstander te overbluffen en te verpletteren;

want hij was van zestig op tachtig gesprongen.

„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?”

„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk:

„„Dan sareboe!” (nog één duizend)

„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod

zijner tegenpartij eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden.

„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien

laatsten sprong had hij de uiterste grens van de strekking zijner

volmacht bereikt. Hij mocht niet verder.

„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” zei de resident aanmoedigend tot

den aarzelende.

„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” herhaalde de secretaris, die

voor afslager dienst deed.

„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „tiga kali!” (derde

maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong

Mo toegewezen.

„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan

pachtschat! Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er

overtuigd van, dat uit het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele

te kloppen was. Of hij niet buiten den waard rekende?....

„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot

dan ook zich te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton

ter beschikking, om Tio Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar

om hem zelfs een plaatsje in ’s lands gevangenis te bezorgen. Twee der

oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.”

„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij

zoo’n concurrentie als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte,

niet ongelijk aan een jong, vurig paard, dat ongeduldig is om vooruit

te schieten.

„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging

August van Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner

hartstochten of het botvieren hunner ijdelheid geldt, dan zijn de

Chineezen volstrekt niet gierig....”

„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te gooien om een

kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis.

„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. „Anders komen

wij er van avond niet.”

„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene

opium-geschiedenis mee te deelen en nog wat meer.”

„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits.

„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren

nog niet verpacht. De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op....”

„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette

perceel Bengawan, een paar ietwat magerder, dat compenseert.”

„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August

onverstoorbaar voort, „en besteedde voor die beide perceelen ƒ 40,000

’s maands, hoewel er op de vingeren uit te rekenen was, dat bij een

dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.”

„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool.

„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te

krijgen.”

„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging.

„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August van Beneden met een

glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst ten

noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet

uit. De kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De

smokkelvaartuigen voeren ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali

op en neer; de smokkelwaar vond haren weg door hare pachtperceelen en

binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met gesloken opium

overstroomd, die tegen acht duiten [262] willig van de hand gezet werd,

een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk slijten kon. Toch

trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon met

stipt aan zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat

op de gestelde datums in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de

Europeesche ambtenaren hem steunen zouden, tegenover den sluikhandel,

die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg zijne vertoogen bij

de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën

hadden?.... Schwamm darüber.... En, mocht hij ook van een enkelen

hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de mindere opiumbeambten

ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al op de hand

van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen,

onbeloond liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed,

zoolang Tio Siong Mo geld had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was,

het was ook hier: waar steeds veel van afgaat en schier niets bijkomt,

daar is het einde slechts een quaestie van tijd. In de tweede helft van

het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij kon onmogelijk zijne

onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s lands

kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het

wichtig oogenblik naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne

bezittingen omgesprongen hadden, dat zij niets dan schulden

achterlieten.

„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de

Directeur van Financiën, en liet uit naam van diezelfde regeering, die

door doeltreffende maatregelen, zoowel in haar als in des pachters

belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust van Java

geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had,

den armen Tio Siong Mo in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang

zuchtte, en waaruit hij eerst kort geleden, toen men zag, dat die

gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op het gebied van

belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de

haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze

épisode, dat zij die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen

zijn.”

„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?”

vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.

„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo

binnenstijds herverpacht worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn,

blijkt niet uit de stukken; wel uit eene teemende jeremiade van den

Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters tot groote

gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij

die herverpachting slechts ƒ 41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve

de achterstallige tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk

nadeel van veertigduizend gulden ’s maands had.”

„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met

alle pachtperceelen gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden

worden, om aan dat opiumverbruik een einde te maken!”

„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen

langs de noordkust?” vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van

aspirant-controleur het naadje van de kous wilde weten.

„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies

op. Toen het doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene

bevriende kongsie, natuurlijk tegen groot verlies over. Hok Bie wilde

er niets meer van weten....”

„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis.

„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij

ook de opiumpacht bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik

verleent.”

„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der

Nederlanders!”

„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke

lauwheid der natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd

opgevoerd worden!”

Baboe Dalima · 第 83 / 94 题