Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het
aloon-aloon-plein van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek
van het aldaar in garnizoen zijnde bataillon infanterie hooren. Vele
rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op dat plein, dat door
zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer langen
tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den
westmoesson aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch
verdroogd, en tot donkerbruin verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier
en daar kloven en reten vertoonde, gespleten als zij was onder den
invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den dag was
de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde
nog slechts achter de kruinen der Kanarie-boomen, die met haar
donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare
slagschaduwen over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson
heerschte langs Java’s noordkust, ritselde in het gebladerte, bracht
overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan, en temperde de
warmte, in de middaguren opgedaan.
Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders
als Europeanen, zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was,
alsof een ieder zijn deel van de vrij goede muziek, zijn deel van de
frissche lucht wilde hebben.
Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met de Europeesche
ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te zijn
in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene
leemte. Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone
Laurentia, in een fraaien landauer met een paar prachtige Sydneyers
bespannen, op de aloon-aloon verschenen, en knikten allerwegen met de
meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden daar ambtenaren
van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur,
ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van
het garnizoen, met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende
bureaux, met de koryphaeën van den handelsstand, van het
nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld van hunne
echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat
bij dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd
en vroolijke geaardheid als het ware een cachet van opgewektheid aan
dergelijke bijeenkomsten in de open lucht bijzette, en dan ook de
fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes oogstte.
„Waar zou Eduard van Rheijn toch zitten?”
„Waar Leendert Grashuis?”
„Waar August van Beneden?”
Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen
kruisten.
„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?”
„O, die zit in de nor.”
„In de nor?... Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,... dan
is het duidelijk, waar de anderen zitten!”
„Die houden hem gezelschap.”
„Dat ’s buiten kijf.”
„Het is een troepje trouwe vrienden.”
„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien... Maar...
daar wandelt Mokesuep!”
„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij
zijn cilinder afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.”
„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!”
„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho...”
„Shut!.... geen cancans!”
„Zijn dat cancans, wat geheel Santjoemeh weet?”
„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?”
„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename
kermis zou te huis komen!”
„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!”
„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!”
„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen...”
„Dan zal hij doen evenals de resident... en...
„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.....”
„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: Le lever du soleil...”
„Van wien?.... Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!”
„Stil nu, luistert!”
Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene
algemeene fuga het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd
was, en de muziektonen in een plechtig koraal wegsmolten, dook de
werkelijke zon achter de westelijke heuvelen van Santjoemeh weg.
„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester
heeft te diep in het glaasje gekeken!”
Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten.
Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad.
Van Nerekool, Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de
geestigen van Santjoemeh de drie jongelieden noemden—waren Grenits
gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin hij sedert eenige dagen
opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk nadat
zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog
stond, en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe
vrienden hadden zij die wandeluren, de kostelijkste van eene geheele
week, wel voor den armen gevangene over, eene opoffering, die hare
belooning in zich zelve vond.
Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had
volstrekt geen naargeestig voorkomen, en was wel het minst geschikt, om
aan een gevangenis te doen denken. Het was eene niet al te groote
kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche
steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen
konden gesloten worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren.
Voor die kamer strekte zich eene vrij breede galerij uit, welker
architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat weelde niet waar?—wel
eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel van
hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures
waren. Die galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito
vertrekken, die een zelfde doeleinde hadden, als waarvoor Grenits hier
was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid te berooven. De
galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie
sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van
veelkleurige bloemen ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd
gevormd door de verschillende gebouwen, die de eigenlijke gevangenis
uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken waren;
zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant
werd ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele
zuilenrij prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene
fraaie collectie rozen, die de meest uiteenloopende variëteiten van de
koningin der bloemen te zien gaf, van de dikke, dubbelde Persische roos
af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos en de altijd
groene roos toe.
Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene
nette tafel, eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen
Japara-meubelen [201]—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige
medaillon-portretten aan den wand, eene fraaie hanglamp aan het
plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van fijn gespleten
rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest
genoemd worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had
laten brengen. De slaapkamer, die vlak naast het beschreven vertrek
lag, en door middel van een binnendeur daarmede in verbinding stond,
was even smaakvol gemeubeld, zoodat Theodoor Grenits zijne
gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding
vond, om „Mes Prisons” [202] of iets dergelijks te schrijven.
„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de
eerste maal, dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet
gissen, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het
achter het slot houdt.”
„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn.
„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden.
„Waar hier aan de overzij?”
„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt
gij wel anders spreken.”
„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was.
„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure
geuren gauw verjaagd zoudt worden. Die menschen liggen daar
opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel te klein voor zooveel
gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is niets
anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den
vloer wedijvert, dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te
erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair wel te verstaan—des nachts nog
vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers van het
tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten.
Voegt daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een
paar ronde en zwaar getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt,
zoodat het er uiterst bedompt en tamelijk schemerachtig is, dat de
wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met bloedvlekken, die er
streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander nog
meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners tegen den muur
platgedrukt werden, met sirihspuw [203] en met andere nog meer
walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? dat
ik u zoo’n bezoek afraad.”
„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek,
en walg er nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw
jongen heeft straks een pakje gebracht.”
„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het?
„Daar, op de piano.”
„Vrienden,” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende.
„Hier hebt gij een fonkelnieuwe bedoedan. Ziet een smetteloos
pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een
partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.”
„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar?
Hoeveel tjandoe hebt ge?”
„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.”
„Dat is in Nederlandsch gewicht?”
„Drommels, laat zien.... Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.”
[204]
„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis.
„Te veel, Leendert.”
„Maar Von Miclucho Maclay [205] gebruikte honderd en zeven greinen bij
zijn merkwaardige proef.”
„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven
greinen zijn nog maar achttien mata’s en eene breuk.”
„Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.”
„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” antwoordde Van Rheijn.
„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons zoo gezellig bij
elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.”
„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen,
welke uitwerking het opiumrooken heeft?...”
„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.”
„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere
gedachte voorgezeten hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou
ik deelnemen aan eene proef, alleen om.... ja, hoe zal ik mij
uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden of waar
te nemen.”
„Ik ook niet,” sprak Van Beneden.
„En ik ook niet,” zei Van Rheijn.
„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar
eens herinnert, wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.”
„Poeah! Poeah!” riepen de anderen.
„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei
Van Nerekool hoogst ernstig.
„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,”
sprak Van Rheijn, „namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.”
„Ja, maar.... wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,”
meende Grashuis.
„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den
civiel ambtelijken dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar
niet de faculteit,” zei Van Beneden.
„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn.
„Komaan, biecht op!”
„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.”
„Murowsky, de Pool?”
„Murowsky, de slangentemmer?”
„Murowsky, de kapellenvanger?”
„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een
weinig eerbied voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij
is de meest merkwaardige entomoloog, dien Indië ooit bezeten heeft, en
dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche vorsten en vorstjes
zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden te
verleenen voor iedere compleete of niet-compleete verzameling van
opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal walgelijke
insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet,
dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van
geleerdheid zal verleenen, waardoor ze tot de merkwaardigste van de
geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze Pool was verrukt, toen hij
ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik hem verzocht de
proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en
minimum thermometers meêbrengen, ook zijn stethoskoop. Hij zou de
dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring waarnemen, en...
wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij zal
uitkramen!”
„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op.
„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden.
„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van
Rheijn. „En voor niets ter wereld zou hij de uitvoering op de
aloon-aloon willen missen. Daarenboven hij is „sakit rindoe” (verliefd)
op Agatha van Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het
plein zijn.”
„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.... duiten
ook!”
„Ja, de Polen zijn niet dom.”
„Maar, wanneer komt hij nu?”
„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn.
En een zijner deugden is: dat hij stipt woord houdt.”
„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van
August van Beneden.
„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde
wees.
En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek
gemengd had, was opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij
gedachteloos eenige accoorden aangeslagen, eenige motieven
gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten
aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk l’Absence van Tal, en
vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers.
„Neen,” zeide Eduard van Rheijn, „geen muziek! Gij ziet er de
uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En,
zoo iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als
deze.”
Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van
Nerekool de handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het
hoofd diep voorover boog, riep hem Eduard:
„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting,
dat Murowsky komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork
ontvangen heb.”
„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl
hij opstond en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord
op mijn schrijven.”
„Ik ook niet,” zei Van Beneden.
„En ik ook niet,” zei Grenits.
„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het
veel te druk daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is
thans de eenige civiele ambtenaar in die militaire wereld.”
„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand
gebracht werd,” merkte Grashuis op.
„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits.
„Het zal niet lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als
Robinson Crusoë op zijn eiland, met geen andere aanrakingspunten dan
die der kogels met de omringende ingezetenen.”
„Kom, Theodoor, geen politiek!”
„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar
hebben wij Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het
water. En toch geldt het daar het innigst belang van vaderland en
kolonie, die....”
„Schei uit! Schei uit!”
„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne
gasten, die mij, armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten,
geene conversatie opdringen, die hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp
niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen heeft. De Inlandsche
bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk
overvalt....”
„Alweer?... Schei uit, Theodoor!”
„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging Grenits voort, „en
voor de gamelle der marine te zorgen hebben?”
„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn
ietwat spijtig. „Het is net, alsof ik over den handel in madapollams
wilde medespreken.”
„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld.
Schoenmaker, houd je bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat
schrijft hij?”
„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te
zeggen, dat ik hem een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die
in zijn vroegere contrôle-afdeeling Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en
welke invloed de meêgaandheid van den tegenwoordigen controleur op den
toestand der bevolking aldaar heeft. Hij antwoordt daarop, en gij kunt
wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet rooskleurig zijn.
Luistert maar:
„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de
verhoudingen te Banjoe Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De
akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken aan de orde van den dag, de
opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och! och! Is dat
alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en
al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden
toch niet in eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort
bestek zoo verschillend voor, als gij die beschrijft, dan zijn er toch
voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest, om tot zulke veranderingen
aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik niet altijd
gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan
ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te
gaan. Wel is waar, is het mij niet te wijten, dat de bestaande
opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd. Zij bestond reeds, toen ik te
Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen de afmetingen nog
niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel
dèsalieden in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen
aantoonen, dat die kit geen reden van bestaan had, dat zij in geene
bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds gedaan; maar zwak,
vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde
kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede
en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij
als verzachtende omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden
was als ambtenaar de rijks-inkomsten te vermeerderen; dat, door het
opiumverbruik niet in den weg te staan, ik meêhielp het nadeelige saldo
voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral niet van
wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp
te verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik
zou pogen paal en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou
verbrijzeld geworden zijn, wanneer ik den vinger naar dien kurk van het
nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben; dat mijne dierbare
familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld
vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende
verwezen zouden zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude
zijn; dat alles baat mij niets, geeft mijn geweten geene bevrediging.
Want, onverbiddelijk als een streng geweten kan zijn, doet dat mij de
aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar te
kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik
toch bij eede bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben
geen keer....
„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te
verheugen, dan zou ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo,
den afschuwelijken bandoelan, die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft.
Maar.... waartoe zich verheugen?... Voor hem zal weer een ander
gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich zal
nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het
zijn moet, te scheppen, en het Gouvernement?... het Gouvernement??...
nu ja,... dat steekt de op gruwelijke wijze verkregen penningen met een
glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk applaudisseert.”
„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits
sarcastisch.
„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet
gedaan te hebben,” vervolgde Eduard van Rheijn onverstoorbaar zijne
lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het stellige
voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik mij
tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel
zooveel mogelijk te beschermen. Maar... maar, die gelofte is gauwer
gedaan geworden, dan wel volvoerd. Want, wie heb ik hier te Atjeh te
beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier rondom mij krioelt,
lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na, wat
hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de
bevolking stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen
vooruitdrongen. Toen die opperofficier naar Nederland terugkeerde,
hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen volkomen
verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de
strook tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van
Marassa uitzonderen wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden,
die zich evenwel volstrekt niet verslaafd aan het opiumgebruik
vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel verbeterde de
toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed de
bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het
benarde Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te
verschaffen, en daarin ook meesterlijk slaagde, zoo werd zijne positie
nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden geene andere
aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en
dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om
elkander op het allervinnigst te bestoken.... Gij weet het, althans de
geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het eerste, wat onder de
plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is niet een
bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste
zegeningen van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was
nog niemand aanwezig om opium te rooken, toch moest er een pachter
zijn!... Waarom?... Zie Eduard, wanneer ik mij die vraag ernstig stel,
dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks geschiedde,
om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van
gelduitgeven voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van
geldverdienen ging aanbreken. Gij zult u nog herinneren, hoe de
dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen in 1875 vernomen
werd, dat het recht tot den verkoop van opium in het klein te Atjeh
192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht had. Zij, die
nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein
niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde
bate zou hebben.
„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn,
wanneer slechts opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven
Marassanen. Wanneer toch aangenomen zou kunnen worden, dat daarvan alle
mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet waar is; onder den
kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan zoude
dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk
16,000 gulden ’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken
zij opium, in stede van dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de
pachter ook nog de van Gouvernementswege verstrekte opium te betalen
heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, dat hij
leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig
mag aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen
minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden
[206] Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas
bezorgde?
„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard:
„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde
alhier, over wie ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge
van de hoogst gebrekkige kampementen en bivouacs, onmogelijk voldoende
toezicht te houden was; terwijl van repressieve en nog minder van
preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers van den
opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en
verwaardigden zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de
gelegenheid er voor bestond, ook de kleeding van den verlokte tegen het
vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij nu, waarde vriend, waarom de
verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot zijn geweest,
zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en
gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven?
Begrijpt gij nu, een der redenen, waarom het Indische leger zóó
gedemoraliseerd is, dat,—rekent men de krijgsmacht te Atjeh niet mede,
die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen van
geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat
van tegenweer te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet
overdreven genoemd mag worden, de bewering te uiten, dat van dat leger
bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer koloniën door een
westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is.
„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat,
wanneer hij, afgericht en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld
wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte aan de uitgaven, welke zijne
verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt u dan af, of
het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke
fictieve baten te hulp riepen.
„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de
verbruikers van het vergift, door het vaderlijke Nederlandsche bestuur
langs wettigen weg beschikbaar gesteld. De Chineesche arbeiders en
landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te Malakka, te
Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege
aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten
landstreek te bevolken, leverden een ander contingent, en een groot
ook, aan de opiumschuivers, en derhalve ook aan de vlottende bevolking
der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie zal het wagen de
onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen,
door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te
dichten?
„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en
zijn de bedienden van officieren, van ambtenaren, van leveranciers. En
al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten voor vervanging en
verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd
worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse
teweeggebracht, te Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene
onveiligheid voor have en goed heerscht, waarvan gij u op Java moeilijk
een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt kunnen vormen.
„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota
Radja, waar te nemen is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en
om de opiumkit, in en om het plekje, waar het vergift langs wettigen
weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt, is eenvoudig niet
weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te
Kaligaweh, nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de
meest bedorven verbeelding zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen
volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst, waartoe de Macaosche
hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk zijn,
veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen.
„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet
langs wettigen weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden.
Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk land bevond zich destijds, en
bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd [207]. Geen
handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s
kust naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een
betrekkelijk gering toezicht voldoende om te beletten, dat ook maar een
enkele taël [208] clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte
van het Atjehsche rijk aan wal gebracht kwam, of komt. Er was toen, en
er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite te nemen, om het vergift
te weren [209]. Maar neen, dat vooral wilde men niet, en wil men nog
niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen genomen worden, om de
opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking van
het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben.
Ook moest der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met
een bate, die te Atjeh werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk
en op financiëel gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel
te bereiken, is men er niet voor teruggedeinsd, de militaire macht en
andere landsdienaren te vergiftigen, te démoraliseeren, ja aan de
grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter wille van het
uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek van
den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de
zegeningen van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs
wettigen weg vergiftigd zal worden.
„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal
worden om mijnen plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet
behoeven uiteen te zetten. Die plicht kan toch met dien van ambtenaar
onmogelijk overeen gebracht worden....”