Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng, [230] die bergmassa,
welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, aan
Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine
dèsa Ajo, een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den
steilen bergwand voor het oog van de van noord en zuid naderenden, als
in een terreinplooi verscholen lag.
De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel
is waar, werd aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil
oploopend terrein, dat rotsachtig en derhalve slechts met een mager
stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook ter weerszijden was
de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte
rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke
het gebouwtje verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een
vergezicht uit, dat in liefelijkheid en schoonheid uitmuntte, en alles
vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden tekort kwam. Van het
schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk, en
opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest
eischende verbeelding moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het
hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en
slechts met bruin verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid,
vertoonde, waartusschen een paadje grillig slingerde, als wilde het een
wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje, dat kronkelend
en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden
bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het
plantenrijk zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele
boomen met krom verwrongen stammetjes en knoestige takken, later door
meer opgaande vertegenwoordigers van het gebied van Silvanus, om
eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven ettelijke
klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat
allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf.
Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met
hare bruine daken en goudgele omwandingen te midden van het levendig
groen, en spiegelden zich in de Kali Djetis, die de dèsa ten westen
begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht beschreef, om zich met
eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten.
Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama,
dat zich voor de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken.
Was toch de zee kalm, dan strekte zij zich met haar donkerblauw vlak
eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder uit, die daar ginds
zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische
zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige
visschersvaartuigen, die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen,
met hare blanke maar vreemdsoortige zeilen de watervlakte aangenaam
stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door en werd die in zijn
opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen zeil te
bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het
bereiken van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het
afstroomende bergwater ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik
als een blauwen muur voortrolden, om eindelijk zich in eene machtige
krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, en zoo eene
branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel
opleverde, welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, maar ook
ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n
golf overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca” [231] in het klein
vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in
zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden.
Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van
die soort van de meest primitieve materialen, bamboe en atap,
vervaardigd was. Het was eigenlijk slechts een omwand en overdekt klein
vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde eene deur uitgespaard
was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl in de
flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten
verrichten. Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld
was, weten wij niet. De blik van den romanschrijver mag niet altijd de
onbescheidenheid te ver drijven. Hij is gedwongen sommige gevoeligheden
te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren, en hen al de
gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel
stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden;
hij mag echter niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen,
waarin.....
Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die
berghelling eenzaam en verlaten stond, hoe armoedig het zich ook
voordeed, toch onderscheidde het zich van die hutten daar ginds, daar
beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk proper, en
droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche
woning van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch
toezicht daaraan ontbreekt. De Javanen zijn en blijven een Oostersch
volk, en hebben hunne punten van overeenkomst met andere takken van die
groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, Chineezen,
Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden
noemen. Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe
nipah-bladeren, [232] met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe”
[233] (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een
erfje, tot tuintje ingericht, met goed onderhouden paden, door
weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. Ook de bloemperken en de
sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het geheele erfje
ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas” [234]-heg
omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een
bescheiden grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken
ontwaard werden, die door lange touwen aan elkander verbonden, en zoo
tot droogtoestellen ingericht waren voor lijnwaden, voornamelijk voor
vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die er dan ook in vrij
groot getal in den wind wapperden.
In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen
bloempot,—zeer zeldzaam in een Javaansche woning,—waarin een prachtige
struik van Devonshire rozen in vollen bloei, een „tenoenan” (Inlandsch
weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag bamboebankje met
kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met
onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de
ketting op en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel)
met behendige hand heen en weer te voeren. Van ons recht als
romanschrijver gebruik makende, naderen wij, hoewel wij dat huisje niet
vermochten binnen te dringen, steelsgewijze die voorgalerij, en maken
van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid gebruik,
om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om
haar, die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig
arbeidt, is te zien, zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong”
(haspelblok) van het weefgetouw gerold is, en wat zij heden nog
vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar staat, om
dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt.
Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is
niet te zien. Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van
lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde sarong met donkeren grond,
duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele kleur der
handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de
haardos, die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh”
(wrong) tegen het achterhoofd opgebonden werd. Maar... die kondeh, hoe
zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt toch onze aandacht.
Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in
tegenstelling met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed
Javaansche schoonen, bevallig om den wrong; terwijl de kortere haartjes
daaronder sierlijke krulletjes vormen en den lichtbruinen nek, dien wij
bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen.
„Zou het eene nonna [235] zijn?” rijst er in onze gedachte op.
Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar
„tjenella’s” (slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch
hoogst zeldzaam door Javaansche vrouwen en meisjes gedragen worden,
daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend in afmeting
van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche
schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene
beweging, waarbij een hagelwit teentje onder den sarong uit komt turen,
en door zijn verschil in tint met gelaat, hals en handen ons zelfs aan
het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust dat zij
bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk
zich voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en....
„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat
aanschouwd?”
Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen
het jonge meisje het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te
hervatten, worden lichte voetstappen op het pad vernomen, dat van de
dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op, tuurt, kijkt
scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering:
„Dalima!”
Ja, het is Dalima, die daar met vluggen tred het erf optreedt en de
voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje op, en nog voor
dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee
aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander
samensmelten:
„Nana!”
„Dalima!”
Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna
van Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare
nasporingen tot Karang Anjer volgden, maar daar uit het oog verloren.
„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het
Javaansche meisje aan het hart drukte.
„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks.
„Hoe kwaamt gij daar?”
„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.”
„Maar... wat hadt gij daar te maken?”
„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.”
„Te Karang Anjer?.... Maar, wat hadt gij daar te doen?”
„Om Nana te zoeken!”
„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen?
Hebt gij daarvoor die verre reis afgelegd en.... dat in uw toestand?”
Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar
vergezeld van een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing
toeliet.
„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de
gevangenis verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang
moeda”” (jongen heer rechter), vervolgde zij met een doordringenden
blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het hoofd voelde opstijgen,
„heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank zij toean
Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik
aan Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer
was, dat zij van daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen
waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne lieve Nana zich verlaten en
ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk
verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn
toestand,”—voegde zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te
zoeken, ten einde haar mijne diensten te kunnen wijden. Toen ben ik
vertrokken, en...”
„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt.
„Neen, Nana, volstrekt niet.”
„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?”
„Neen, Nana.”
„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens
mijnheer Van Nerekool, maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u
wel!”
„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan
mijne moeder heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.”
„Waar?”
„Wel, te Karang Anjer, Nana.”
„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?”
„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar
gij waart.”
„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?”
„Ja, Nana.”
„En?”
„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij;
maar zij had u beloofd, het aan niemand bekend te maken.”
Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld.
„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij.
„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb
overal gevraagd: bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s
der dèsa’s, bij de gardoe’s en warong’s langs den weg; in één woord
overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende kwam ik in de dèsa Prembanan
aan....”
„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd.
„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene
warong, terwijl een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld
werd....”
Anna bekeek hare matgele handen.
„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de
scherpziende oogen van de waronghoudster konden door de „boreh” [236]
(verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat
gij eene blanke of eene Solosche poetri waart.”
„En verder?” vroeg Anna.
„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring
toetool verwijderd was, nietwaar?”
„Dat is zoo.”
„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.”
„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei
Anna, terwijl zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij
ziet er dan ook wel vermagerd uit.”
„O, maar ik ben sterk, Nana.... Maak u niet ongerust. Te Pring toetool
kreeg ik verdere tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik
nog de tandoe, die u aangebracht had, op het erf van den loerah, en
vernam daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.... wat fraai
is....”
Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met
het gesprokene wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het
Javaansche meisje toch die hut met het residentiepaleis te Santjoemeh.
Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op
elkander leunende, als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd.
„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin
zeer goed begreep; „gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.”
Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan
hare voeten op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van
het blanke meisje. En weldra was het gesprek tusschen de deerns in
vollen gang.
„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden
slechts van Ajo, waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben.
Ik heb dus tijd genoeg gehad om uit te rusten.”
„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg
Anna.
En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van
Nerekool niet vergeten werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed
van het Javaansche meisje gedoogde niet, dat die naam verzwegen bleef.
Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare lippen kwam, als stipt
noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg:
„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet
gezonden heeft, om mij op te sporen?”
„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging
in hare stem.
„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult
maken, dat gij mij gevonden hebt.”
Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij.
„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij
niet bij mij blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen
weet waarheen.”
„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche meisje. „Ik, die
zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!... Niet
bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen
verlaten om bij u te zijn; en... nu spreekt gij er van mij heen te
zenden....”
Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare
stem.
„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet
wegzenden; integendeel, ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de
belofte doen, aan niemand over mijne aanwezigheid hier te berichten.
Wilt gij?”
Dalima wierp zich weenend in hare armen.
„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!...” snikte zij.
„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.”
„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe.
„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den
slagboom niet begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij
opgeworpen is. Nimmer kan van een huwelijk iets komen! Laat u dat eens
en vooral gezegd zijn!”
Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort.
„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna.
„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima
schier onhoorbaar, „door zijn geluk te bewerken.”
„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!”
„Zijn ongeluk?... Vereenigd met u?... O, Nana!...”
„Nogmaals, geen woord meer daarover!... Geef mij nu de hand, Dalima...
Zoo... En gij belooft mij, wat ik van u verg?”
Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone
oogen.
„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana
het zoo wil... dan mag ik niet ongehoorzaam zijn... Ik beloof het u.”
„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een
smartelijken glimlach. „Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij
zult mij o, zoo veel kunnen helpen. Kijk eens wat fraai „kain polèng
mas [237]” ik daar op de tenoenan heb?”
„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de
dochter van een Kandjeng toean resident?”
„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam
Anna weemoedig. „Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik
eene blanke ben. Men houdt mij, gij zeidet het reeds, voor eene
Solosche prinses, die door haren vader verbannen is. O, er loopen
daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het
andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een
half bovennatuurlijk wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid.
En, zelfs de oude vrouw, die mijne geweefde goederen verkoopt, ziet mij
voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin, maagd van het
zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het
geval ware.”
„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima,
terwijl zij hare handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg.
„Gij, een „anak” (kind) van een Kandjeng toean!”
„Die anak van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten,
Dalima. Kom, laat mij voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain
poleng mas is mij besteld, en moet ik zoo spoedig mogelijk afmaken.”
Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer
gaan, terwijl zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig
aandrukte. Dalima keek haar aan, en tranen schoten haar in de oogen.
Dat duurde evenwel slechts kort.
Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de
tenoenan, zoodanig dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en
begon nu te spinnen. Zij legde daarbij zoo eene behendigheid aan den
dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en zeide:
„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij
toch meer op, dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.”
„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet
zonder een zweem van trots. „Gij zult eens zien, ik kan u ook aflossen
bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.”
„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog
een beetje links, hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks
zal ik u, alvorens wij voor het eten gaan zorgen, mijn kunststukken op
dat gebied laten zien.”
Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door,
totdat het tijd werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de
grootste schamelheid, en was geen verfijnd „kokki bitja” (keukenboek)
noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat Nana
zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „bras” (rauwe
rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide,
waschte de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de
koekoesan (mand) in de dandang (waterketel) te vuur, bereidde den
sambal oelak, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en
spaansche peper in pisangbladeren, om er „pèpèsan ikan” van te maken en
roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes
vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was.
„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het
tafelgoed? Dat ik alles klaar zet.”
„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben.
Wil ik niet herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de
gebruiken der dèsabewoners voegen. Daar is mijne tafel, en hier zijn
mijn lepel en vork.”
Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer
in het middenvertrek harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie
vingertjes zien. Dalima zuchtte diep.
„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg
zij. „Hebt gij dan in het geheel geen geld?”
„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,”
antwoordde het fiere meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij
schuil houd, dat ik dat niet doen kan, wanneer ik als eene blanke leef
en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk. Wie weet
daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas
mij het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog
schriel misschien, uitzuinig.”
„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen.
„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom,
terwijl de rijst gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.”
Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene
„gawangan’s” (ramen) stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren,
die alle de stadiën van het batikken vertoonden. Hier was er een,
waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening nog eerst
aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die
teekening reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het
verven te beveiligen. Op een ander raam was reeds de grondverf
aangebracht en was de teekening bij deelen van de wasbescherming
ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal
stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode
verf), [238] met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf)
enz., die gereed waren om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd
waren, opgenomen te worden. Voor alles had Dalima een goedkeurenden
knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was gevuld, zette
dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel
door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef
van hare behendigheid te geven.
„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal
kunnen helpen! Ik zal u zelfs leeren de „aboe kesambi” [239] te
gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie
bloemen gij verkrijgen zult!”
Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een
onderkomen gewaarborgd, een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge
meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid der Javaansche
bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes werkten
en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar
schamel huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij
had in Dalima niet de aanwinst eener bediende, maar wel van eene
vriendin gedaan. Zij zouden elkander tot steun strekken.
Of dat lang zou duren?