VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK.

Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te

Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve,

beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van

haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet

ontvallen, omtrent hetgeen van Anna van Gulpendam geworden was. Hoe de

rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw

wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare

lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die

antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere.

Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het

meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar

zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een

genomen besluit.

„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in

dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin,

hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles

beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de

oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden

daarstellen.”

„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.

„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. Neen, van een

huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij

er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts

een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk,

wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een

reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen....”

„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk

in de rede.

„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar

persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te

kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten

zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat

niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een,

die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen

hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude

verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou

wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude

ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al

ondenkbaar.”

„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om

naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om

ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam

Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en

dan, dan... geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander

gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een

compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn

mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen,

hoezeer ik haar wonden zoude; en... vergeef mij, daartoe heb ik haar te

lief en zal ik haar immer te lief hebben.”

„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar

zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou

moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare

dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar

geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling

gedaan.”

„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds

mijne brieven ongeopend terug.”

„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd

lijden bespaard... Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om

de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”

„Mevrouw!...”

„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar

Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe

zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?... Gij hebt er zelfs

niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten

maken! Te zamen?... Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en

fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij

dien brief niet gelezen heeft.”

„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden

toestand neêrlei?”

„Wat bedoelt ge?”

„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare

familie, ten huwelijk begeerde?...”

„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met

hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,... dat wil zeggen:

met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed

zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen,

waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak

zoude hebben... Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen

maken... Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen

persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de

rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene

vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken

heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het

ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint,

in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom

tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de

vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens

plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam

leven zijn.”

Karel van Nerekool had zich bij die uiteenzetting door mevrouw

Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden

sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de

hand.

„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich

bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.... Zeg mij,

waar zij is?”

„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar

vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden

medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen

gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou

haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is?

Dat kunt gij van mij niet verlangen.”

„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”

„Eenvoudig, om vergeten te leven.”

„Wellicht om te hu....”

„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat

eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u

afgewezen; zij zal nimmer huwen.”

„Maar, wat wil zij dan?”

„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij

hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”

„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.

„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid

van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”

„Mevrouw, gij beangstigt mij.”

„Ik deel u de waarheid mede.”

„O, zeg mij, waar zij is?”

„Nooit!”

„Is zij op Java, is zij in Indië?”

„Ik zeg niets.”

„Is zij naar Europa?... O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede

onzekerheid.”

„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”

„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”

„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven...”

„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand....” viel Van Nerekool

in.

„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging,

dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”

„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig,

terwijl hij de woning uitstoof.

Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij

den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde

dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna

wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean

bezoeken bij de radhen ajoe [174] afgelegd. Maar, zij was vertrokken,

zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij

reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh

teruggekeerd was.

De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de

loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den

mandoor (opziener) van de paardenposterij [175]; maar nergens, nergens

ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de

menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord,

en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest

waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat

men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken

was.

Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s [176] aanzitten

en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna

menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord:

„Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).

In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde

onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van

Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port

Adelaïde gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een

reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende;

anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats

scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige

gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt

hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene

vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar

hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten

door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid

van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en

zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.

Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de

assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische

stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een

vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In

maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de

booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië

bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de

Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen.

Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna

vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al

als een verzinsel beschouwd worden.

Eindelijk keerde Karel van Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo

terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen,

dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk

luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar

hij zoowel door August van Beneden en Leendert Grashuis, als door

Theodoor Grenits en Eduard van Rheijn ontvangen en verwelkomd werd.

„En?....” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken

welstand van Karel van Nerekool geconstateerd hadden. „En...?”

Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het

wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den

gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.

„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen

spoor!”

„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.

„Gij ook niet?” vroeg Karel.

„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van Nederlandsch-Indië

gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden

de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de

beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen

vertrokken is.”

„Zoodat, volgens uw gevoelen?...” vroeg Karel.

„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet

verlaten heeft.”

„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.

„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.

„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te

nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is,

zonder medeweten van vader en moeder.”

„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om meê te

gekscheren,” zei Van Rheijn.

„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot

weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.

En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de

kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.

„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo

eindigde hij de mededeeling.

„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende

Van Beneden.

„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een

ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen

geven. Alles, alles te vergeefs!”

„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te

laten,” sprak Grashuis.

„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik

gevoel mij diep ongelukkig.”

„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De

zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet

verminderd.”

„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die

uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”

„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet

verschijnen,” zei Grenits.

„Gij?”

„Ja, in zake Mokesuep.”

„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”

„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat

is zoo erg niet.”

August van Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den

raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25

veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch

ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan

iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak,

waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking

genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan

den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en

waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in

bescherming te nemen.

Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd,

uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit:

terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware

hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de

gevonnisde de geschandvlekte niet.

Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van

baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende

het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde

zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.

Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de

getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep

weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring

afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den

nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend

naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij nog mededeelde, dat zij haar eene

voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn,

alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en

bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat

zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet

had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast

te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje

gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige

onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van

eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon

zijn. Ook het visum repertum van den eerstaanwezenden officier van

gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en

constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig

bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de

demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de

getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr.

Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien,

van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima

klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.

Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben,

over.

Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig.

Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den

sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd

kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur

Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging

en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s

bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam)

en een zuren reuk (bahoenja ketjoet) [177] had, en derhalve beschouwd

werd, als niet afkomstig te zijn van den opiumpachter. Toen evenwel het

bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho

vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met

de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt

had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te

veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste

deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de

bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.

Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet

geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen

fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om

getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef,

dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en

trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische

beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van

walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren.

De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt

bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht

moesten worden.

De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was

dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene

straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor

den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in

overtreding bevonden [178].

Tegenover dat requisitoir wees August van Beneden er evenwel op, dat

het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook

door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima,

zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens

vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die

twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den

koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in

getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit

punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in

herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding

schuldig te doen verklaren [179]. Ten slotte viel hij het

proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en

verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het

afgegeven was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die

slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van het product waren

afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van

den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de

grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend

verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden

eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig

van denzelfden pachter [180] aan te toonen.

De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen.

De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe

Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar

mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling

met verwijzing van den lande in de kosten.

Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo

uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen

aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en

gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem

begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was

men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang

Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke

rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.

Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo

ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor

het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap

toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een

anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een

talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een

ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van

troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van

Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het

arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen

gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste

jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar

te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen

wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte

den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare

moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt

natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder

valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig

bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, Karel van Nerekool kon

haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer

vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.

„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij

nadenkend.

Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna

bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den

goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer,

en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden

der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds

was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.

Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:

„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef

Champagne!)

En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende Veuve Cliquot in de

hand, en bracht August van Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.

Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was,

en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van

teleurstelling niet bedwongen worden.

„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten

wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten

gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den

landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is

van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft

gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de

onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in

Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”

„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits.

„Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij

hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat

stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het

bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima!

Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden

verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam

niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”

„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.

„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals

zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde

meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland

mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar

mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van

daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen

hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger

opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt

zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen

nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot

eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter

wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen gedoogt,

maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid

kweekt?”

Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.

„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de

regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.

„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!” [181]

antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar

de natie ziet toe, en.... heeft nog eene loftuiting voor den minister

over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er

uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene

natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het

idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart;

slechts... ééne gedachte: de minister balanceert zijne begrooting

alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de

Vertegenwoordiging bons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp

niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en

buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk

vinden.” [182]

Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de

anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den

jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de

hand, en reikte die aan zijn meester over.

„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.

„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M.

boeien te begeven!”

Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.

„Eene gewone huwelijks-aankondiging!” zei hij.... „Maar, van wien?”

En het papier inziende:

„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:

„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer en mevrouw Ngow Ming

Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den

heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio,

dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende

receptie zal plaats hebben op den 3den September a. s. ten huize van

den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”

„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces

van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”

„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,”

viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”

„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis

laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te

reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan te bieden.”

„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn,

zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te

laten. Wie zal zoo iets opmerken?”

„Alweêr: des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende.

„Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.... Waarachtig,

Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen

ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde

gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”

Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van

Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen

was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te

zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel

levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere

gedachten van zich te werpen.

„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”

„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien

zal ik je zenden.” [183]

„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan

kun je naar hartelust tokkelen.”

„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks

mogelijk zal zijn.”

„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”

„En dan breng ik mijne viool mede.”

„En ik mijn fluit.”

„En dan laten wij de geheele cipieran une sarabande de condamnés

uitvoeren,” gilde Grenits bij voorbaat van de pret.

„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,”

viel Van Beneden in.

„Wat dan?” vroegen allen.

„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de

aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene

proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan

te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen,

b. v. aanstaanden Zondag.”

„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.

„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg

Grashuis.

„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder

zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”

„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”

Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de

vergadering uit elkander.

Baboe Dalima · 第 66 / 94 题