Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal
speelt, was geheel Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het
was toch de vastgestelde huwelijksdag van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon
van den opiumpachter, den zoon van den millionair Lim Yang Bing, met de
lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh,
wellicht van geheel Nederlandsch-Indië, de eenige dochter van den
schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles handel gedreven
had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht,
geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat.
Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te
Santjoemeh, en de samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de
algemeene belangstelling opwekken. Daarenboven, een dergelijk Chineesch
huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald werd van de pracht, die
bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten toon
gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een
sprookje uit de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier
verstaan moet worden als tout Paris bij dergelijke gelegenheden, had
dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart machtig te
worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah
Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van
mevrouw Greenhoed, dames die over het algemeen met hare glimlachjes,
vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen, omdat
vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het
bediendepersoneel van Lim Yang Bing hadden, en zoo een
uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er werd zelfs verhaald, dat
eene nonna [240] een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer
die hare ouders zoo’n kaart bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de
meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling niet willen
aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de
eindafrekening niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij
gefluisterd, dat de onderhandelingen lang, zeer lang geduurd hadden, en
dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen had, om het lieve
meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen
berichten, en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk
gesteld had. Als het waar was, dan had die nonna de zoo innig verlangde
kaart met menigen zoen betaald.
Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van
opgewondenheid. En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het
gebeurde met Lim Ho en baboe Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde
niet, en deed niemand te huis blijven. De meest kitteloorige gewetens
werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene vervolging
plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied,
dan zal het wel zoo erg niet geweest zijn. Er waren er zelfs, die stipt
aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden, en den Chinees
omtrent zijn bonne fortune benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi!
Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen.
Integendeel!
Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een
optocht naar den Chineeschen tempel.
Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen,
[241] had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má Tsów
Pô [242] die beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden
te laten afsmeeken.
Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet
gevormd voor het huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke
door de stad trokken, voorafgegaan eerst door een talrijk korps
Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten, geaccompagneerd
door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen,
polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil
van de onwelluidendheid hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het
trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer die hen had kunnen hooren.
Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne krassende,
eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne
valschklinkende en krijschende blaasinstrumenten met het eerste
afwisseling hield, en een mengelmoes van tonen te berde bracht, die
alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden, maar toch het
vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven.
De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers,
terwijl hij ter weerszijden door een achttal „lolleng’s” (papieren
lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai getemperd licht hoog op rood
beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke vormen, aan het
geheel een echt Chineesch relief verleenden.
De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see”
genoemd worden, wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort
nangkin jasje, dat slechts tot aan den knie reikte, en waaronder de
bloote beenen en voeten uitstaken. [243] Op het hoofd droegen zij
kegelvormige hoeden met opliggende roode franjes versierd. Ieder hunner
hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring, waarin kleine
stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren,
en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten.
In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van
Má Tsów Pô, dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op
het hoofd, als zinnebeeld van hare waardigheid van Koningin des Hemels,
murmelden, zongen, en prevelden op de maat gebeden en bezweringen,
terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen dat zoo
omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder
begeleiding van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den
heenmarsch te zaam gedrongen had.
Maar den volgenden dag was de groote feestdag.
Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om
de genoodigden uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af
te halen. Toen het tien uren sloeg, was de élite van de ingezetenen van
de residentie in de binnengalerij van de woning van Lim Yang Bing
vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot tenue, òf
zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door
jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht
rozenkleurige rozen. Naarmate de gasten verschenen, werden bij den
ingang „mertjons” [244] afgestoken, en dat in grooter aantal naar
gelang de binnentredende een hooger standpunt in de maatschappij innam.
Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd een evenredig
grooter aantal rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk
soms zoodanig, dat hooren en zien verging.
Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die
plechtstatig door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid
werden; terwijl intusschen buiten een geknetter en gedonder weergalmde
alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest springen. Bij die
gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken)
afgevuurd, en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan
Lim Yang Bing verzekerden dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van
Krakatoea kinderspel was geweest.
Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de
„Shan Sao” (booze geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot
vreugdebewijs op dezen heugelijken dag te dienen.
Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps
muzikanten en door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd
hadden, een lange stoet van vrienden en bekenden van den bruidegom
voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders te gaan afhalen.
Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als
door den kapitein der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren
luitenants dier natie heel galant als ceremoniemeesters dienden. Allen
beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen te doen
voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen
vernomen te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde,
en bruiste het heerlijke vocht, dat in groote zilveren kommen in een
ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen kristallen kelken. Der dames
werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden.
Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden
bewogen zich ongedwongen door de ruime binnengalerij, die reeds in
gewone omstandigheden prachtig mocht heeten, maar thans voor deze
plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken, als
draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar
verguld, en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het
huiselijk leven in China voor. De omwanding was zacht rozenrood [245]
genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond,
bedekt was met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd.
Aan het uiteinde der galerij bevond zich het altaar van den Tao Peh
Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl groote strooken van
roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden daarvan
prijkten.
„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent
toch dat gekrabbel op die roode lappen?”
„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de
Chinees galant.
„Maar, wat beteekenen zij?”
„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen
over deze woning.”
„En de anderen?”
„Dat zijn de vijf zegeningen.”
„En die zijn?”
„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een
einde, dat het leven kroont.”
„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat
zijn die mooi!” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele
lantaarns wees, die aan de zoldering en aan de balken der galerij
hingen.
Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven
koper in Chineeschen stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer
fijn geslepen waren.
„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van
zelfvoldoening. „Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen
raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?”
„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?”
De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om
zijne lippen.
„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze
kunstwerken meer waardeerdet.”
„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw.
„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met
de vracht en inkomende rechten...”
„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende.
„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien.
Wil njonja....?”
„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?”
„Bijna vierhonderd gulden, njonja.”
„En daar hangen er een dertigtal meen ik?”
„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.”
„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor
tienduizend guldens aan lantaarns!”
Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s
genoot hij dubbel, wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der
kostbaarheden, die hij uitstalde.
„En zie eens die „how-iâ’s.””
De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer,
die ineengedoken op een voetstuk van zwart marmer voor de twee
hoofdpilaren der galerij voor het altaar zaten.
„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn.
Is het niet?”
„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.”
„Maar, babah.”
„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien
haan daar op het altaar?”
„Ja, babah; die is prachtig gesneden.”
„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd
gulden.”
„Maar, gij moet rijk zijn, babah.”
„Och zoo,...” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn
bescheidenheid. „Weet gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van
heden avond kosten?”
„Neen, babah, zeg op.”
„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.”
„Gij moet zeer rijk zijn, babah,” vleide de residentsvrouw.
„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet,
hoeveel ik mijn zoon medegeef, njonja?”
„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij,
babah.”
„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot.
„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet
ontzettend rijk zijn, babah Lim Yang Bing!”
„Toch niet zoo erg, njonja.”
„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?”
De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een
weinig.
„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?”
Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn
binnenste zijne praalzucht en snoeverij.
„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone
Laurentia, die het ijzer smeedde, terwijl het heet was.
„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken.
„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit
loopende jaar, nietwaar?”
„Ja, njonja.”
„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand
plaats hebben, is zoo niet?”
„Ja, njonja.”
„Zijt gij van plan mede te bieden?”
„Ik denk het wel, njonja...”
„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja...” herhaalde
Laurentia op kluchtigen toon. „Maar... shut! men beluistert ons.... Wat
beteekenen die letters op die lollengs, babah?”
Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar
eigen, giegelenden, luchthartigen toon gesproken.
„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.”
„En op die daar?”
„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.””
Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de
vermeende luisteraars.
„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt
het met die pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger
zult hebben.”
„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift.
„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van Solo.”
„Die!” mompelde de Chinees onthutst.
„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam,
terwijl zij hem strak aankeek.
Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast
de schoone vrouw voort.
„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met
iets schampers in hare stem op.
„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij.
„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht
innen.”
„Ho, ho!” grinnikte de Chinees.
„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens
twintig ton moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het
monopolie.”
„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat
zou ik wel eens willen zien!... Maar een verhoogde pachtschat is
onmogelijk,” voegde hij er nadenkend bij.... „Thans kost het moeite, om
zonder verlies te werken.”
„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede [246]!” merkte
Laurentia spottend op.
„Ja,...” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet
gehoord, „werd het aantal kitten in de residentie vermeerderd...
dan...”
„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er
thans? Dat is mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?”
De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en
scheen in berekeningen verdiept te zijn.
„Minstens tien,” antwoordde hij.
„Dat is veel;... maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract
opgenomen worden, zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?”
Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling
daar nog iets bij te voegen.
De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan
den ingang van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan
moest, zooveel mertjons werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche
muzikanten, die den stoet vergezelden, eene krijschende cacophonie
deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte proef
stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was,
dan moest die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was
zelfs geen Shan Sao bestand.
Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat
en zedig in haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose
sjerpen om de slanke middels, te voorschijn getreden, om de bruid te
verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems en eenige
snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden.
[247] Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de lieve Ngow Ming Nio de hand
te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden. Op die
tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep
van hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh” [248] niet
ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig
opengesneden, dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten
blootlagen, als zinnebeeld van het groot aantal kinderen, dat men het
jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een groot aantal „kaam”
(oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des levens,
die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan
elkander gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en
toch onverbreekbare eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige
stekken van „koaka” (suikerriet), als zinnebeeld van het
huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop, van
geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt.
De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow
Ming Nio [249]. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal
nedergezet. Beide bekers waren met wijn gevuld, en door middel van een
rooden zijden draad aan elkander verbonden. Bruid en bruidegom dronken
tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden daarop
van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet
brak, en ledigden nu de bekers geheel en al.
„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de
huwelijksplechtigheid bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te
verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim
Ho is dat niets; maar dat lieve kind....”
„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg
Grenits ondeugend.
„Shut!...” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de
nabijheid.
„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner.
„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene.
„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?”
De Chinees lachte schalks.
„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend.
De omstanders proestten het uit.
„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,” [250] zei Grenits, die in de
algemeene hilariteit deelde.
„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten.
De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone
Laurentia was diep verontwaardigd over de stoornis der
bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den grond willen kruipen
tegenover die toornige blikken.
„Shut!... Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te
zamen.
Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der
bruid, hief die ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen
elkander bogen.
„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits.
„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August van Beneden
knikkend.
„Shut!” klonk het alweer.
„Millioenen, die voortspruiten uit... Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor
fluisterend, maar uitdagend.
Onze advocaat boog verlegen het hoofd.
„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.”
„Shut!”
De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen.
Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter
dikte van eene groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd,
gevuld waren.
„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis.
„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden.
„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat
„obat” (medicijn)?”
„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den
Jang voor, het mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk
beginsel der natuur...” [251]
„Shut!” klonk het allerwegen.
Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit
balletje, lieten dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander.
Daarna werden de schotels omgeruild en de ceremonie herhaald, waarmede,
in verband met de beduiding daarvan op het dualisme der natuur, de
bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken, en
de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het
eene stel millioenen aan het andere! Of er bij het voltrekken der
plechtigheid door den bruidegom eene enkele gedachte aan zijn
slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd?
Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop
twee balletjes, bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van
haren echtgenoot, en noodigde hem met verlokkenden lonk tot eten. Die
daad was de betuiging der jonge vrouw, dat zij gereed was om alle
lasten van het innerlijke huishouden te torsen. Een der oudste
familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche
woorden.
„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen
berichtgever.
„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king,
uit het Boek der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.
[252]”
„Maar, wat beteekent die aanhaling?”
„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De
perzikboom is jong en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze
jonge vrouw gaat naar haar toekomstig huis, en zal uitmuntend hare
huiselijke zaken regelen.””
Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had,
negen beiden andermaal zeer diep voor elkander, en was de
huwelijksplechtigheid afgeloopen.
Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de
kanonnetjes weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen
mertjons, daar joedelde de kapel der Santjoemehsche schutterij, die ook
verschenen was om het feest op te luisteren, hare vroolijkste deuntjes,
daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst en veroorzaakten
dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag zoo
een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen
verondersteld konden worden met buffelleder te zijn gevoerd.
Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh
Kong, staken eerst een paar geurige offerstokjes [253] aan, bogen toen
voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes
in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met
welriekende asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod,
keerden zich de jonggetrouwden om, ten einde de gelukwenschen der
aanwezigen te ontvangen.
Dit gedeelte van het ceremoniëel was niet nationaal. Bij Chineesche
huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben, begeven de
jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne
vertrekken. Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten,
en onthielden de Chineezen zich dan ook, aan die felicitatiën deel te
nemen; maar beijverden de meeste hunner zich om eene verdubbeling van
vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen te
verdrijven.
De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm,
openden den optocht van Europeanen, die zich daar voor de
saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want, al was de bruid ook al
lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige vent”
genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die
plechtigheid bij te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te
jonge dagteekening. Maar, nu twee millioenen van den eenen kant met
twee millioenen van den anderen kant verbonden werden, nu het de zoon
van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu verdrong
zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar,
om het hare oprechte heilwenschen aan te bieden.
Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te
hebben, hen met een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken.
Gelukkig voor de jonggehuwden, dat zij de Hollandsche scheepstermen,
die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen kon, niet verstonden;
gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia haren
echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog
aanmaande. De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen
een einde, en nu was het een handjes-drukken, een gefleem, een geteem,
zoowel ten opzichte van de rijke ouders der jonggehuwden als tegenover
dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van walging moest
beklemmen.
Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch
Theodoor Grenits, noch August van Beneden, noch Leendert Grashuis, noch
Eduard van Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de
jonggehuwden te wisselen. Zij hadden van het algemeen gedrang gebruik
gemaakt om naar buiten te treden. Karel van Nerekool was zelfs in het
geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen overwinnen, dien
hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de
bizonderheden der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij
voorkomende gelegenheid zoo’n ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het
dan ook op bescheidener voet gevierd worden.
Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de
ommegang der feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de
champagnekurken knalden, alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid
wilden aangaan met de buiten steeds knetterende mertjons. Weldra
stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met een
beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de
luidruchtige toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s”
(violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te
voorschijn roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de
slangstukjes en mertjons losbrandden, alsof het de bestorming eener
vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden van dat
ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden.
Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het
menu zorgvuldig door een Franschen maître d’hôtel was opgemaakt
Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte
Chineesche gerechten voorgekomen waren, als Potage Kiemlo à la Tartare,
Potage Printanier à l’ail, [254] Croquettes aux oreilles de rats, [255]
Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang, [256] enz., enz.
De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een luisterrijken
dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche
officieren, waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen
zulke trouwe en nuttige onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats
gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk Bestuur drukte op dat woord
nuttig en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van
toejuichingen. Die laatste toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing,
die een dronk aan mevrouw en den heer Van Gulpendam wijdde, daarbij
Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar echtpaar en
den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en
der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die
edelaardige menschen nog lang aan het hoofd der residentie te zien.
Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat
de muren en zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden
ongevallen plaats gegrepen bij de daverende toejuichingen, die met het
geweld van een orkaan losbarstten. De grond schudde letterlijk onder de
voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van het geschut en
van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte door
het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige
hand gelicht werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift
werden de woorden van den rijken opiumpachter begroet!
Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh
bijgewoond werd. Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een
prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken, waarbij onze gestaarte broeders
het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de pyrotechnie boven de
Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij
voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste
paren het dansterrein.
„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de
resident een paar dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis
heeft gerookt!”
„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach
van voldane ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig
geld gekost. Er is alleen aan champagne voor tweeduizend gulden
gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd gulden. Het vuurwerk,
dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.”
De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling.