SUMMUM JUS SUMMA INJURIA.—VADER EN ZOON VEROORDEELD.—SINGOMENGOLO
VERMOORD.
Een paar dagen later vertrok Mr. Zuidhoorn van Santjoemeh. Hij ging met
een der booten van de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij naar
Batavia, om van daar per Emirne naar Singapore te reizen, en zich ter
laatstgenoemde plaats aan boord van de Irouaddy van de Messageries
maritimes in te schepen, die hem naar Marseille zoude overvoeren.
De rechtschapen rechterlijke ambtenaar had zich vast voorgenomen, om
ter hoofdplaats van Nederlandsch-Indië het gebeurde bij de laatste
landraadzitting te Santjoemeh aan de bevoegde autoriteiten mede te
deelen en binnen de grenzen eener betamelijke voorzichtigheid bekend te
stellen, welke drijfveeren hier in het spel waren. Maar... tusschen
voornemen en uitvoeren is een hemelsbreed verschil, dat ondervond hij
ras. Hij had slechts drie dagen oponthoud te Batavia; maar in dat
tijdsverloop was de Gouverneur-Generaal niet te spreken. Wel was Mr.
Zuidhoorn naar Buitenzorg gestoomd; maar vernam daar, dat Zijne
Excellentie dienzelfden dag vroeg naar Tjipannas vertrokken was. Er
bleef niets anders over, dan den volgenden ochtend per postrijtuig
derwaarts te rijden. Toen hij daar aankwam, wachtte hem eene nieuwe
teleurstelling. Hoewel hij daags te voren aan den adjudant van dienst
getelegrapheerd maar daarop geen antwoord bekomen had, werd hem
medegedeeld, dat de Opperlandvoogd met hevige koorts te bed lag, en
niemand ontvangen kon. De adjudant bracht veel verontschuldigingen bij,
en beweerde, dat de bedenkelijke toestand van Zijne Excellentie in den
nanacht eerst ingetreden was.
Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn ongelukkig gesternte te
betreuren, en naar Batavia terug te spoeden. Met die vergeefsche poging
had hij twee dagen zoek gemaakt. Restte hem dus nog maar een.
Toen hij den volgenden morgen zijne opwachting maakte bij den directeur
van Justitie, kwam die hem met eene luidruchtige hartelijkheid te
gemoet.
„Zijt gij er eindelijk, collega Zuidhoorn!” sprak hij, terwijl hij hem
met gekunstelde innigheid de hand schudde. „Ik ben blij u te zien. Ik
had me zoo’n schrikbeeld van uw toestand gemaakt. Ik dacht, dat ge
zieker waart. Enfin, zoo is het beter! Maar, het wordt tijd, dat ge met
verlof gaat...”
Dat alles werd met eene radheid van tong gesproken, die tot doel had
andere gedachten te verbergen.
„Dat ik zieker was!... Wat bedoelt ge daarmede, directeur? In geen
mijner brieven schilderde ik den toestand ongunstiger dan hij is. En
dan, dat het tijd wordt, dat ik met verlof ga?... Ik verzeker u, dat ik
wel had willen blijven.”
„Nu, ja, voorzeker. Maar de invloed van het klimaat begon zich toch te
doen gevoelen...”
„De invloed van het klimaat?...”
„Ja, ziet ge. Als wij Europeanen langen tijd tusschen de keerkringen
doorbrengen, dan ontstaat er bij den een eene verslapping van
zenuwgestel, soms gepaard met eene verweeking, eene verpapping der
hersenen...”
„Directeur!... die veronderstelling...”
„Geldt u niet, collega Zuidhoorn, dat weet ik wel. Gij liet mij niet
uitspreken. Bij den anderen ontstaat eene overprikkeling, eene
zwaartillendheid....”
„Directeur!... Is dat mijn geval?”
„In den regel blijft de patiënt onkundig van zijn toestand, en is in de
heilige overtuiging, dat hij niet anders handelt dan gewoonlijk.”
„Directeur, is dat mijn geval?” herhaalde Mr. Zuidhoorn zijne vraag.
„Eenigermate, ja, collega. Zonder dat gij het merktet, toonde uw stijl
eene prikkelbaarheid, die, gij, als uitstekend juris peritus, zult mij
dat toegeven, bij een rechterlijk ambtenaar niet gewenscht is.”
„Maar, directeur!... Ik ben niet bewust.”
„Quantum est, quod nescimus!” (hoeveel bestaat er, wat wij niet weten!)
„Maar, nimmer ontving ik eene opmerking ter zake!”
„Zeer waar; maar, waarde collega, daarom bleef die overprikkelde
gemoedsstemming toch niet onopgemerkt. Aanvankelijk hield ik haar voor
het gevolg van innige en warme belangstelling in het rechterlijk
karakter, dat gij steeds als een priesterschap beschouwdet. Later
evenwel begon ik in te zien, dat een ziekte-proces aanhangig was; en
gij weet, vooral bij ons geldt de spreuk: mens sana in corpore sano
(eene gezonde ziel in een gezond lichaam), wil de rechter onpartijdig
kunnen optreden.”
Mr. Zuidhoorn zat als door den donder getroffen. Was dat het oordeel
zijner meerderen, nadat hij zoo lange jaren onkreukbaar trouw en
nauwgezet in de doornachtige loopbaan van rechterlijk ambtenaar
werkzaam geweest was? Was dat zijne belooning? Was dat de kroon op het
werk?
„Maar, directeur, gij zult mij toch wel één geval willen aanhalen,
waarin die overprikkelde gemoedsstemming zich merkbaar getoond heeft?”
„Eén geval, waarde collega? Eén geval? Tien, twintig, staan ten mijnen
dienste!”
„Ik vraag maar één, directeur.”
„Welnu dan, die landraadzaak te Santjoemeh.”
„Welke landraadzaak?”
„Ziet ge wel, dat gij zelf in uw binnenste op meerdere zaken doelt.”
„Dat is iemand op zijne woorden vangen, directeur,” antwoordde Mr.
Zuidhoorn kregelig. „Ik heb zooveel landraadzaken bijgewoond en
voorgezeten, dat de vraag, op welke gij doelt, mij gewettigd voorkomt.”
„Wel, dat geval met den resident Van Gulpendam....”
„Die den landraad wilde presideeren, waartoe hij geen recht had.”
„Tu tu tu. Gij verliest artikel 92 van de Indische rechterlijke
organisatie uit het oog.... Maar, dat is toe te schrijven aan uw
zielstoestand....”
„Maar, directeur, vergeef me, mijn zielstoestand heeft daarmede niets
te maken. Gij zegt artikel 92?”
„Ja, waarbij een resident de bevoegdheid verleend wordt, wanneer hij
het nuttig of noodig oordeelt, om in persoon als voorzitter der in zijn
gewest gevestigde landraden op te treden.”
„Directeur, toen dat artikel 92 ontworpen werd, was er nog volstrekt
geen sprake, om afzonderlijke rechtsgeleerde voorzitters van landraden
in het leven te roepen. Toen kon zoo’n artikel zijn nut hebben. Nu zou
het absurd zijn, dat de resident, een niet-rechtsgeleerde, den
rechtsgeleerden voorzitter zou op zijde kunnen dringen, om zelf het
bedoelde rechterlijke college voor te zitten! Mij dunkt, dat...”
„Mr. Zuidhoorn, wij rechterlijke ambtenaren, zijn het allereerst
verplicht eerbied voor de geschreven wet te toonen. Eene bepaling moge
in ons oog betreurenswaardig zijn; zoolang zij kracht van wet heeft,
moeten wij de hand er aan houden. En... vergeef mij de vraag: hebt gij
dat in het onderhavige geval gedaan?”
„Gij geeft mij dus ongelijk, directeur?”
„Niet alleen ik, maar ook de Gouverneur-Generaal, die zeer ontstemd is
over uwe houding in deze zaak, waarin gij veel bijgedragen hebt, om het
prestige van de rechterlijke ambtenaren te verguizen!”
„Ook de Gouverneur-Generaal?...” vroeg Mr. Zuidhoorn nadenkend. „Dat is
dus de reden geweest, dat ik geen gehoor bij Zijne Excellentie heb
kunnen verkrijgen?”
„Hebt gij om gehoor verzocht?”
„Ik was voorgisteren te Buitenzorg, en gisteren te Tjipannas.”
„En...”
„De adjudant van dienst deelde mij mede, dat Zijne Excellentie
bedlegerig was.”
„Ziet ge wel!”
„Maar, directeur, het geldt hier een der grootste schandalen, die ooit
gepleegd kunnen worden! Om den rijken opiumpachter te sparen, wordt een
arme Javaan...”
„Onschuldig verklaagd, en zal waarschijnlijk onschuldig veroordeeld
worden,” antwoordde de directeur van Justitie met cynischen glimlach.
„Dat alles weet ik, dat hebt gij breedvoerig genoeg geschreven. Er valt
hier niets anders te doen, dan het hoofd te buigen. Gij weet: summum
jus summa injuria! (het uiterste recht kan het grootste onrecht zijn).”
Mr. Zuidhoorn zat met het hoofd in de hand ernstig, ja met wanhopigen
blik voor zich te kijken.
„Laat ik u een goeden raad geven,” vervolgde de directeur van Justitie
op vriendelijken toon: „Gij zijt ziek, en meer ernstig dan gij zelf wel
denkt. Gij vertrekt morgen met de Emirne, nietwaar? Welnu, laat alle
muizenissen hier te Batavia achter. Gaat onbezorgd en onbekommerd
nieuwe krachten in Europa opdoen, en komt over een paar jaren terug,
naar ziel en lichaam gezond, dan zult ge nog lange jaren tot sieraad
van onze rechterlijke macht kunnen optreden; want weinige juristen
kunnen de vergelijking met u doorstaan. En... vergeef mij, gij zult
begrijpen, dat mijn tijd kostbaar is, en... maar nog eene aanbeveling,
voor ik afscheid van u neem: Tracht steeds verwikkelingen met de
opiumpachters te mijden. U behoef ik niet te zeggen, dat zij zijn:
imperium in imperio (een rijk in het rijk) en ik voeg er zelfs bij:
malum malo proximum (het ongeluk grenst aan het kwaad). Doe er uw
voordeel mede! En nu wensch ik u eene voorspoedige reis en een spoedig
herstel in het oude vaderland. Dag, collega Zuidhoorn! Goede reis!”
De landraad van Santjoemeh zou zoo spoedig geen zitting nemen, om zich
met de sluikopium, te Moeara Tjatjing aangehaald, en met die, welke te
Kaligaweh in de hut van Pak Ardjan gevonden was, onledig te houden. De
directeur van Justitie was den resident Van Gulpendam niet ongevallig,
toen hij hem mededeelde, dat, wegens gebrek aan rechterlijke
ambtenaren, er in den eersten tijd niet aan te denken viel, de vacature
bij den landraad aan te vullen.
Hoewel de zittingen van dat rechterlijk lichaam geregeld wekelijks
plaats hadden, en thans door den resident gepresideerd werden, zoo
werden de bedoelde zaken toch van week tot week uitgesteld, waartoe de
tijdelijke voorzitter zijne gegronde redenen meende te hebben.
Eindelijk evenwel, toen de hoofddjaksa den landraad had medegedeeld,
dat de beide Chineezen Than Khan en Liem King, de wachters in de djaga
monjet te Moeara Tjatjing, als ook Awal Boep Said, de gezagvoerder van
den schoenerbrik Kiem Ping Hin, op welker getuigenis de beschuldigde
Ardjan zich beroepen had, onmogelijk op te sporen waren, meende Van
Gulpendam dat het oogenblik gekomen was, om de bedoelde zaken af te
doen.
Toen dan ook Ardjan bekende, dat hij in den bewusten Februari-nacht met
eene prahoe sajab, gedurende zeer onstuimig weer, aan den wal gekomen
was, dat daarbij door eene sloep van de Matamata jacht gemaakt, en op
hem geschoten was, en hij niet bewijzen kon, dat de aangehaalde opium,
die in de nabijheid, waar zijn vaartuigje strandde, gevonden was, niet
door hem aangebracht was, waren alle aanwijzingen tegen hem. Wel beriep
hij zich op baboe Dalima, die met hem in die prahoe gezeten zouden
hebben; maar toen door den voorzitter de verzekering gegeven werd, dat
de bedoelde deern dien nacht het erf van het residentiehuis niet
verlaten had, en dus haar verhoor niet anders kon leiden dan tot eene
leugenachtige verklaring, die in geenendeele de bestaande aanwijzingen
kon verzwakken; terwijl bovendien die Dalima thans zelve wegens
opium-smokkelarij vervolgd werd, hetgeen hare af te leggen getuigenis
moest in verdenking brengen, nam de landraad de conclusie van dat alles
aan, namelijk: dat het volkomen overbodig was die getuige te hooren.
Toen daarenboven de djaksa nog medegedeeld had, dat Pak Ardjan, de
vader van den beschuldigde, ter zake van zijn eigen geding bekend had,
dat de sluikopium, die ten zijnen huize door Singomengolo achterhaald
was, hem door zijn zoon geleverd was, werd de schuld van den
laatstbedoelden boven alle bedenking verheven gewaand.
Ardjan werd dan ook schuldig verklaard aan de poging om anderhalve
pikol tjandoe, gelijkstaande aan drie pikols ruwe opium, binnen te
smokkelen, en derhalve onder het bereik te vallen van artikel 23 van
het opium-reglement. Het vonnis verwees hem dan ook tot drie jaren
dwangarbeid buiten den ketting [166] en tot twee duizend gulden boete,
bij onvermogen te vervangen door ten arbeidstelling aan de publieke
werken voor den kost zonder loon, voor den tijd van drie maanden voor
elke honderd gulden.
Ardjan werd dus veroordeeld tot acht jaren dwangarbeid en ten
arbeidstelling, hetgeen vrij wel hetzelfde beteekende. De onschuldig
veroordeelde knarste op de tanden, toen hij dat vonnis vernam. Of hij
een ander of een zachter van de gerechtigheid der blanken verwacht had?
Na den zoon, de vader; na Ardjan, Pak Ardjan.
Met diens zaak ging het nog eenvoudiger toe, als het kon.
De beschuldigde had toch bekend, dat hij sluikopium in huis had. Door
eene menigte listige vragen verstrikt, had hij, zonder te beseffen, hoe
zwaar zijne getuigenis bij het geding zijns zoons zoude wegen, de
bekentenis afgelegd, dat die opium afkomstig was van Ardjan, die hem
daarvan van tijd tot tijd voorzag. Hij had bekend, dat hij de sabel van
een der politieoppassers uitgetrokken had, en dien onverlaat daarmede
een paar houwen had toegebracht, toen deze zich ontuchtige handelingen
tegenover zijn kind veroorloofd had. Helaas! op het aanvoeren van die
verzachtende omstandigheden werd ternauwernood gelet. Zij was niet eens
tot onderwerp van een onderzoek gemaakt geworden, en werd de
ongelukkige veroordeeld ter zake van: in het bezit bevonden te zijn van
sluikopium tot eene hoeveelheid van niet meer dan twee katies, voor de
eerste maal, behalve met de verbeurdverklaring van de aangehaalde
sluikwaar, tot tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost
zonder loon voor den tijd van drie maanden, en ter zake van gewelddadig
verzet tegen de opiumpolitie, waarbij een bedienaar der openbare macht
bij de uitoefening zijner bediening gewond was geworden, waardoor
blijkens visum repertum: onbekwaamheid tot het verrichten van
persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen veroorzaakt was, tot
tien jaren dwangarbeid in den ketting.
Zoo waren dan vader en zoon veroordeeld; de eene onschuldig voor acht
jaren, de ander, schuldig aan een eenvoudig politievergrijp, dat met
eene geringe straf had geboet kunnen zijn, wanneer de zoo gewone
walgelijke handtastelijkheden, bij het opsporen van opium aan den
lijve, den reeds zoo diep gevallen vader van een verarmd huisgezin niet
tot misdrijf vervoerd, ja, genoopt hadden, dat hij nu met tien jaren
dwangarbeid zou moeten boeten.
Zou moeten boeten?... Ja, wanneer daartoe de tijd gegund werd!
Maar, alvorens het bevelschrift van den directeur van Justitie te
Santjoemeh ontvangen was, waarbij Atjeh tot plaats aangewezen was,
alwaar de veroordeelden hunne straf van dwangarbeid zouden moeten
ondergaan, waren deze uit de gevangenis ontvlucht. Gedurende een
stikdonkeren nacht, terwijl een hevig onweder zich boven Santjoemeh
ontlastte, en de schildwacht, een jong, Inlandsch soldaat, die binnen
den omheiningsmuur der gevangenis waken moest, door de verblindende
bliksemstralen en de ratelende donderslagen verschrikt, en ook door den
regen, die met stroomen viel, genoodzaakt, eene schuilplaats in zijn
schilderhuis gezocht had, voelde deze zich plotseling door eene ijzeren
vuist bij de keel gegrepen. Voor dat hij een kreet had kunnen slaken,
had hij een slag met een zwaar stuk hout op het hoofd gekregen, die hem
bewusteloos deed neerzijgen. Middelerwijl ratelde de donder, en plaste
de regen onafgebroken en met verdubbelde woede voort, zooals dat in
tropische streken slechts geschieden kan. Van die omstandigheid maakten
de beide veroordeelden behendig gebruik. Lenig en sterk, als een goed
Inlandsch stuurman moet zijn, hielp Ardjan zijn vader bij het beklimmen
van den ringmuur, klauterde toen zelf op den nok, liet den ouden man
aan den anderen kant zakken, en was met een sprongetje in een
ondeelbaar oogenblik naast hem. Geen der schildwachten, die buiten den
ringmuur waakten, lieten zich zien. Het weer was ook te bar, om buiten
het schilderhuis in dien zwarten nacht uit te turen. De regen viel
kletterend neder; daar buiten stroomde het water over plein en straat,
alsof alle rivieren hare boeien geslaakt hadden; terwijl van
verlichting geen spoor was, tenzij daarvoor een oliepitje moest gelden,
dat in een lantaarn, op een der hoeken van den ringmuur geplaatst, als
een gloeiende spijker glom, een ongelukkig bekrompen lichtcirkeltje
vormde, maar de duisternis daar buiten nog tastbaarder maakte. Juist,
toen de vluchtelingen den voet van den muur bereikt hadden, kliefde een
machtige bliksemstraal met hare gehakkelde baan het luchtruim, terwijl
schier tegelijkertijd een hevige donderslag vernomen werd, die met dat
krakende, kort afgebroken geluid zich hooren liet, bij dergelijken
electrische ontlading waarneembaar, wanneer zij ergens inslaat. En,
inderdaad, onmiddellijk op den donderslag volgde een ander krakend
geluid, en plofte een hemelhooge klapperboom, die midden door gespleten
was, ter aarde. Van de duisternis, welke na dien schel schitterenden en
verblindenden bliksemstraal ingetreden was, maakten de beide Javanen,
ongeduldig om hunne standplaats aan den voet van den ringmuur, waar zij
door eene ronde overvallen konden worden, te verlaten, behendig
gebruik, om het kleine plein, dat de gevangenis omgaf over te steken,
en den nabij zijnden dèsa-rand te bereiken.
Daar waren zij gered, dat wisten zij; want geene der eenvoudige
dèsa-bewoners zou de misdaad willen begaan, slachtoffers van het
opium-monopolie aan de gerechtigheid der blanken te verraden.
Toen de resident Van Gulpendam die ontvluchting vernam, was hij
woedend. Op zijne aansporing werd een der schildwachten, die zich liet
ontvallen, dat hij na het vallen van den boom eenig geplons in het
water, hetwelk over het plein stroomde, gehoord had, maar dat hij
onmogelijk iets had kunnen zien, en gemeend had, dat het een hond was,
welke die gevaarlijke nabijheid ontvluchtte, voor den krijgsraad
getrokken, en de kommandant bij de gevangeniswacht met veertien dagen
provoost gestraft.
Ook werden de strengste nasporingen in het werk gesteld; maar te
vergeefs. Hoewel al de politie-agenten, al de spionnen, en al de
handlangers van den opiumpachter op het pad moesten, en hunne
vindingrijkste listen uitdachten, werd niets ontdekt. Het district
Banjoe Pahit, maar vooral de dèsa Kaligaweh werden maanden lang
nauwlettend gadegeslagen; de gade en kinderen van Pak Ardjan werden
angstvallig, maar sluw overal gevolgd, het gaf evenwel niets. Eindelijk
kwam men tot besluit, dat de beide veroordeelden, niet alleen niet naar
Kaligaweh teruggekeerd waren, maar zelfs de residentie Santjoemeh
verlaten hadden.
Weldra dacht niemand meer aan die ontvluchting, en was zij reeds uit de
herinnering uitgewischt, toen zij een paar maanden later weer in het
geheugen teruggeroepen werd, door een voorval, dat wel geschikt was om
tot nadenken te stemmen.
Op een avond was Singomengolo bij Lim Yang Bing verschenen, had dien
medegedeeld, dat hij de beide vluchtelingen meende op het spoor te
zijn, dat hij uit vrees voor uitlekking evenwel zijn vermoeden nog niet
wilde ontwikkelen; maar voor dien avond de hulp van een paar
handlangers, liefst Chineesche bandoelans verzocht, die hem op een
ontdekkingstocht moesten vergezellen.
Hoe de Chinees zijne vragen ook draaide en plooide, hij kreeg niets
meer te weten. De bandoelan bleef er bij, dat het welslagen alleen
bereikt kon worden, door stipt geheim te houden, wat hij te weten was
gekomen. Daarenboven verklaarde hij, waren zijne gegevens lang niet
boven alle bedenking verheven, en kon het zeer goed zijn, dat hij op
een valsch spoor was. Het eenige, wat hij zich ontvallen liet, was dat
het onderzoekingsterrein niet ver van Kaligaweh gelegen was.
Singomengolo vertrok dienzelfden avond met de twee handlangers, die hem
toegevoegd waren, maar keerde niet weder. Het werd den opiumpachter
raar te moede, toen hij zijn getrouwe den volgenden ochtend niet zag
verschijnen. Hij was toch zoo gewoon, dat de bandoelan hem stipt
iederen morgen rapport kwam uitbrengen over het verrichtte in de
laatste vier en twintig uren, ook om te bespreken, wat in het volgende
etmaal op het getouw moest gezet worden. Vooral heden had hij hem
stellig verwacht, om den afloop van de nasporing der twee vluchtelingen
te vernemen. Hij wachtte, wachtte. Het middaguur naderde reeds. Toen
werd hem zijn ongeduld te machtig. Hij liet haastig zijn milord
aanspannen, en reed in allerijl naar het residentiehuis.
„Wat is er, babah?” vroeg de heer Van Gulpendam, toen hij Lim Yang Bing
haastig, en zoozeer afwijkende van de kalmte en bedaardheid, zijnen
landaard zoo eigen, het kantoor zag binnenkomen.
„Kandjèng toean,” sprak de opiumpachter „ik kom uwe hulp inroepen.”
En daarop verhaalde hij den resident, wat hij wist van de expeditie,
waar Singomengolo op uit was, en verheelde hem zijne ongerustheid niet,
nu de bandoelan nog niet terug was.
De resident dacht een oogenblik na. Een bericht van een der landheeren
uit het district Banjoe Pahit doelde op de mogelijkheid, dat er
ketjoepartijen [167] in den omtrek zouden kunnen plaats hebben. Maar
dat bericht was zoo vaag, had zoo weinig steun; terwijl de nieuwe
controleur van Banjoe Pahit, wien hij dat bericht in handen gesteld
had, gerapporteerd had: dat de meest gewenschte rust in het district
heerschte; dat de bevolking tevreden was, en zich geen spoor van
onrustbarende verschijnselen voordeed; dat, wel is waar, de landrente
traag vloeide [168] maar dat integendeel de andere middelen van
inkomsten een beter aanzien hadden, die op bestaanden welvaart wezen;
zoodat dan ook, met de opiumkit te Kaligaweh tot grondslag, aangenomen
kon worden, dat bij de aanstaande opiumverpachting, de pachtschat voor
de residentie Santjoemeh aanmerkelijk hooger kon loopen; terwijl het te
voorzien was, dat ook de verstrekking van opium uit ’s lands pakhuis
aanzienlijk zoude vermeerderen. [169]
Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de
grondslag, waaraan de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den
welvaart en den geest van tevredenheid ontleende, zoo valsch mogelijk
was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden, had het hem
voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen,
wanneer de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den
bedoelden landheer was dan ook in heusche bewoordingen te kennen
gegeven, dat hij door zijne berichtgevers misleid was; maar, werd de
aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden van
onrustbarende tijdingen had te onthouden.
Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot,
terwijl hij met Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben
kunnen verklaren. Hoe zou ook de late terugkeer van Singomengolo,—want
anders kon het nog niet genoemd worden,—in verband staan met die
ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering gehad
hadden? Dat was immers niet denkbaar... Hij antwoordde den Chinees dan
ook:
„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer
voor moet komen, dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal
verlaatten.”
„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo
goed getroffen, dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.”
„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident.
„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat
de dèsa-bewoners de politie behulpzaam moeten zijn.”
„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?”
„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng
toean; maar ik heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene
hinderlaag gevallen is.”
„Welnu, het zij zoo!”
Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de
omstreken van Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren
reeds op het punt om uiteen te gaan, en de politie-oppassers om naar
Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps een visscher mededeelde, dat
hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken had meenen te
bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van
den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch,
evenwel vlak bij den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een
zijner Chineesche handlangers, beiden met krissteken zoodanig
doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten volgen. De andere
Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke
wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij
dadelijk hulp had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies
plaats gehad, dat alle hoop moest opgegeven worden. Toen de
bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog flauw de oogen,
prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte
kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet
eindelijk een diepen zucht uit, en.... was niet meer.