IN DE REGENTS-PANDOPPO.

Daags na die proefneming zou het een merkwaardige dag zijn voor de

ingezetenen van Santjoemeh.

De landraad vergaderde toch, en zou heden na de te voeren pleidooien

uitspraak doen in de zaak van Setrosmito,—den vader, zooals men weet,

van baboe Dalima,—die beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op

een bandoelan in de uitoefening zijner functiën gepleegd, in de

gevangenis zijn lot zat af te wachten.

De getuigen waren gehoord, en de beschuldigde had bekend een Chinees

met zijn kris gedood te hebben; maar hardnekkig ontkend, dat hij

schuldig was aan opiumsmokkelarij.

Geheel Santjoemeh was op de been, althans het Europeesche gedeelte;

want men wist, dat August van Beneden pleiten zou. Wel was onze

rechtsgeleerde reeds in de zaak van baboe Dalima als pleitbezorger

opgetreden, maar had zich daarbij meer tot aanwijzingen bepaald, en

zich minder als redenaar ontwikkeld; zoodat zijne thans te voeren

pleitrede als zijn maidenspeech kon beschouwd worden. Daarenboven had

hij in gezellige kringen en bij verschillende andere gelegenheden

genoegzame bewijzen van redenaarstalent gegeven, om te doen

veronderstellen, dat men heerlijke oogenblikken van kunstgenot zoude

doorbrengen. Er werd bij verteld, dat de gepleegde moord aanleiding

gevonden had in onbetamelijke handelingen, door den vermoorden

bandoelan jegens het dochtertje van den moordenaar gepleegd. Het

Santjoemehsche publiek was vrij wel op de hoogte van de

afzichtelijkheden, die zich de bandoelans bij de visitatie aan den

lijve gewoonlijk veroorloofden, zoodat een ieder het er voor hield, dat

zeer pikante zaken gehoord zouden worden, en overtuigd was, dat de

jeugdige rechtsgeleerde, die van ijver voor den dienst van Themis

blaakte, de gelegenheid niet zoude laten voorbijgaan, zonder den vinger

te leggen op de opiumpacht, die snerkende brandwonde voor de Javaansche

maatschappij, die schande voor de blanke overheerschers.

De pandoppo van de regentswoning, waarin de landraadzittingen plaats

hadden, was dan ook reeds lang voor den tijd der opening gevuld. Zelfs

dames waren verschenen [214], en onder haar de schoone Laurentia van

Gulpendam waarschijnlijk ter wille van de kiesche dingen, die gehoord

zouden worden. Het talrijke bediendenpersoneel dier pandoppo keek

verwonderd op; want, dat was aan zoo’n toeloop niet gewend,—gewoonlijk

toch blonk het publiek bij dergelijke zittingen door zijne afwezigheid

uit.—De „boedjang’s” (bedienden) hadden de handen vol met het aanbieden

van stoelen, en waarachtig die kwamen weldra te kort, hoe weelderig zoo

eene Kaboepatèn (regentswoning) ook gemeubeld is.

Ware het avond geweest, en hadden de kroonlampen, die in die pandoppo

hingen, met heldere vlam geschitterd, dan had men aan een gezellige

bijeenkomst kunnen gelooven, of beter nog aan een séance van een

goochelaar of zoo iets. Aan het einde der ruime hal bevond zich toch

eene verhevenheid, drie trappen hoog, waarop eene vrij groote tafel,

met groen laken bekleed, bevracht met een dik boek en allerlei

overtuigingsstukken, en omgeven met een aantal stoelen. Een

politie-oppasser, die blijkbaar, uit houding en gelaat af te leiden,

het gewicht zijner functie begreep, stond op post bij die tafel, om de

profanen daarvan verwijderd te houden. Wanneer een spotvogel dien man

opgedragen had zijn sabel te trekken, zou hij voorzeker het roestige

stuk ijzer met edelen zwaai uit de scheede voor den dag gehaald hebben.

In afwachting van de komst van de leden van den landraad, kortte de

menigte den tijd zoo aangenaam mogelijk. Men begroette elkander, men

lachte, men kortswijlde, men praatte, en gedroeg zich daar in dien

tempel der gerechtigheid als in een café-chantant gedurende de pauze.

„Goeden morgen, mevrouw Van Gulpendam, komt gij ook eens eene zitting

bijwonen?”

Het was de heer Thomasz, de substituut-griffier, die heden, omdat de

griffier zelf fungeerde, en amateur een kijkje kwam nemen, en dus van

de gelegenheid gebruik maakte, om de schoone Laurentia zijne hulde aan

te bieden.

„Goeden morgen, mijnheer Thomasz,” antwoordde de residents-vrouw,

terwijl zij hem hare fraaie hand reikte. „Ja, ik kom ook eens kijken.

Ik heb nimmer eene landraadzitting bijgewoond. Ik ben wel nieuwsgierig.

Het zal wel interessant wezen, nietwaar?”

„Dat denk ik ook, mevrouw. Hoewel voor mij, de getuigenverhooren meer

pikants opleverden.”

„Dat kan ik denken. Maar... die afschuwelijke moordenaar zal zeker

veroordeeld worden?”

„Dat is nog zoo geheel zeker niet, mevrouw.”

„Niet?”

„Neen, wel sluit het requisitoir van den hoofddjaksa als een bus; maar

sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de

landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn, [215] speelt

eene ziekelijke philantropie den baas, en het zou mij niet verwonderen,

dat deze booswicht vrijgesproken werd, vooral nu....”

„Ja, ik weet wat gij zeggen wilt, mijnheer Thomasz,” viel Laurentia hem

in de rede. „Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling

zal gaan pleiten [216]. Het is ongehoord! Maar, wie betaalt dien

advocaat, mijnheer Thomasz?”

„Shut! mevrouw. Dat is een geheim!”

„Een geheim?... Gij schijnt het toch te weten. Kom vooruit! met wat gij

weet. Voor de vrouw van den resident moogt gij geen geheimen hebben.”

Thomasz glimlachte even.

„Laten wij even op die estrade gaan,” zeide hij, „dan kan niemand ons

hooren.”

Beiden stapten de verhevenheid op, naderden de tafel en hielden zich,

alsof zij de voorwerpen, daarop uitgespreid, bekeken. De

politie-oppasser wachtte zich wel der njonja resident en den

toean-kripier dat te beletten.

„Welnu,” vroeg Laurentia, „nu kunt gij spreken. Wie betaalt dien

advocaat?”

„Een kongsie, mevrouw.”

„Van Chineezen?” vroeg de schoone Laurentia onstuimig.

„Dat heb ik niet gezegd, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier

met eene buiging.

„Eene kongsie van wie dan?”

„Van Europeanen, mevrouw.”

„Gij kent ze! O, loochen dat maar niet. Ik zie het op uw gezicht.”

„Stil, mevrouw, daar naderen een paar dames den trap.... Zie,” sprak

Thomasz overluid, „dat is de kris, waarmede de moord geschied is. Het

bloed zit nog aan het gevlamde lem. Daar, die zwarte vlek.”

Mevrouw Van Gulpendam greep het wapen.

„Zeg mij de namen,” zeide zij zacht.

„Ik weet maar een. Van Nerekool....”

„Van Nerekool!.... Altijd die Van Nerekool!” siste de schoone vrouw

tusschen de tanden.

En zich naar de pandoppo wendende:

„Henriëtte! Henriëtte!” riep zij tot een der genaderd zijnde dames.

„Kijk, hier is de kris, waarmede de moord gepleegd werd.”

De geroepene trad met hare vriendin de estrade op. Het was alsof de

politie-oppasser een pas vooruit wilde doen. Een trotsch gebaar van de

schoone Laurentia weerhield hem.

„Is dat de kris?” vroeg Henriëtte.

„Ja,... Zie, zoo.... dwars door den strot,” zei mevrouw Van Gulpendam,

met het wapen een vervaarlijken zwaai makende, die de dames deed

achteruit stuiven.

„De schoone Laurentia is inderdaad schoon!” prevelden een paar

jongelieden tegen elkander. „Kijk die houding eens, die buste, dat

trotsche gelaat, die hand, welke den dolk omklemt. Net Lady Macbeth!

En, kijk dien onberispelijken voetwreef eens!....”

„Ja, zij poseert!” antwoordde een ander. „Zij weet, zij gevoelt, dat

wij haar bewonderen.”

„Wees niet bang,” ging mevrouw Van Gulpendam voort. „Kijk, hier zit het

bloed van het slachtoffer, nietwaar mijnheer Thomasz?”

„Ajakkes!” riepen de beide dames. „En durft gij dat aanraken, lieve

mevrouw?”

„Waarom niet?” antwoordde Laurentia hooghartig, terwijl zij den kris

kletterend op de tafel smeet. „Dat ding bijt niet.”

„Dat is zoo, lieve mevrouw,” zei Henriëtte. „Maar de gedachte alleen,

dat daarmede een mensch vermoord is....”

„Slechts een Chinees!” antwoordde mevrouw Van Gulpendam neusoptrekkend.

„Is een Chinees dan geen mensch, lieve mevrouw?”

„Maar zoo wat,” was de meening van de trotsche Laurentia.

„Goed, dat Lim Yang Bing of Lim Ho u niet hooren, mevrouw!” merkte de

heer Thomasz op.

„O, met die is het wat anders!” hervatte de hooghartige vrouw.

„Dat zijn de opiumpachters!”

„Dat zijn de millionairs!”

Die beide uitingen waren door de twee andere dames met de aan haar

geslacht eigen beminnelijkheid gezegd, welke Laurentia onaangenaam

kittelde. Zij liet er evenwel niets van ontwaren.

„Ja, het is waar ook,” sprak Henriëtte, de beminnelijkheid vervolgende.

„Waar zijn die twee Chineezen? Kijk, daar is de kapitein-Chinees, daar

is ook Kam Tjeng Bie, de rijke handelaar; maar de opiumpachters zie ik

niet.”

„Die zullen zich wel wachten heden de landraadzitting bij te wonen!”

antwoordde een der andere dames.

„Ja; want die hebben genoeg te doen met de toebereidselen voor de

bruiloft, die eerstdaags zal plaats hebben,” liet mevrouw Van Gulpendam

als ’t ware achteloos volgen.

„Is de moordenaar niet de vader van baboe Dalima?” vroeg Henriëtte,

„welke Lim Ho beschuldigd heeft van....”

„Allemaal praatjes, liefste Henriëtte!” viel Laurentia in, „en daarvan

mag men in het babbelachtige Santjoemeh geen tiende voor waar aannemen.

Maar.... mijnheer Thomasz, wat is dat voor „gollokh” (kapmes), die daar

op tafel ligt? Heeft de moordenaar dat ook gebruikt? Er zit bloed aan.”

„O, dat is eenvoudig kippenbloed,” antwoordde de substituut-griffier.

„Kippenbloed?” vroeg Henriëtte lachende.

„Ja, lieve mevrouw, dat is de „gollokh soempah.””

„De gollokh soempah?”

„Het eeds-kapmes in onze taal, mevrouw. Het is daarmede, dat de

Chineezen den eed afleggen.”

„Hebt gij dat wel eens gezien, mijnheer Thomasz?”

„Dikwijls, mevrouw.”

„Toe, vertel eens. Hoe gebeurt dat?”

„Och heel eenvoudig, dames. De te beëedigen getuige wordt door den

Chineezen tolk en vergezeld van een der leden van den landraad buiten

gebracht bij een houtblok. Daar wordt hem den gollokh ter hand gesteld,

waarmede hij een zwart kuiken op dat houtblok den kop afhouwt. Niets

meer en niets minder. Het is eene handeling zonder beteekenis, die,

wanneer men haar voor den eersten keer ziet gebeuren, een zeer

bespottelijk figuur maakt.”

„Waarom een zwart kuiken, mijnheer Thomasz?” vroeg Henriëtte.

„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier. „Maar,

gij weet, dat het wit de rouwkleur der Chineezen is.”

„Dat’s waar ook. Maar... eene zwarte kip?... Dus zou er toch eene

beteekenis ten grondslag van de handeling liggen?” hernam Henriëtte

nadenkend.

„Het is mogelijk; maar ik heb ze nimmer kunnen ontdekken, hoeveel

navraag ik ook bij de tolken en bij de Chineesche hoofden ingesteld

heb,” antwoordde de heer Thomasz. „Er bestaat evenwel een andere

Chineesche eedsaflegging, dames, die in zeer wichtige gevallen gebezigd

wordt. Die is niet van beteekenis ontbloot.”

„Bestaan er wichtiger gevallen, dan voor den rechter getuigenis der

waarheid af te leggen?” vroeg Henriëtte schamper.

„Zeker, mevrouw!”

„Wichtiger dan het geven van getuigenis, waarvan de veroordeeling en

het leven van een mensch kan afhangen?”

„Zeker, mevrouw!”

„Die ben ik wel benieuwd te hooren!”

„Bij voorbeeld: de groote eed, die door het gouvernement gevergd wordt

bij de aanstelling der Chineesche officieren.” [217]

„Zoo, is dat wichtiger?” vroeg Henriëtte met een schaterlach.

„Die groote eed wordt ook, evenwel zelden, bij zeer belangrijke civiele

gedingen gevergd. [218]

„Waarbij het de dubbeltjes geldt, nietwaar? Dat begrijp ik. Maar toe,

vertel ons iets van den eed.”

„Gaarne, mevrouw. Ik weet er evenwel niet veel van. De eed, daarbij

gebezigd, is ontleend aan den eed, dien men in China aan vorsten en

hoofdbeambten bij hunne aanstelling oplegt, en bestaat daarin, dat de

persoon, die den eed aflegt, het door hem betuigde op een rood papier

schrijft en het alles met de zwaarste vervloekingen, die bij onwaarheid

of bij het niet nakomen hem zullen treffen, beëedigt. De eedaflegger

brengt dit papier in gezelschap van een paar officieren zijner natie,

en van een paar tolken naar de Pen-ta-King [219] (tempel), waar hij

door een drietal Chineesche priesters den „King-Long” (tempelheer) en

den „Low-tsoe” (meester van den wierookpot), bijgestaan door een „Thao

kew”, (hoofdman) bij den ingang ontvangen wordt. Die priesters zijn

gekleed in een soort van miskleed van roode zijde, niet ongelijk aan de

koorkappen der Roomsche priesters bij sommige gelegenheden. Evenwel is

daarop eene graphische voorstelling van het Cosmogenische Eerste

beginsel [220] in gouddraad geborduurd. Zoodra in den tempel

aangekomen, legt de eedsaflegger het beschreven roode papier op de

„Hijeng Keng” [221] (offertafel) tusschen een aantal brandende kaarsen,

eenige flesschen wijn en wat gebak, die tot offerande bestemd zijn,

voor den „Tao-peh-kong” [222] (afgodsbeeld) neder. De priesters

schreeuwen dan gedurende een poos eenige gebeden, waarbij zij bij

sommige passages geducht de schel bengelen. Daarna leest de

eedsaflegger het geschrevene op het papier met luide stem voor, terwijl

alsdan vlijtig wierook gebrand wordt. Eindelijk brengt hij het papier

bij de vlam van een der kaarsen, en laat het op de offertafel tot asch

verbranden. Daarmede is de plechtigheid uit. De priesters schreeuwen

nog wel hunne onaangenaam klinkende neusklanken; maar de

gecommitteerden en de beëedigde maken dat zij buiten den tempel komen.

Ziedaar dames, het weinige, wat ik heb kunnen waarnemen. Ik hoop, dat

ik een verstaanbaar begrip van die plechtigheid medegedeeld heb.”

„Wij danken u zeer, mijnheer Thomasz,” antwoordde Laurentia, terwijl

zij hem minzaam een handje toestak, maar intusschen den trotschen blik

over de verzamelde menigte in de pandoppo liet waren.

„Naar wien zou zij kijken?” prevelde een der jongelieden beneden in de

ruimte.

„Naar mij niet, helaas!” antwoordde zijn toespreker. „Misschien

naar....”

„Toean, toean darie rad!” (de heeren van den raad) kondigde een

politie-oppasser aan met eene stem, alsof een Fransche huissier het „la

Cour, messieurs!” uitgegalmd had.

De naam van hem, naar wien de schoone Laurentia kon uitgezien hebben,

bleef onuitgesproken.

En inderdaad, daar uit een der vertrekken van de bijgebouwen, waarop

men van uit de pandoppo tusschen de „kree’s” [223] door uitzicht had,

verschenen een paar Europeesche heeren, een paar Javaansche hoofden en

een paar Chineesche officieren, die zich in plechtstatigen optocht naar

de pandoppo begaven, en op de estrade plaats namen.

In de eerste plaats verscheen Mr. Greveland, de opvolger van Mr.

Zuidhoorn en voorzitter van den landraad, daarop volgden Radhen Mas

Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, de regent van Santjoemeh, Radhen Pandjie

Merto Winoto, de patih, en babah Thang Ing Gwam: de majoor der

Chineezen, welke drie de leden van den landraad uitmaakten. Daarop kwam

Mas Wirio Kesoemo, de hoofddjaksa, waarachter de griffier trad; terwijl

de stoet besloten werd door Hadjie Moehammad Kassan, de panghoeloe of

priester.

De voorzitter was gekleed in de rechterlijke toga met bef en barret, de

griffier in zwarten rok en witten pantalon, de Javaansche leden van den

raad natuurlijk in hun nationaal kostuum: kort buisje met staanden en

met goud geborduurden kraag, daaronder een met idem geborduurd vest,

eindelijk de fraai gestikte sarong in fijne plooitjes voor den buik

geordend, en het hoofd, behalve met den hoofddoek ook met den „kopja”

gedekt, dat vormlooze tooisel, hetwelk op een eindje kachelpijp gelijkt

dat met smalle gallonnetjes versierd zoude zijn. De majoor-Chinees was

in het mandarijnen-pak gestoken, dat in vorm zooveel van een Roomsch

miskleed heeft, hetwelk evenwel, zoowel aan den voor- als aan den

achterkant, met een monsterachtigen draak in goud geborduurd op het

lichtblauw laken zou prijken. Zijn hoofd was getooid met eene soort

pet, ook van lichtblauw laken, die veel van eene barret had, maar

stijver was en die op den eenigszins verheven bol een pluisje of

kwastje vertoonde, waarin een veelvlakkige schitterende blauwe steen

ontwaard werd.

De panghoeloe was in de Arabische chlamyde gehuld, eene soort lange

jurk van donkere stof, die hem tot aan de hielen reikte. Hij had een

vervaarlijken grooten tulband op het hoofd, die aanduiden moest, dat de

man het graf des Profeets bezocht had, en dus „Hadjie”

(bedevaartganger) was. In zijn handen hield hij een boek, dat er niet

zeer zindelijk uitzag. Dat was de Koran.

Op de trappen van de estrade, ter weerszijden van de tafel, namen

ettelijke Javaansche jongelingen plaats, die natuurlijk ook in het

nationaal costuum gedost waren, evenwel geen kopja droegen. Dat waren

de „mantrie’s” gewoonlijk jongelieden van aanzienlijke geboorte, die

toeluisteren en zich oefenen kwamen, om later in staatsdienst te kunnen

treden. Zij zaten daar op die treden met voor zich gekruiste beenen en

hadden hun schrijfbordje op de knieën rustende, gereed om de snuggere

opmerkingen op te teekenen, welke aan de vergetelheid moesten ontrukt

worden.

Mr. Greveland zat natuurlijk voor het midden der langwerpige tafel.

Rechts van hem zat de regent, en links de griffier. Naast den regent

zat de djaksa, die den panghoeloe aan zijne rechterzijde had. Naast den

griffier zat de patih en naast dezen de majoor-Chinees. Deze plaatsing

was stipt volgens de etiquette, waarop de meeste Oostersche volkeren

zoo gesteld zijn, bepaald.

Een oogenblik, nadat die rechterlijke stoet had plaats genomen,

verscheen August van Beneden, ook gekleed in de toga, en nam op

aanwijzing van den voorzitter plaats aan het uiteinde van de tafel

naast den majoor-Chinees. Het was een eigenaardige aanblik [224], welke

die pandoppo van de regentswoning thans opleverde.

Zooals gewoonlijk, was het een ruime loods, welker hoog dak op een

achttal pilaren rustte, en dus aan de zijden geheel open was. Tot

tempering van het schelle licht en ook om de onbescheiden blikken van

buiten te weren, waren de vakken tusschen de pilaren door groen

geschilderde kree’s beschermd, terwijl bovendien achter de leden van

den landraad nog een zeildoek gespannen was.

Vlak achter die leden zaten eenige Javanen nedergehurkt, die belast

waren, met de dichtgeslagen pajoengs der Javaansche hoofden in de hand

te houden, evenwel zoo, dat die emblamata van gezag achter hunne

meesters goed zichtbaar waren.

Zooals die raad daar zitting nam, die als type kon gelden van de

rechtbanken voor de Inlanders op Java [225], vertoonde hij een

wonderlijk mengelmoes van de drie grondbeginselen, welke het

Nederlandsche bestuur min of meer, maar steeds uiterst behendig, tracht

te behartigen. Vooreerst het Europeesche recht, vertegenwoordigd door

den voorzitter, dan de Inlandsche gewoonten en gebruiken, die vergen,

dat de beide raadslieden uit Javaansche grooten, als het kan, uit

edellieden bestaan, en eindelijk het Musulmansche recht, waaromtrent de

priester de leden op de hoogte moet brengen.

Tusschen de estrade en de eerste rei stoelen was eene betrekkelijk

groote ruimte gelaten, zonder dat evenwel een zweem van afsluiting te

bespeuren was. Ter weerszijde van die estrade stonden een paar

politie-oppassers met hunne gele uitmonstering en met hunne sabels op

zijde, die aan gele bandelieren bengelden. Die Javanen schenen vrij wel

met hunne figuur verlegen. Zij waren niet gewoon bij dergelijke

gelegenheden zooveel publiek te zien.

Dat de schoone Laurentia in het midden der eerste rij stoelen had

plaats genomen, verwonderde niemand. Die plaats kwam haar als

njonja-resident toe. Naast en onmiddellijk achter haar hadden zich de

voornaamsten van Santjoemeh, of die zich daarvoor hielden,

gerangschikt. Daarachter vulde eene bonte menigte de pandoppo, die

evenwel sedert dat de landraad binnen gekomen was, fluisterend met

elkander sprak.

Eduard van Rheijn, Karel van Nerekool en Leendert Grashuis ontbraken

natuurlijk niet, en hadden op de derde of vierde rij plaats genomen,

vanwaar zij een goed overzicht hadden.

„Kijk Thomasz zich eens aangenaam bij de schoone Laurentia maken,”

merkte Van Rheijn op.

„Ja, hij zet zijn beste beentje voor,” antwoordde Grashuis.

„Het is met hem tegenwoordig koek en ei in het residentiehuis,”

prevelde een jongmensch, die achter onze vrienden gezeten was.

„Er loopen al zeer zonderlinge praatjes,” fluisterde een ander.

„Ja, in Santjoemeh zijn de praatjes niet zeldzaam,” zei Van Rheijn

glimlachend. „Santjoemeh zonder chronique scandaleuse is ondenkbaar.”

„Drommels, als het er naar gemaakt wordt!”

„En als de waarschijnlijkheid een handje medehelpt!”

„Zoo, gaat ge dan op waarschijnlijkheden af, wanneer het de eer van

eene vrouw geldt?” vroeg Eduard stekelig.

„Men verhaalt, dat de tusschenkomst van ’Mbok Karjå ingeroepen is.”

„En, als dat afzichtelijke wijf ergens in gemoeid is, ja, dan...”

„Men?” vroeg Van Rheijn. „Wie is die „men”? herhaalde hij ongeduldig.”

„Wel iedereen.”

„Daar hoor ik toch niet bij!”

„En ik ook niet! betuigde Grashuis.

„Shut!.... Laurentia schijnt iets te hooren,” fluisterde Van Rheijn.

„Zie haar eens de ooren spitsen!”

„Wat ziet Van Beneden er deftig uit in zijn toga!” zei Leendert

Grashuis hardop.

„Die japon flatteert hem niets,” zei Van Rheijn. „Hij zit er in als een

parapluie in zijn foudraal!”

In dit oogenblik keerde zich Mevrouw Van Gulpendam om, en monsterde met

een blik den groep jongelieden daar achter haar. Allen bogen diep bij

wijze van groet. Minzaam beantwoordde zij dien. Van Rheijn evenwel werd

met een innemenden glimlach begunstigd. Gold die zijne vergelijking van

Van Beneden met een parapluie?

„Olijkert!” prevelde een der achter hem zittenden, en gaf hem een

lichten stomp in de zijde. „Geeft ge daarom zoo af op die „men”?”

„Schei toch uit met dien nonsens! Je moest je schamen!”

„Hebt gij al een invitatie gekregen?” vroeg Grashuis, om het gesprek

een andere richting te geven.

„Welke invitatie?”

„Om de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van Lim Ho bij te

wonen.”

„Ja, die heb ik gekregen.”

„Ik ook.”

„En, ik ook.

„Een rare gewoonte,” zei Van Nerekool, „die receptie ten huize van den

bruigom te houden.”

„Dat is zoo geheel afwijkend van hetgeen bij westersche volkeren plaats

heeft.”

„Zooals alles, wat bij de Chineezen voorvalt,” zei Eduard van Rheijn

lachende. „Het is bij hen alles averechts. Zij hebben wit voor

rouwkleur, blauw voor halven rouw; hunne dames dragen pantalons en de

mannen waaiers; zij laten messen, lepels en vorken aan ons barbaren

over, en goochelen hun maal met een paar stokjes heel behendig naar

binnen; zij hebben een afschuw van eene pen, maar schilderen hunne

gedachten met een penseel in loodrechte zuilen op het papier; zij

meenen dat de nakomelingen de voorouders tot adellijken stempelen,

zoodat men bij hen na den dood graaf of baron kan worden; zij betalen

hun dokter, wanneer zij gezond, maar weigeren betaling, wanneer zij

ziek zijn. Laat die menschen dan ook bruiloft houden bij den bruidegom

in stede van bij de bruid.”

Een algemeen gelach begroette dien koddigen uitval van den

aspirant-controleur, die niet zacht gesproken had. Zelfs mevrouw Van

Gulpendam stemde met het gelach in, en knikte hem vriendelijk toe.

„Ziet ge wel, gelukkige sterveling, in welk goed boekje ge staat?”

„Shut... heeren. Daar komt de moordenaar!”

„Zoo zonder boeien?”

„Jawel, de wet vergt, dat de beschuldigde vrij en frank voor zijne

rechters verschijne!”

„Maar verbiedt niet, dat de suppoosten in zijne nabijheid blijven.”

„Shut!....”

Mr. Greveland had een slag op de tafel met den houten hamer gedaan.

„Deurwaarder, zorg dat er stilte heersche!” sprak hij met waardigheid.

Deze een sienjo, liep door de pandoppo op en neer, en beijverde zich

stilte te verkrijgen.

„Shut!... Shut!... dames en heeren!... Shut!” schreeuwde hij, en maakte

daarbij alleen meer leven dan het geheele gezelschap bij elkander.

De voorzitter klopte herhaaldelijk met zijn hamer.

„Stilte!” werd er geroepen.

„Stilte!... Shut!” herhaalde de deurwaarder; terwijl hij bedarend en

smeekend de armen uitstak, alsof hij òf zwemmen òf een storm bezweren

wilde.

Eindelijk gelukte het al die tongen, al die monden in bedwang te

krijgen. Een der minst volgzamen was de schoone Laurentia. Voor wie zou

zij zich ook als residentsvrouw te ontzien hebben? Die heeren van de

rechterlijke macht zijn ook zoo aanmatigend!.... Maar eindelijk hield

ook haar gekakel op.

„De zitting is geopend!” sprak de voorzitter plechtig; terwijl hij

andermaal een slag met den hamer deed hooren.

„Suppoost, laat den beschuldigde nader komen.”

Setrosmito werd door een der politie-oppassers tot bij de trappen der

estrade voor de tafel gebracht, waar men hem deed nederhurken. De man

zag er ellendig uit. Wie hem vroeger gezien had, zou hem waarlijk niet

herkend hebben. Die lange maanden, welke hij in de gevangenis

doorgebracht had, hadden hunne werking waarlijk niet gemist. Hij was

verschrikkelijk vermagerd; het bruin zijner gelaatskleur was in een

fletsgrauw overgegaan; zijne lange haren, die bij vlokken onder zijn

hoofddoek uitkwamen, waren grijs, schier wit geworden. Hij zag bij zijn

voorwaarts treden schuchter rond, sloeg een smeekenden blik op August

van Beneden, die hem bemoedigend toe wenkte, en hurkte toen gelaten

neder. Bij zijn verschijnen voor de estrade was een hartverscheurende

gil van: „Allah! tobat!” (Ach God!) opgegaan, die een streng: „diam!”

(stilte!) aan den deurwaarder ontlokte. Daar achter stonden ettelijke

Javaansche vrouwen, die de echtgenoote van Setrosmito, welke de zitting

had willen bijwonen, vergezelden. De laatstbedoelde had dien gil, welke

ieder hoofd had doen omwenden, geslaakt, toen zij den ongelukkigen, in

wien zij haren echtvriend ternauwernood herkende, had zien voortreden.

Van Nerekool snelde naar de arme vrouw toe, liet haar door een der

bedienden van den regent een soort tabouret geven, en bracht haar tot

bedaren.

„Nu stil zijn, ’Mbok Dalima,” [226] sprak hij. „Anders kunt gij hier

niet blijven.”

Snikkend verborg het arme schepsel het gelaat in hare beide handen.

Allerwege werd gemompeld:

„De vrouw van den moordenaar!..... Arme vrouw!”

„Stilte!” brulde de deurwaarder.

Baboe Dalima · 第 74 / 94 题