CORRESPONDENTIE.

Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij,

na de varkensjacht in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de

gezellige rijsttafel vereenigd gezien hebben, eerder in zijne gevoelens

jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden, hoewel een lid

daaraan ontvallen was.

Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd,

hij leefde in aller herinnering voort, en maakte meermalen het

onderwerp der gesprekken uit. Evenwel, dáárdoor bleef de band niet

alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie wakkerde de

vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield

hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de

gebeurtenissen, die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen

min of meer eene rol bedeeld was.

Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik

van weifeling ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot

het vriendenclubje, maar die te bovengekomen was, toen hij de cynische

ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam, Verstork omtrent zijn

vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden invloed

op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit

in de vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk

verwaarloosd, de teelt van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde

hetzelfde lot. Contractbreuk met de in het district aanwezige

landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo nijvere

bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te

verrichten. In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en

eene vreeselijke toekomst te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en

de pandjeshuizen floreerden, en leverden groote baten aan de pachters

van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche schatkist op. Om

aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren,

werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig

voor; ja er werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden,

en reeds een begin van uitvoering zouden erlangd hebben.

„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij

weet wel: de ellendeling, die in de zaak van de amokhpartij te

Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de

nabijheid van Moeara Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord

geworden. Ik heb alle redenen, om hierin iets meer te zien dan de hand

van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel is; want op het

lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden

gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars

niet was. Eene andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken

geeft, is, dat bovendien bij Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden

werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt overeenkomen met de beide

doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang Pringapoes

in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de

opiumpacht een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul

af. Gij zult u nog wel herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo

geheel onverdeeld dacht.

„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district

verlaten hebt! En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een

gerucht, dat de landrente verhoogd [170] en de overige belastingen voor

de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders

gelegd zullen worden. Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm

van gedwongen cultures, onder den vorm van heerendiensten, onder den

vorm van landrente, onder den vorm van belasting op het zout, onder den

vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting op het

geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van

speelholen, onder den vorm van lombarden, onder den vorm van.... Hel en

duivel! alles te zamen om den Inlander zijn laatste en zoo zuur

verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, waar moet dat heen?

Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar zeer

zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is

geen op zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in

de grondoorzaken, als type voor dien van geheel Java gelden....”

Zoo verhaalde August van Beneden den gemeenschappelijken vriend de

incidenten, die bij de gedingen van den Javaan Setrosmito en van Baboe

Dalima opgeworpen werden.

„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van

bestuurswege moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat

in die twee gedingen toe te laten. En gij zult nooit raden waarom.

Omdat ik als getuige in beide zaken zou kunnen moeten gehoord worden.

Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken kunt; ik liet mij

niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris uit den

raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne

verklaring: dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te

getuigen had, en dat ik in beide zaken geheel belangeloos optrad, en

nadat ik en de officier van Justitie verklaard hadden ons

onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen,

geconcludeerd: dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden;

maar dat, wanneer mijne getuigenis onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet

onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let goed op die overweging,

Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard heb voor

mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te

hebben, en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden

geacht moet worden, zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een

zijdelingsch moreel belang te hebben bij het vrijspreken mijner

cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in allen deelen

onpartijdig getuige in den zin der wet.

„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en

jurist gesproken, in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat

grondbeginsel eens consequent toepaste omtrent getuigen, vooral in

opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans,

opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst

allooi, te wraken? Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de

opiumpachters ontvangen, en daarenboven materieel belang onder den vorm

van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen en op

te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen

in allen deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan

onze rechtspleging, vooral ten opzichte van Inlanders bij

opiumprocessen, ontbreekt nog veel!

„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den

landraad berecht worden. Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank

gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde zaak als verdediger

optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer zij

mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te

Santjoemeh, en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren.

Gij zult mij vragen: waarom die behandeling zoo? Luister, en neem

daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te rade ben gegaan, alvorens

tot dat besluit gekomen te zijn:

„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in

beide zaken, op geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk

meende ik, dat die gebeurtenis een gunstigen invloed op den gang dier

gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken, dat de bandoelan zijne

verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft afgelegd,

zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu

het groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan

geconfronteerd worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede

woordenwisseling, die ik tusschen hen zou uitgelokt hebben, het noodige

licht zou ontstoken, en mij de gegevens in handen zoude geleverd

hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden ter zake van

zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van

de dochter te bewijzen.

„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig

onderzoek voor den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de

afwezigheid van baboe Dalima in den bewusten nacht niets afwist, zoodat

het vast staat in het geding, dat het Javaansche meisje met

onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij

zult u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze

zwijnenjacht er op beriep, dat zij verlof van de njonja en van nonna

Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of die dat zouden kunnen

getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw Van

Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis.

De residentsdochter is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang

Anjer vertrokken, om bij de familie Steenvlak eenigen tijd te logeeren.

Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou plaats hebben, deelde de

resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij

daar bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf

houden. Maar het gekste is, dat onder de passagiers van al de

vertrokken schepen in de laatste maanden de naam van mejuffrouw Van

Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê gemeente van

Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles

hoort, alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het

minste resultaat; terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het

vertrek van zijne dochter ter sprake brengt, zich met eene zekere

luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal opdischt,

waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap

in gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou

vertrokken zijn, om van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand

gelooft er iets van, vooral niet, omdat de resident nimmer den naam van

die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen geweest, die

aan de firma Acraman Main en Cie te Adelaïde hebben getelegrafeerd,

maar bericht hebben gekregen: „Not to have heard anything of the

arrival of three ladies from the Dutch East-India,” (niets vernomen te

hebben omtrent de aankomst van drie dames van Nederlandsch-Indië). Van

Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar

Karang Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve

meisje, dat hij steeds met hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel

onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel schrijven, en u op de

hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds

gedaan.

„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht

staan. Toch geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om

die ongelukkigen te redden. Ik heb eene reden te meer, om er mijne

aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe Dalima in belangwekkende

omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad van Lim Ho

niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten

zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die

gepleegde misdaad, zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min

mogelijk aan te roeren: maar de weldenkenden zullen zich moeten

beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand te reiken, wanneer

zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling haars

vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident

Van Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare

diensten als baboe of bediende aanvaard zullen worden. Maar... komt

tijd, komt raad....”

Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting

van Ardjan en Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en

schilderde de niet geringe ontsteltenis, die deze gebeurtenis in

officiëele kringen verwekt had.

„Hoe onverschillig de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook

behandelt, wanneer zij ter sprake komt,” schreef de jeugdige koopman,

„blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid de vluchtelingen

opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen

van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare

taak te kort schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers

vermoord, maar niet beroofd zijn geworden, heerscht werkelijk angst in

de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld geworden, dat de

pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik

kan dat evenwel pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de

twee schildwachten voor het perron van den Grooten Heer op en neer. De

kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele soldaten verzekerde mij

zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis

niet ontzegeld is. [171] Dat is gelukkig ook; want, wanneer die

dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij mijns bedunkens

gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen.

„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn.

Hoewel niet binnen de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene

gruwelijke onbillijkheid verhoed. Want de vader werd door de zedelooze

handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen tot zijne

onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde

opiumsmokkelarij geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het

geheele publiek dat weet.

„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie

behandeld worden. Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie

heb ik bekend, dien man twee klappen toegebracht te hebben. Die

bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht van den

beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op

raad van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen;

ten einde de arme Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring

van den geneesheer, dat geene gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid

gepleegd werd, is de mishandeling van het slachtoffer niet rechterlijk

te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht bijwoonden, van

de gepleegde misdaad overtuigd; maar.... maar, wanneer zal toch eens

gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?....”

De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den meesten indruk, hoewel

hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen van

de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde

het verdwijnen van Anna van Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop

gevolgd was.

„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef

hij, „alles is te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare

ouders alle mogelijke maatregelen getroffen waren, om eene samenkomst

te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig geweigerd mij te

ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij te

waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was.

Zij is vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van

haar..... maar Willem, een brief, die mij alle hoop benam.

„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van

menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen

tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht

worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik

gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking

in mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner

ouders onbekend was. Maar.... den man steeds voor mij te zien, wien de

noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken,

wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de

gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat

ik hem als prijs voorgeworpen werd voor eene daad van

plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als

welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor mij met

achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts

eene aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien;

zie, Karel, dat zou mij het leven tot eene hel maken en zijn

weeromstuit op u niet missen.”

„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt

daarin tevens zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den

gelukkigsten en tevens tot den rampzaligsten mensch heeft gemaakt der

aarde.

„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer

ouders; maar juist daarom wordt zij mij te meer dierbaar, als dat

mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin in het volle

licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een

ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de

samenkoppeling van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele

telg gesproten is? Hoe komt het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin

zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is? Allemaal raadsels, die voor

ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen, dat de schuld

der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn...

„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde

voor het reine wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal

dat alles leiden? Dat vraag ik mij veelmalen ernstig af; maar moet

daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet gevonden heb. Ik deins

soms voor mij zelven terug;... want ik begin veranderingen in mijn

gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden.

Worden die veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna

ondervindt? Zouden die ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals

bij zoovele mijner medemenschen, een ongestoord verloop had gehad? Ik

durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat ik mij vroeger van

het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans in

mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach

betrap, wanneer ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de

vrouw meer een etherisch wezen gelijk was, dan wel eene natuurgenoote

van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan zijn en hartstocht kan

inboezemen.

„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele

leven. O, dat is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in

mijn binnenste loeien. Bij tijden stijgen brandende verlangens in mij

op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die zoo fiere maagd,

welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor mij

maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en... ik verheel het niet: er zijn

oogenblikken, dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij

zelven de belofte afleg, dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil,

dat ik haar zal bezitten! En, dan is, helaas! in die uiting, niets

teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is het de

hartstocht, die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige

opwelling van den onbeteugelden natuurmensch, die zich op het voorwerp,

dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig tracht te werpen.

„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen

geschreven. Ik heb haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar

bezworen, haar hart niet voor mij te sluiten. Ik heb haar gesmeekt,

gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden niet eeuwig mijn

aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in

mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering

ontstaan, daar eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel

geen aanzienlijk vermogen nagelaten had, maar toch groot genoeg, om

onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik zou wel eene

plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de

woonplaats harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar

ondragelijk zijn, welnu dan stelde ik haar voor, te zamen naar

Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt kunnen treden, en stil

en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn kunnen

leven.

„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar,

vriend, ik bekwam geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet

ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte een vastgenomen besluit, waarvan

zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven in hunne enveloppen,

en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich niet te

vergissen, het was hare hand.

„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste

spanning. En toch kon ik door de massa werk, waarmede de raad van

Justitie overladen is, Santjoemeh niet verlaten. O, ik was zoo gaarne

naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er in geslaagd zoude zijn,

om Anna de toekomst minder somber te doen inzien.

„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de

enveloppe in handen had, overviel mij reeds een soort van angst. En,

werkelijk, het adres was van eene andere hand. Haastig scheurde ik den

omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende brief, waarbij evenwel

een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden

voorkwamen: „Anna van Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.””

„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna

heeft Karang Anjer verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij

in te lichten, waarheen het dierbare schepsel vertrokken is! Wie had

die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag ik met een

oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift

was regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was

iets zachts, iets teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest

het schrift eener vrouw zijn! Maar, van wie? Dat moest ik weten. Ik had

rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer. Maar, hoe weg te

komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend

van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het

verkrijgen van verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet,

en gelukkig ook; want voorzeker zoude dan later op mijne gangen gelet

zijn.

„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld.

Congesties, gepaard met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid

onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig was, maakte mijn geneesheer

zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen,

die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een

eenigszins voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn

herstel noodzakelijk achtte. Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was,

toen hij die uitspraak deed.

„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo

kalm mogelijk.

„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.”

„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig.

„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?”

„„De assistent-resident aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl

ik onder de beheerders der landbouwondernemingen in den omtrek

verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.”

„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik

meen op 2200 voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk

zijn.”

Hij teekende het noodige bewijs, en.... reeds twee dagen later zat ik

in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem, gij

weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van

Karang Anjer. Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de

zekerheid, dat ik licht in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds

reactie in? Zoo veel is zeker, dat ik mij als herboren gevoelde, toen

de reis begon.

„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor

mij uiterst belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok,

mij hebben kunnen boeien. Ik trok toch over het ruim acht duizend voet

hooge Prahoe-gebergte, daarna over het Diëng-plateau, dat klassieke

vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker Frans Junghuhn zoo

meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng

Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende

solfatara’s en ziedende heetwaterwellen; langs den Telerep, dien

verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende uitbarstingen, wat

krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt;

langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep

ingezonken en door hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste

waterbekkens vormt der geheele aarde; en verder langs de westelijke

hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten en regelmatigsten

van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op bijna

tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te

Wonosobo aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden,

voor al die natuurwonderen, die in den vorm van piramidale vuurbergen,

van grillige bergruggen, van steile en hemelhooge rotswanden, van

woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen, van

verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van

schilderachtige dalen, van schrikkelijke ravijnen, van donkere

afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke koffie- en

theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna!

en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.”

„„Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was

mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet tot den automédon, die toch

al reeds zijn best deed, en zijn lange zweep met onbarmhartige

behendigheid hanteerde.

„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog

lang niet!

„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den

assistent-resident van Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik

behoef dus daarover niet uit te weiden. De reis had ook den meest

gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend; maar, toch

zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang

Anjer mocht en kon ondernemen.

„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en

gaf hem te kennen, dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen,

bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s hoofdplaats, wenschte te

vermijden.

„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over

Kaliwiro, Ngalian, Peniron en zoo naar Karang Anjer.”

„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere

gemakkelijkheid, waarvan hij sprak, daarop doelde.

„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort

den afstand ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te

leggen. Het wegenstelsel hier is zeer goed te noemen; maar in het

innerlijke der residentie is het slechts te paard te berijden. Daarbij

hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander zoodanig, dat

zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige

kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de

onmogelijkheden zou behooren.”

„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat

gunstige klimaat doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen

niets meer te bespeuren was, ondernam ik den tocht, die niet van

moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend; maar het

ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het

daarachter gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna

andermaal te beginnen. Het paard, dat Kleinsma mij bezorgd had, was een

uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk, in weerwil van dat

terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg

bergopwaarts, dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd te

zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al

te steil, dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in

stevigen stap, die den meest wakkeren voetganger deed achterblijven.

„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van

den assistent-resident zoo mogelijk een nog beter rijdier van den

loerah dier plaats. Zoo trok ik over het Bessergebergte, [172] over de

uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak- [173] gebergte, en

kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan.

„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne

Anna niets vernemen. Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt

mij de moed om voort te gaan.”

Baboe Dalima · 第 64 / 94 题