De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. [227]

„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover

gebogen hoofd en den blik op den vloer gevestigd.

„Waar zijt gij geboren?”

„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.”

„Hoe oud zijt gij?”

„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.”

„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den

griffier.

Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het

voorloopig verhoor.

„Waar woont gij?”

„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel.

„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?”

„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.”

„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.”

„Engèh, Kandjeng toean.”

„Zeg het ons dan.”

„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,”

antwoordde de Javaan uiterst kalm en steeds met neêrgeslagen blik.

Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen.

„Stilte!” vermaande de voorzitter.

„Stilte!” brulde de deurwaarder.

„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland.

De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk.

Het was alsof hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op

August van Beneden, die hem bemoedigend toesprak:

„Antwoord vrij uit, Setrosmito.”

„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer

gebruik van de bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich

onwelvoegelijke handelingen jegens mijn kind veroorloofde.”

De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne

hoofden. Hij bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door

niemand in de pandoppo verstaan werd, zoodat zijn antwoord geen indruk

maakte.

„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u

voorlezen, waarvan gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de

getuigen verklaard hebben.”

„Engèh, Kandjeng toean.”

Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren

zoo eigen, de voorlezing van de verschillende verhooren bij de

voorloopige instructie opgemaakt. Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met

zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo, zelfs de voorzitter, die

toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde nog

het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde,

eene taal, die door een eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen

wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer stil, om den djaksa tijd te

gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen. Dit ging en zoo

rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling

iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield

den blik onafgebroken op eene plek van den grond gevestigd, frommelde

met beide handen als in de grootste verlegenheid aan de slippen van

zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa hem vroeg of hij

begreep:

„Engèh, Kandjeng toean.”

De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden

onder elkander, en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen

blik aan dat gefluister een einde maken. Onder de toehoorders evenwel

bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel men nu wel niet hardop

praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en daar

vermengd met damesgegiechel, dat aan de waardigheid der Justitie wel

afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder al de macht zijner longen

te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het; maar ook

slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats,

alsof een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde.

„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van

Gulpendam.

„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer

Thomasz.

„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames.

„Shut!...” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door

zijn voorgevel praat. Hij mocht zich eens willen verbeteren.”

„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet

zoo aan het lachen brengen.”

„Ik, mevrouw?”

„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een

droog komiek zijt.”

„Is dat de meening van den resident, mevrouw?”

„Staat het praedicaat u niet aan?”

„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de

substituut-griffier met een gezicht zoo uiig ernstig, dat de schoonen

het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!”

„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer

Greveland eens een ernstigen blik op u werpen!”

„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste

gedeelte der pandoppo.

„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!”

„Of een bittertje krijgen!” riep een ander.

„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!”

„En?...”

„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer)

kreeg ik ten antwoord van dien kanarievogel, die een gezicht zette als

drie dagen west-mousson.”

„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.”

„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had....”

„Stilte!” riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!”

Eerbied voor de Justitie!... Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en...

men verveelde zich doodelijk.

Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag

van den djaksa: „hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze

zijn eentonig klinkend: „engèh, Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog

eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo krachtig mogelijk door de

stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd.

Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als

officier van het Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor

te dragen. Deze, een merkwaardig stuk, kon evenwel slechts hen boeien,

die van de aanhangige zaak niets afwisten.

Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den

bandoelan Singomengolo opgegeven waren. De officier van het Openbaar

Ministerie nam de beschuldiging van opiumsmokkelarij als overtuigend

bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats, waar de sluikwaar

onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje,

waarin zij vervat was, lagen daar als stukken van overtuiging ter

tafel! Hij ging in korte trekken na, tot welke listen de smokkelaars

hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid ten

toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen

geven. Ernstig ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht

hand over hand op Java toenam, hoe die hartstocht vooral voeding vond

door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend, toen hij op de

noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste

staande middelen te breidelen.

„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem

uit, „hoeveel millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks

schatkist ontsnappen, waardoor èn de welvaart van het groote rijk der

blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke wereldzee gelegen, èn

de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java

ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar

bij tientallen te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik

van die schatten kon gemaakt worden, wanneer zij regelmatig en

ongestoord in ’s lands kas vloeiden!”

Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het

woord tot de leden van den landraad richtte, zich naar het publiek

gewend, overtuigd dat zijne woorden daar wel instemming zouden vinden.

Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders, die daar verzameld

waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen,

hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud

zouden zijn, liet hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel

werd vernomen, vele knikken van goedkeuring werden ontwaard, en menige

stem prevelde onhoorbaar zacht:

„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!”

Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet

ontgaan waren, uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters

geene gelegenheid zouden laten voorbijgaan om die slang, die zich ten

koste van de volkswelvaart voedde, te verpletteren, en rekende er op,

dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die zich nog aan eene

andere veel grootere euveldaad schuldig had gemaakt, de zwaarst

mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten

aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de

dankbaarheid van de geheele Nederlandsche natie!

Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo

had met een daverend handgeklap een voorproef van die dankbaarheid

gegeven. Een enkel bravo-geroep werd vernomen, maar onmiddellijk gesust

onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte! stilte!” van den

deurwaarder.

De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte

van de beschuldiging, waaronder Setrosmito gebukt ging,

gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen bandoelan,—welke met

de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte.

Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij,

zijn requisitoir vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich

tegen de huiszoeking verzet had; hoe hij bij het vinden van het

noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor „gemeenen hond” had

gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo

verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort

had, en dien weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel

gehaald had; terwijl moordenaar en vermoorde door een gulp bloed

overstroomd werden.

Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe

sensatie onder de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een

gil in onmacht, en moest naar buiten gedragen worden. Dat gaf eenige

opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen blik achter zich wierp,

om toch te zien, wat er gebeurd was.

„Stilte!... Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen.

Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort

met op de toenemende stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die

voor geen moord terugdeinsden, om hunne sluikwaar te redden. Hij drong

er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude stellen, ter

bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak

niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch

van de straffe des doods door ophanging, of mocht de verdediging er in

slagen verzachtende omstandigheden te bepleiten, tot twintigjarigen

dwangarbeid in den ketting.

Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men

zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een

menschenleven maakt steeds een vreeselijken indruk op de menigte, hoe

wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde aller

monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot

stilstand dwong. Die stilte duurde een korte poos, en was allen

ondragelijk; terwijl niemand zich aan den invloed daarvan wist te

ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan ook aan aller

borst, toen de voorzitter die stilte verbrak.

„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de

„toean-pfiskal” (heer-fiskaal) gezegd heeft?”

De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar

antwoordde niet. Het geheele requisitoir was in het Maleisch

voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner geen woord verstaan had.

Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde zijne

vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op

August van Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen:

„Engèh, Kandjeng toean.”

„En hebt gij daar niets op aan te merken?”

Een nieuwe blik op den advocaat.

„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig.

Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op.

„Stilte!... Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder.

„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij

zich kon doen verstaan.

„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend.

„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en

zoo overluid, dat de advocaat haar hooren kon.

Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te

nemen, het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene

duidelijke stem, die door de geheele pandoppo weerklonk:

„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort

gansch eigenaardig op Java te huis, ja, zou op geen andere plek der

aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch van het Openbaar

Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood, er

moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die

misdaan heeft moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het

land der vergeldingswet: Oog om oog, tand om tand! Maar, zelfs

tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig, staat het recht

van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere

wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den

ongelukkige, die voor u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te

maken.

„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar

Ministerie zijn uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan

den rampzaligen in de clementie van de rechtbank aan te bevelen. Maar,

neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben met eene verdediging, die

door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene andere

meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de

gronden te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen

voeren, dan wij zoo even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene

onverdeelde aandacht.

„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige

advocaat met sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan

den ijver, aan de toewijding, aan het schrandere begrip van een man,

van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid spreken kan, omdat ik

door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben.

„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit

was, toen de feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak

op zich, om naast de instructie, die van wege den officier van Justitie

ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij begonnen had, voort te

zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen der

bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der

procedure aangetroffen worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd.

Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden aan te roeren hebben, in

onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor te

eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk gedeelte van uwen kostbaren

tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak van den

ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te

constateeren, dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en

dat ik volkomen authentieke afschriften daarvan, door den Gouverneur

van Atjeh en door den Directeur van Justitie te Batavia behoorlijk

gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen.

„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een

sierlijke beweging zoowel naar de leden van den landraad als naar het

publiek, „kent Willem Verstork, en zou ik kunnen heenglijden over de

edele eigenschappen, welke het karakter van dien landsdienaar sieren,

ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht Mr.

Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh

aankwam, op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de

onkreukbaarste ambtenaar is, die de achting en liefde van al zijne

ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet, heeft weten te verwerven;

dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne moeder en

zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen

tegenspraak te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij

is de rechtschapenste mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie

beweegt.”

Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap,

was het antwoord van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij

aan den eenen kant mevrouw Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten

toorn op elkander deed klemmen, maakte zij den deurwaarder schier

waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren deed.

„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een

onzer verdienstelijke ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel

vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn hamer de noodige stilte

verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke

betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen,

daar ik anders verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!...

Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken met uwe verdediging voort te gaan.”

„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich den tijd te nutte

gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater

te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar

Kaligaweh. Hij herinnerde zich Racine’s vers:

Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux,

Un perfide assassin, un lâche meurtrier!

„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig

overtuigen. En allerwegen vernam hij, dat de man, die daar voor u zit,

gebukt onder de zoo zware beschuldiging, welke wij gehoord hebben, een

onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam landbouwer,

een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen

hier op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het

zachtmoedigste der aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk,

dat het met fiskalische wreedheid op de schouders is gelegd. Ik heb

hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono van het district

Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de dèsa

Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden

dan Setrosmito, vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik;

maar dat hij toch die keuze moest ontraden, omdat de eenvoudige

sawahbewerker niet lezen of schrijven kon.

„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen

te geven zijn, voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar?

„Opiumsmokkelaar!... O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen

omgaat. Gijlieden weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh

gebeurt. Gij keert het hoofd af, wanneer gij dat woord hoort!

Opiumsmokkelaar!... Waarop grondde het Openbaar Ministerie die

beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring

van een bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die

door de publieke opinie, als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op

niets anders dan op dat doosje, dat daar ligt, hetwelk Singomengolo bij

den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,... het is nog zoo lang niet

geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen,

afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen

genoopt zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie

diezelfde man volgens zijne verklaring een dergelijk doosje zoude

gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt die verklaring van den

bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van de

baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel,

hoort ge? Door geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen,

die onweêrlegbaar blijken. Ik neem al weer mijn toevlucht tot de

geschriften van Verstork. Luistert:

„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich

aan de hut van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem

dat gereedelijk toegestaan, nadat die drie zich aan de gewone visitatie

hadden onderworpen. [228] Toen werd niets gevonden, ook niet onder het

pandan-matje van de baleh-baleh. Dat hebben mij de twee

politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de

huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De

laatsten betuigden zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild

was geworden, en dat de Chinees het hoofdkussen, hetwelk daarop lag,

nauwkeurig doorzocht had.”

„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van

Verstork’s schriftuur vervolgen:

„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich

niet aan de gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde

Setrosmito en zeide: „dan zal er wel opium in mijn huis gevonden

worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs van dat alles, door den

kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.”

„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de

Chineesche bandoelan, toch een slimme vogel, tot twee keeren niets

gevonden had! Is dat duidelijk of niet?

„Opiumsmokkelaar!.... De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging

ver, ver wegwerp, niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in

opium-procedures worden soms de vreemdsoortigste bewijzen

aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig en het slachtoffer

is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo

gewoonlijk gebezigd worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet

worden, of wanneer een ellendeling zich wreken wil.

„Opiumsmokkelaar!... Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren

toeleg gewezen op de millioenen, die door den sluikhandel voor de

schatkist verloren gaan. Wiens hart heeft niet getrild bij de

ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het dan ook van niet

edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel

verloren, maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet

in doosjes, waarin slechts voor luttele waarde geborgen is. De

millioenen, die gesloken worden... Och, heb ik wel noodig aan te

wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden, uw

mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê

gemeente met hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om

ongelukkigen, die hen hinderlijk zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik

wel noodig die namen, die op aller lippen zweven, te herhalen? Och, wat

zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke

college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne

onthullingen aan den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het

gegeven? Vraagt u dat af.”

Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste

woorden, aan welke hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen

in het brein zijner toehoorders te dringen. Het was stil, zeer stil in

die ruimte, en schier ademloos zat de menigte daar, de woorden van den

jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder den invloed

van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de

toestand, zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk

monopoliestelsel in het leven geroepen is, zooals hij door haar met

allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.”

„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging

August van Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken

hem ook van die aantijging te zuiveren, zooals ik dat van het eerste

deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad is gepleegd. Het slachtoffer

ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede de daad volbracht

werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft

afgrijselijk plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door

de keel van den verslagene gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet

onduidelijk; toch heeft het de verdediging daarmede meer dienst gedaan

dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht, nadeel heeft

kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe

komt een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u

deed kennen, tot zoo eene daad van woest geweld?

„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat

onderzoek heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald.

Laat mij u mededeelen, wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij

plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie heeft mij daarvan het

voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen, die het

gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak,

die ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!”

En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid,

welks weêrga men nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel

Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij sprak niet alleen, hij

bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw Van

Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat

drama, hetwelk hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel

wervelbeentje het geheele geraamte van een antediluviaansch monster te

voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die

rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe

Singomengolo weigerde zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men

woonde het bij, hoe de aterlingen het schamele, huisraad het onderste

boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden bij de losbandige

handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen; men

hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder,

maar aanschouwde tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van

Singomengolo had afgewend, en hoe deze van die verstrooiing gebruik

maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar te voorschijn te

brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den

ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam verleidde; hoe

die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord

werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den

ongelukkigen de hand naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik

de kreet van de kleine Kembang weerklonk, en den toestand van het

zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi stond

van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader

onthulde;... dat alles ging voor de oogen der rechters, der

toeschouwers voorbij, en maakte diepen indruk op aller gemoed.

Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd

door den advocaat met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven

werd door hem, hoe de aterling in stede van aan dat bevel te

gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop het „sterf

dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting

vervulde.

Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller

harten hingen aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij

de geest van het treurige drama was, dien hij door zijn woorden

opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele rede, die in het

Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd

steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich

langzamerhand naar zijn verdediger gewend en zijn blik diep

doordringend op den jongen man gevestigd. Neen, hij verstond dien

woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar zijn

geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige

gebaar, dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht

tintelende oogen knikte hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen

over zijne wangen biggelden.

„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde

hij hoorbaar te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de

Javaansche hoofden en strekte de armen smeekend uit.

„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August van

Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar

afgebakend te hebben, de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een

mensch doodde, maar niet anders deed, dan op te treden in een

noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?” Wat zal

dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen

op dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te

vrijwaren van de snoodste mishandeling, die in het bijzijn van een

vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.... het geldt de opiumpolitie,

hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken, dat

iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die

opium-politie het schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou

ik in volle wanhoop uitroepen: wee der natie, welke zoo’n aterling

bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de rechtsbeginselen met

voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!”

Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg

brachten. Het was of eene huivering allen daar in die pandoppo

overviel.

„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar

Ministerie wendende met klimmende zeggingskracht voort, die de

huivering tot rilling deed overgaan. „En nu, ga voort, gij! Stapelt de

eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een voetstuk van,

trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer

gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus,

uw oor niet zal kunnen bereiken!

„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u

eenmaal bereiken. Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij

gebreke van den bliksem des Allerhoogsten, de euveldaders, de

aanbidders van den opium-afgod verpletteren!

„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere

stem, maar toch met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te

wederstaan was, tot de leden van den landraad. „Wat u betreft, stelt u

in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen straks tranen vergoten,

toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste. Stelt u

voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van

doodsangsten die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan

heeft en in dezen stond ondergaat; dan zult gij eenigermate de

onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen

moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer gij over

eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader,

die zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult

weergeven.”

Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder.

Het was reeds laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel.

Een benauwende warmte heerschte in de pandoppo, en drukte loodzwaar op

de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering allen bevangen had,

welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef te

klemmen.... Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte,

die door enkele snikken afgebroken werd.... Toen barstte eene algemeene

toejuiching los, die het dakgebinte tot in den nok deed trillen, en die

de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem ook was, onvermogend

was, tot bedaren te brengen.

Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle

instemming met het gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de

voorzitter andermaal dreigde het lokaal te zullen doen ontruimen!

Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom

medegesleept gevoelende, die de geheele beschuldiging verzwolgen had,

poogde de djaksa te verwerven, dat de zitting verdaagd werd. Maar die

poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken betreurenswaardigen

indruk die verdaging zoude teweeg brengen.

In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas

Wirio Kesoemo niet anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij

prevelde, zonder dat hem eenige aandacht geschonken werd, ettelijke

omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van de

noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij

stotterde, draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij

eenige oplettendheid verworven had.

Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar

recht tot antwoord gebruik wenschte te maken.

Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting.

„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou

kunnen zeggen, zou slechts den indruk verzwakken van het gesprokene

door het Openbaar Ministerie, wien de beklaagde nog meer dan aan de

verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd zal zijn!”

Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat

het heilige boek voorschreef.

„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit. „Die man

heeft gedood, die man moet sterven!”

Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw

gevallen,” mompelde men.

De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange

poos verschenen zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd

vonnis voor, waarin, na een ontelbaar „aangeziens” en „overwegendes”

eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken werd.

Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van

Beneden toe, om hem geluk te wenschen met de behaalde overwinning.

Zelfs de voorzitter, wel verre van thans die algemeene geestdrift te

stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den steeds gehurkt

zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat door

den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik

op den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte,

terwijl hij eenige onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor

August voldoende. Daarin was zich niet te vergissen: dat was de blik

van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo mompelde eene stem: „De

gerechtigheid der blanken is groot!”

Een oogenblik later was de menigte uit elkander.

„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik

ben nog onder de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij

het aangelegd, om de Inlandsche leden van den raad onder uwen invloed

te krijgen?”

„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het

Maleisch voorgelezen!” [229]

„O, zoo! Nu, dat is leuk!”

De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude

regent van Santjoemeh zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd

had:

„Gij zijt een braaf mensch!”

Baboe Dalima · 第 77 / 94 题