EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT.

„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de

buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.

„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde

en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder

weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen

heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten

blijken, betwijfel ik zeer, en....”

De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.

„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als

gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn

koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar,

donnerwetter...”

„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op

de aloon-aloon?”

De Pool bloosde tot achter zijn ooren.

„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.

„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar

gewandeld, en dan....”

„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”

„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.

„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”

„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg

Grashuis.

„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna

zitten,” zei Van Beneden.

„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. „Een echte sfinx,

die mij te pakken had.”

„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en

andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar,

pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”

„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,”

verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem

aan huis te komen.”

„En?” vroegen allen.

„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.

„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.

„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato....” wilde Van Beneden

vragen.

De Pool liet hem daartoe geen tijd.

„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.

„Uwe overplaatsing?”

„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”

„Maar, waarheen?”

„Naar Gombong.”

„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een

allerliefst plaatsje.”

„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van

Rheijn.

„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong?

Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen

slechts spaarzaam beoefend.”

„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.

„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar

voort.

„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met

een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende.

„Dus niet over zee?”

„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan

Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn

hart verloren.”

„Te Gombong?” vroeg Murowsky.

„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw Anna van

Gulpendam wel?”

„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind

niet kennen?”

„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het

hart van onzen vriend medegenomen.”

„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat

Nederlandsche woord vergissende.

„Vindt ge?” vroeg Grashuis.

„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel Karel van

Nerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.

„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het:

experientia optima rerum magistra (de ervaring is de beste leermeester

der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”

„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”

Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde

barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl

Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde.

„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje

geopend had.

Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:

„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de

snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam

is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw

zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen,

die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder

deze is het product geheel waardeloos.”

„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.

„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.

„Als ik maar niet meê behoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet

de waarnemingen verrichten.”

„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.

„Waarom gij eerder dan een ander?”

„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes

uit te slapen.”

„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet

morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”

„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak

van Setrosmito.”

„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad

zouden wij ongaarne missen.”

„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.

„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”

„Welaan dan, ik ben gereed.”

„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.

„Ik ook nog niet,” voegde Eduard van Rheijn er bij.

De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe

te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij

zorgvuldig in een zakboekje op.

„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”

„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.

„Vijf en twintig mata’s!”

„Mata’s? [210]... Oogen?” vroeg de Pool.

Allen barstten in lachen uit.

„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft

het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies,

het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat...”

„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De

zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”

Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de

maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.

Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en

heengegaan was, ging de Pool voort:

„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.

„Uitkleeden?” vroeg deze.

„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het

bovenrif kunnen zien.”

Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een oogenblik daarna terug

in het traditioneele nachttenue van Nederlandsch-Indië.

De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den

pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met

den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die

borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje

uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij

die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te

kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten

hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits

kon een glimlach niet weerhouden.

„Waartoe al die poespas?” mompelde August van Beneden Leendert Grashuis

in het oor.

„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?”

vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”

„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?” was de vraag van Grenits.

„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne

stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef

begonnen worden.”

Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit

op.

„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat....

Wanneer hebt gij het laatst gegeten?”

„Om half een, de gewone rijsttafel.”

„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn

horloge keek. „Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke

dranken gedronken?”

„Niets, als een enkel glas pale ale.”

De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.

Eduard van Rheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en

twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de

palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een

stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten

einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde

pilletjes te kunnen rollen. Dat ging onzen aspirant-controleur vrij

handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met

genoegen onderricht gegeven.

„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen

ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen [211]?”

Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te

voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat

drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene

uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het

gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis

een klein aarden pijpenkopje aangebracht.

„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik

aangeschaft heb.”

„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was,

waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”

„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp

zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de

pijpenkop met „tahi madat” [212] aangeslagen is, hoe heerlijker het

schuiven moet zijn.”

Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de

bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een

knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan

uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende

het hoofd op een niet te zacht kussen.

„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis

lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien

hebben.”

„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn

krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.”

Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in

den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat

op den bewusten avond de schuivers had zien doen.

„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”

Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut

met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop

aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af,

maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72,

ademhaling 24, temperatuur 37,5.

„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”

Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop

naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich

eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders

aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.

„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.

Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe

overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen,

waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de

onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.

„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.

„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.

„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is

een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”

De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van

Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje.

„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat

toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de

neusgaten te doen uitkomen.”

„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk

zoet, die rook.”

Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te

slikken, hem een poos binnen te houden, waarna hij hem in fijne

krulletjes langs den neus liet ontsnappen.

Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25,

temperatuur normaal.

Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:

„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren

vervangen.”

Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij

eene lichte neiging tot slapen ondervond.

Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond

die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een

poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn

denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang

overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij

kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd

door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky

dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam,

en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg.

Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor

vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de

negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van

den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong

in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer

andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen.

De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de

ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder

hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden;

want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer

langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag

met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik

helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij

verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij

evenwel geene beschrijving wist te geven.

„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”

Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de

variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den

schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon,

ieder accoord genoot, in zich opnam.

„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer

spelen, nog meer rooken!”

Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het

verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit,

en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s

vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde,

dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene

passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en

vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een

glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem

gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te

worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.

Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken

moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij

geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken

kunnen voortgezet worden. Dokter Murowsky constateerde, dat de

polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel de conjunctiva

(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden

zwaar en de oogen zelven gesloten waren.

Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door

het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet

meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht

met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat

er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.

Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken

scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden

vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen

opende was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.

Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’

bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke

betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met

zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich

bevond, antwoordde hij:

„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer

voorheen ondervonden heb!”

Terwijl de dokter opteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols

70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene

verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort

met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky,

of hij niets verlangde, antwoordde hij:

„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is

eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!... Zoo moet de proef mislukken!”

Een oogenblik daarna riep hij uit:

„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is

toch de pijp?”

„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat

bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”

„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor

in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der

proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3° toegenomen

is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst

voor de wetenschap.”

Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener.

Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg

te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden

prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest

dierlijken wellust getuigden.

Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde

hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde?

„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”

Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende. Hij hield Grenits’

pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak

uitgestrekt lag op diens borst.

„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.

Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn

handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het

wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle

omstanders hem met verwondering gadesloegen.

„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die

proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die

heupbewegingen eens!”

Maar de Pool had daar geen ooren naar.

„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap

moeten wij voort!”

Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn

wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg

hij Theodoor’s bewegingen gade. Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en

keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was

wanhopig, dat de patiënt zoo weinig sprak.

„Grenits! Grenits!” riep hij, „hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij

den patiënt tegen den neus knipte.

Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.

„Hoort ge mij?... Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van

ongeduld.

Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.

„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”

„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.

„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”

Hij boog zich nog verder over den patiënt, en wendde het

belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn

hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in

staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren.

„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij

voortging Theodoor tegen den neus te knippen.

„Wat ik gevoel....” bromde deze.... „wat ik gevoel... O! het is nog

heerlijker dan...........” [213]

„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet

een einde komen!”

Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat,

greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van

Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit.

„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan

komen!”

„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.

Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand

begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de

ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot

38,6. De patiënt was zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze

taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer

opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de

handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.

„De pijp?... Waar is de pijp?.... Van Rheijn, waar is de pijp!”

schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en

onsamenhangende uitdrukkingen.

Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den

cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem

het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd

met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken,

en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen.

Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien

drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon

hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die

hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon

eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken

zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij

Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de

lichaamswarmte 37,4° bedroeg.

„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij

hem doorbrengen.”

De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen.

Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich

bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet

medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel

ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug

en copieus genoeg laten bedienen.

Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij

had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn

opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe

te zenden.

De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans

onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als

verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens

verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was

volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later

op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming

gezinspeeld werd.

„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal

aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor den geest staan.

Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen

woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met

geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlog à

outrance aan de opium!”

Baboe Dalima · 第 72 / 94 题