Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro
doorslingert, stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en
veerkrachtigen pas voorwaarts. Het Javaansche meisje was eenvoudig in
sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare gewone netheid en
zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg zij
een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en
waarschijnlijk eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog
opmerking verdiende, was: dat zij niet blootvoets, maar met een soort
sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg scheen te kunnen.
Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en
haar uiterlijk duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter
den rug had.
Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver
van Kaligaweh verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis?
Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten
inwon omtrent nonna Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres
naar Karang Anjer gegaan, en daarna spoorloos verdwenen was, werd haar
oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij haar het plan, om van
haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel weinig
begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen,
zoo’n gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte,
dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en
getrouw liefderijk wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar...
Karang Anjer lag zoo ver, zoo onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds
niet ver van de groote zee, in de nabijheid van het gebied van Ratoe
Lårå Kidoel [184], hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat
schrikte haar niet af. Zij zou moedig de reis aanvaarden, en koen
voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd werd, langs
brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende „mer-api’s” [185],
langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s”
(bosschen). Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild
gedierte niets te vreezen. En zij was niet bang voor slecht volk; want,
wat zou bij haar vermoed kunnen worden? Zij zag er zoo armoedig uit,
dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij haar wat te rooven
viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig
bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had,
en nu in het pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had
nonna Anna haar toch eenig geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd.
Ook August van Beneden en Karel van Nerekool hadden zich beijverd, het
arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer zij haar in de
cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen.
Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij
dacht aan de toekomst. En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig
guldens, die zij, alvorens te vertrekken, tegen „katip’s” (dubbeltjes)
en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen „roepiah’s”
(guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien,
hetgeen wellicht begeerlijkheid zou kunnen opwekken.
Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een
oogenblik doen aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat
toch bespaard om de onkosten te bestrijden, die hare bevalling
noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een „doekoen” (vroedvrouw)
noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar kindje
zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen
voor de muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij
had toch bij de familie Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo
daarachter had liggen slapen. Zeker, haar kindje zou ook zoo’n klamboe
gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór, èn eenigen tijd nà
hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten eten;
want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel
zorgen had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog
steeds in de gevangenis zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat
geld was zij gehecht; want zij begreep, hoe jeugdig zij ook was, dat de
nood hoog zou kunnen stijgen... Maar, al die overwegingen verdwenen, nu
het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar... de toestand,
waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen?
Daaraan dacht zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche
vrouw, dank zij hare onbekendheid met het noodlottige corset harer
noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt beschouwd als een
verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg
gelegd heeft. [186] Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog
veraf. Zij had nog ruim vier maanden voor zich. En zou dan hare taak
niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet gevonden hebben,
of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.... welnu, zij kende de
liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar
toestand haar in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan
iedereen gaan vertellen, op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt
was. Zij wist, dat zij in dien grooten nood wel een beschermend dak zou
vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame hand zou
bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al
had zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel
gevonden hebben om haar plan ten uitvoer te leggen.
Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van
Gulpendam, misschien wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh
opgezocht, en haar iets van „obat mentellang” [187] in het oor
gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen
opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan
hare vroegere njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom
van belangstelling in het lot van het Javaansche meisje, duidelijker
gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk gebaar veroorloofd
had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging,
welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en
haar gedreigd, dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij
zich weer vertoonde. Neen, het kind, dat zij onder het hart droeg, was
geen pand der liefde; het was geen afgebeden, zelfs geen gewenscht
kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. Hoevele
Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product
eener schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor
een moord terugdeinzen, om zich van dien noodlottigen last te ontslaan?
Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk geen schuld aan de misdaad zijns
vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij zou het opkweeken,
zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat het
onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, gunde zij het
met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot
zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had
kunnen hebben van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der
beschaving over!
En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder,
die haar geheele bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken,
en was nu, na een achttal dagen ijverig doorgestapt te hebben, het
einddoel der lange reis meer nabij gekomen.
Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den
panghoeloe, den dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene
zwerfster, die haren vader te Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het
oog op haren zichtbaren toestand, verwees haar dan steeds naar de eene
of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich niet altijd
hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar
integendeel hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en
nog menige „katoepat” [188] aan haar pakje bond, om onderweg te
verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die gastvrijheid ten deel.
Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg ingewonnen
had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de
nacht inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een
plaatsje op de „baleh-baleh” (ligplaats, brits) van de eerste de beste
gardoe, wat haar niet geweigerd werd.
Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een
dicht bosch, de zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte
bladerendak werd het donker, ja schier zwart. Het pad was nog alleen te
houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle strook van het
hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was,
zich in de richting van den weg uitstrekte, en waartusschen de sterren
fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij
spitste de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v.
hanengekraai of het rythmisch geluid van het rijsttombokken, dat van de
nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, niets, niets! Hoe zij ook
uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe doemden
maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!”
hooren eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de
laatste schemering van het daglicht, hetwelk in het westen op het punt
was te verdwijnen, begroette.
Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de
wildernis alleen ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van
den „harimao” (tijger) aangetroffen wordt. [189] Als echt natuurkind
nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom
haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te
dikken boom, die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een
ernstige hinderpaal voor die gymnastische oefening; maar zij volbracht
die klautering bedaard, omvatte den boom met beide handen, steunde de
voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar voor
beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken
bereikt had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid.
Een „toetool” (panter) toch valt in den regel den mensch niet aan, en
een harimao, dat wist zij, klimt niet in de boomen. Zij maakte het zich
op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg waren, om haar te
dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats konden
strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren,
viel haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want
dan liep zij gevaar haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te
vallen. Daarenboven, die takken, waarop zij zat, en de stam, waartegen
zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen pijnlijk
drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar
dat gaf slechts kortstondig verlichting. Zelfs beproefde zij op
Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar zij had bij het klimmen
hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe oneffenheden van den
bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding
onverdragelijk maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren,
bosch-muskieten, houtkevers, enz. haar kwelden, en zij niet altijd de
handen vrij had om hevige jeukingen, door dat lastig gedierte
veroorzaakt, te bestrijden.
Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar
geld, hare geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent
bekommerde zij zich weinig. Menschelijke wezens zouden toch op dat uur
niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden die nu wel
niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel
ongedeerd laten liggen.
Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht
van verlichting, het zwakke schijnsel, dat den oostelijken
gezichteinder eindelijk begon te tinten.
Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had
zij zeer verdachte geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het
doffe en angstverwekkende „hoeh! hoeh!” van een harimao gehoord te
hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, hoe onduldbaar
zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist
in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar
voortsluipende, onrustig en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan
naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden dorst te lesschen, om
voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan in een
woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij
zou, zij moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de
zon boven den horizon gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk
licht te beschijnen, en het verscheurend gedierte naar zijne
schuilhoeken te jagen.
En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw,
die den dageraad met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het
avondrood gedaan had. Dalima begreep, dat de tijger niet ver was.
Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de
lichtstrook in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren
van lieverlede verbleeken. Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht
rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al meer en meer naar het zenith
optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, en haar naar het
binnenste van het woud deed terugtrekken.
O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd
lang! En geen wonder; want haar lijden was schier duldeloos. Zij
draaide en wrong hare verstijfde ledematen. Zij keek ongeduldig rond.
Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij
haar pakje en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar
boven haar heerschte reeds het volle licht, en jubelde een talrijk
vogelenkoor in de bladerenkronen, om de komst van de dagvorstin te
verheerlijken.
Wat kwam die toch langzaam!
Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen,
terwijl de horizon in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den
weerschijn daarvan tooiden zich wolken, boomen, bladeren, takken in het
goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam tot op den woudbodem
door.
Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot
alles met haar verblindend licht.
Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te
verlaten. Zij deed dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben,
en betrachtte bij het omlaag klauteren dezelfde voorzichtigheid, met
betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. Toen zij den
bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere
lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar
katoepats bengelden, reinigde die van den zwerm mieren, die haar
ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen naar een beekje toe, dat zij in
de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het gelaat, de handen en
de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om hare
katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde
daarna, gesterkt en bemoedigd, haren tocht voort te zetten.
Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene
gardoe het heugelijke bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij
ontmoeten zou, Karang Anjer was.
Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot.
Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de
eenvoudige Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde
evenwel na een poos nagedacht te hebben, dat zij ongeveer nog „limå
poeloe pal kawat” [190] vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had.
Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij met rappen voet voort, en
bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa.
Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich
daar aan als de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste
veel, zeer veel over haar gesproken had, werd zij uiterst welwillend,
ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. Maar, omtrent
het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij
ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was
het eenige antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving.
„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het
Javaansche meisje met tranen in hare stem.
„Ja, Dalima, dat heeft zij.”
„Maar, waar is zij dan, njaa?”
„Zij is vertrokken.”
„Waarheen, njaa?”
„Dat weet ik niet.”
Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook
haar „njaa” smeekend lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit
onverzettelijke antwoord.
Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje
vertrokken was? Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat
baboe Dalima voor Van Nerekool werkzaam was? Dat kwam haar niet
onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, dat het
Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de
genegenheid van de beide Europeesche jongelieden voor elkander, en ook,
dewijl Dalima zich geheel argeloos in het gesprek had laten ontvallen,
dat Karel van Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh
opgezocht, en haar geld gegeven had. Zij zou de baboe daarom niet
minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag zeer goed, dat
genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van hare
handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem
van dankbaarheid voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet
aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche gemoed in eene vereeniging
der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? Die
gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar....
„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan.
„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw
Steenvlak.
„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje
handenwringend.
„Neen, zeg ik u, boe!”
„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?”
Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit
het veld slaan.
„Ja.... dat weet ik natuurlijk.”
„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het
oog.
„Ik mag, ik kan niet, boe!”
„Waarom niet, njaa?”
„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven....”
Mevrouw Steenvlak aarzelde.
„Wat njaaa?”
„Dat ik aan niemand—hoort ge aan niemand, Dalima!—iets zeggen mocht.”
„Maar aan mij wel, njaaa!”
„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.”
„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch?
Zij is zoo ongewoon voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij
is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar Nanna is!” kermde het jonge meisje.
„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak
onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen,
nietwaar?”
Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve
schepsel, dat evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had,
zoodat een verbitterd gemoed haar waarlijk wel te vergeven ware
geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte gedaan had; maar
met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop niet
te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude
hebben.
„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het
snikkende meisje aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te
kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, of beter nog naar Kaligaweh
terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?”
Baboe Dalima knikte ontkennend.
„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht,
nietwaar.”
En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje
vier rijksdaalders toe.
Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan,
knoopte het in een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste
de handen van mevrouw Steenvlak en verdween. Toen zij buiten was,
prevelde zij:
„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!”
O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf,
twintig of vijfentwintig centen voor hare voeding, dat was alles. In
plaats van dan ook te vertrekken, doolde zij nog ettelijke dagen in
Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen voor
haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen
dèsa’s. Overal vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door.
Zij deed, wat Van Nerekool, als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet
had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen „warong,” [191] dien zij op
haar pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad [192] gevuld,
overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh, [193] nuttigde
elders wat „nassi ketan,” [194] overdekt met fijn geraspte klappernoot,
of wel met siroop van „goela aren.” [195] Op eene andere plaats slurpte
zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten, of een tros
„ramboetan” [196] of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.”
[197] Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens
hare rekening; want zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja,
hier en daar bekeek haar de waronghoudster en antwoordde, wanneer de
smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar voor je
kindje, en neem nog een kop koffie.”
Maar,... zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te
winnen, om te ondervragen. Maar, helaas, hare pogingen werden
aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. In de eerste dagen
vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, dat dit
zoo niet blijven zou.
Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten
Zuidwesten van Karang Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij
eenig licht. Zij vernam daar, dat op zekeren dag, meer dan twee maanden
geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een „tandoe” [198]
gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest worden. Het draagtoestel
was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe niet heel
spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier
neerzette en een kop koffie vroeg.
„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?”
„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje
gekleed, met een zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen
kabaja,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven
genoegzaam te kennen, dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij
waren blank en klein en niet uit elkander getreden, zooals onze voeten
gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” (princessen) te Sålå,
geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel zijn kan,
dat zij een poetri ware.”
„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima.
„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank [199],
zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.”
„Hebt gij met haar gesproken, ma?” [200]
„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.”
„Maar, wat vroeg zij u, ma?”
„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.”
„Niets anders, ma? Herinner u goed.”
„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik
antwoordde twee palen.”
„En verder?”
„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is?
Daarop kon ik haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij
hier niet bekend.”
„Hebt gij niets anders gehoord, ma?”
„Neen.”
„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?”
„Zeker. Zou ik niet?”
„En?”
„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare
handen kwamen niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene
opwellende gedachte, alsof dat gelaat geverfd was. Misschien had de
nonna veel in de zon geloopen.”
„En de haren, ma?”
„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.”
„Maar welke kleur, ma?”
„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O,
voorzeker is zij eene nonna.”
„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij
niets meer, ma?”
„Niets,” antwoordde de waronghoudster.
Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg
naar Sikaja.
Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.... Daags daarna
verscheen zij weer te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen.
Toen verdween zij, en werd niemand meer iets van haar gewaar. Mevrouw
Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar informeeren. Maar die
kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was.
Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen.
„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak.
„Heb ik goed gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De
tijd zal het uitwijzen.... Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe
en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin voor haar in hare
eenzaamheid geweest zijn.”