EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG.

Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de

achtergalerij harer woning, zich onledig te houden met het verstellen

van de kleedingstukken der overige kinderen die erg toegetakeld waren.

„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,”

pruttelde Gesina, een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer

zeer vluchtig kennis maakte, bij gelegenheid van de dans-receptie op

het residentie-huis. „Kijk me dat ding er eens uitzien! De eene mouw

hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont een

winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het

herstellen nog waard?”

„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.”

„Die bengels veroorzaken ons toch te veel werk, mama,” pruttelde

Gesina.

„Kom, het zijn levenslustige jongens,” voerde hare zuster Mathilda ter

vergoelijking bij.

„Moeten zij, om levenslustig te zijn, in de boomen klimmen, en hunne

kleeding verscheuren?”

„Kan een jongen wel uit een boom blijven, wanneer hem een goudgele

manga tegengluurt? O, als ik een jongen was, deed ik ook zoo!”

De moeder glimlachte over den uitval harer dochter.

„Ik zie mijne Mathilda al daar boven in dien boom! Wat zou dat een lief

gezicht opleveren! Het zou bepaald zijn: horre Kees!”

Mevrouw Meidema bracht dat, „horre Kees” zoo grappig er uit, terwijl

zij met de hand eene beweging maakte, alsof zij zich in de zijde

krabde, dat de beide meisjes het uitgierden. Eene poos moesten zij het

naaiwerk staken om uit te lachen.

„Maar, ma,” begon Gesina, nadat de lachbui over was. „Zoudt gij ons

niet door eene „toekan minjahit” (naaister) kunnen laten helpen?”

„Waar denkt mijn Sientje aan?” vroeg de moeder ernstig.

„Ik vind het idée uitstekend,” kwam Mathilda hare zuster te hulp.

„Maar kinderen eene toekan minjahit kost geld.”

„En Anna van Gulpendam, die had wel eene naaister,” snapte Mathilda.

„Ja, maar Anna van Gulpendam, is een eenig kind, Thilda, en daarenboven

de dochter van een resident.”

„Is er zooveel verschil in het tractement van een resident en een

assistent-resident, mama?”

„Dat zou ik denken. Hier, de resident heeft 1500 gulden ’s maands, en

papa slechts 500 gulden.”

„Is dat zóóveel verschil? Dat dacht ik niet.”

„De resident heeft slechts eene dochter en wij tellen zes rijstdiefjes,

Thilda.”

„Zijn kinderen dan zoo duur, ma?” vroeg Gesina met een zucht.

„Reken maar na: Kost, kleeding, schoolgeld en wat al niet meer.”

„Het is jammer.”

„Wat is jammer?”

„Dat dat goedje zoo duur is, anders het is wel aardig.”

„Hoor me nu zoo’n inconsequent meisje eens aan! Straks pruttelde ze

over het vele werk, dat die bengels veroorzaken, en nu vindt ze ze zulk

aardig goedje,” lachte mama.

„Nu ja, mama... U moogt zoo niet vitten... Een mensch mag wel eens

pruttelen, vooral als men kielen te verstellen heeft,” antwoordde

Gesina, terwijl zij het hoofdje aan haar moeders borst vlijde.

„Geld is toch nog niet alles, mama,” was de wijsgeerige ontboezeming

van Mathilda, die ijverig voortpikte, terwijl mevrouw Meidema de

bevallige beweging van Gesina met een streelend handgebaar door hare

lokken beantwoordde.

„Geld is toch nog niet alles!”

Dat sloeg volgens den gedachtengang van het schoone kind op het

geconstateerde verschil van tractement tusschen den resident Van

Gulpendam en haren vader.

„Neen, zeker, Mathilde, geld is niet alles,” antwoordde Gesina. „Kijk

eens, zijn wij niet gelukkig?”

„En laten wij de vergelijking voltooien,” ging Mathilda voort. „Zou men

in het residentiehuis gelukkiger zijn? O, als ik alles bedenk, dan kan

ik een zucht niet weerhouden. Arme, arme Anna!”

„Hebt ge tijding van haar?” vroeg Gesina, die ook weer haar werk hervat

had.

„Dezen ochtend ontving ik een brief van Karang Anjer. Maar, zooveel

mismoed, ja zooveel wanhoop straalt mij uit iederen volzin, uit iederen

regel tegen! Och, och, ik vrees het ergste. Met haar karakter uit een

stuk, is Anna tot iedere wanhoopsdaad in staat.”

„Maar, wat is er toch met haar?” vroeg Gesina.

„Het fijne weet ik er ook niet van. Anna is zeer geheimhoudend, wat die

zaken betreft. Maar voor het naaste meen ik toch te weten, dat hare

ouders een huwelijk met Van Nerekool niet inwilligen.”

„Och, zij zal zich spoedig te Karang Anjer vervelen en dan komt ze

terug.”

„Zou ze? Mij schrijft ze, dat ze nimmer meer terugkeert. O, haar brief

is zoo akelig droevig; hij geeft mij den indruk, alsof het een

afscheid, een vaarwel voor het leven ware. Zij verzoekt mij, als haar

trouwste vriendin, den steen niet op haar te werpen, wanneer hare

wanhoop haar den laatsten stap zal doen volvoeren, en de geheele wereld

dan hare nagedachtenis zal bezoedelen. Moeder, wat moet ik toch doen,

om die smart te lenigen? O, kon ik toch naar Karang Anjer!”

„Mijn lief kind,” antwoordde de moeder, „het beste wat gij doen kunt,

is in uwe correspondentie met Anna zoo min mogelijk op hare liefde voor

Van Nerekool te zinspelen. Zij heeft u niet geheel tot haar

vertrouwelinge gemaakt. Er bestaan dus geheimen, die het onkiesch zou

zijn aan te raken, en waarbij uwe onhandige hand met het mes in de

smart wroeten, en de wond dus vlijmender maken zou. De tijd is een

groote heelmeester, die zal ook bij Anna zijne uitwerking niet missen.

Ik ken eenigermate den gang der gebeurtenissen... wie weet, of zich

alles nog niet ten goede keert.”

„Kent gij de gebeurtenissen, moeder?” vroeg Mathilda. „O, vertel mij

die. Gij weet, hoe lief ik Anna heb. Alles wat op haar betrekking

heeft, boezemt mij belangstelling in.”

„Mathilda,” antwoordde de moeder, „Anna, die, naar ik vermoed, de zaken

niet in haar geheel weet, heeft gemeend wat zij weet voor u geheim te

moeten houden. Zij heeft daar zeer goed aan gedaan...”

„O, mama!....”

„Want zij zou u een blik hebben moeten doen werpen in zoo’n poel van

ongerechtigheden, die zeer zeker voor de bevatting van een jong meisje

ongeschikt zijn, en haar hart dan ook hebben doen inkrimpen, en zich

doen terugtrekken. Vergun mij, dat ik haar voorbeeld volg... Maar... om

tot ons hoofdonderwerp terug te keeren. Gij zeidet zoo even: geld is

niet alles, nietwaar? Neen geld, is niet alles. Wij zien daar eene

familie, wie het aan geld niet ontbreekt, die daarenboven andere

gegevens heeft als: gezondheid, aanzien, de eerste positie in onze

maatschappij, enz. om overtevreden te zijn, en die toch het geluk mist.

Neen, geld is niet alles.... En toch....”

De goede vrouw zuchtte diep. Dat zij daar met hare dochters zoo te

werken zat, duidde genoegzaam aan, dat het slijk der aarde haar niet

zoo onverschillig was, als dat „neen, geld is niet alles!” te verstaan

kon geven. Bij hare aarzeling om verder te gaan, keken haar de beide

meisjes aan.

„En toch?...” vroeg Gesina. „Ga voort, moeder.”

„En toch zou een paar honderd gulden tractement meer,” vervolgde

mevrouw Meidema, „onzen toestand zeer verbeteren. Och, wij zitten op

zoo groote lasten. Wij hebben zoo belangrijke betalingen te doen;

en...”

Het zeil, dat de achtergalerij van het erf afsloot en voor het schelle

daglicht beschutte, werd in dit oogenblik opengeslagen, waardoor een

verblindende zonnestraal naar binnen drong, die allen deed opzien.

„Babah Lim Yang Bing minta ketamoe sama toean” (babah Lim Yang Bing

vraagt om mijnheer te ontmoeten), sprak een der bedienden.

„Maar, mijnheer is niet te huis, die is op zijn kantoor,” antwoordde

mevrouw Meidema. „Dat weet ge wel.”

„Dat heb ik den babah ook gezegd, njonja,” antwoordde de Javaan.

„Welnu?”

„Hij wenscht de njonja te spreken.”

Mevrouw Meidema maakte een gebaar van ongeduld. Lim Yang Bing, de

rijkste Chinees van de residentie Santjoemeh, wellicht van geheel

Nederlandsch-Indië, was evenwel geen man, die afgewezen kon worden. Het

gebeurde trouwens wel meer, dat hij zijne opwachting aan de dames kwam

maken, bij welke gelegenheden hij steeds de eene of andere snuisterijen

had te laten zien.

„Laat hem maar binnen komen,” sprak mevrouw.

In allerijl werd het naaiwerk weggemoffeld, en een borduurwerkje ter

hand genomen. Wat had zoo’n Chinees ook te zien, dat de Europeesche

familie zich zonder toekan minjahit moest behelpen.

„Tabeh njonja, tabeh nonna, nonna. Saja halap...”

Maar waarom te trachten het brabbelmaleisch van den Chinees weer te

geven. Dat zou een onmogelijkheid probeeren zijn door de moeielijkheid,

welke die landaard heeft om sommige medeklinkers uit te spreken,

waardoor zij die door andere verwisselen, en hun spreken schier niet te

volgen is.

„Goeden dag, mevrouw, goeden dag, jonge dames,” sprak hij hoffelijk.

„Ik hoop, dat ik de dames niet ongelegen kom. Maar ik dacht den heer

assistent-resident te huis aan te treffen, en nu mij dat geluk niet ten

deel valt, kan ik niet nalaten mijn opwachting bij de dames te maken,

eerstens om naar den staat hunner gezondheid te informeeren, dan ook om

haar eene groote tijding mede te deelen.”

„Eene groote tijding?” vroeg mevrouw Meidema, als alle vrouwen

nieuwsgierig. „Ga zitten, babah.”

En zich tot den bediende wendende, die op de trappen der achtergalerij

gehurkt zat:

„Todrono, kassi karossi!” (Todrono, geef een stoel.)

De meisjes keken den Chinees, die met eene strijkage plaats nam, met

van nieuwsgierigheid schitterende oogen aan.

„En uw groot nieuws, babah?” vroeg mevrouw Meidema ongeduldig.

„Eerst moet ik omtrent den staat der gezondheid van de dames ingelicht

zijn,” antwoordde babah Lim Yang Bing met plichtpleging.

„O, wij zijn gezond en wel,” antwoordde mevrouw Meidema. „Ik dank u.”

„Dan zij Toean Allah geprezen!” zei de Chinees niet zonder

hoogdravendheid, maar met honigzoeten glimlach om de lippen.

„Maar nu uw nieuws, babah?” vroeg Gesina ongeduldig.

„De nonna heeft gelijk nieuwsgierig te zijn. Want vooral de jonge

meisjes zullen pret hebben.”

„Maar spreek dan toch, babah!” zei Mathilde even ongeduldig als hare

zuster.

„Het geldt een huwelijk,” antwoordde de Chinees.

„Een huwelijk?”

„Een Chineesch huwelijk?”

„Ja, een Chineesch huwelijk,” antwoordde babah Lim Yang Bing met al den

nadruk, dien hij aan zijn woorden geven kon.

„O, heerlijk!” kreten de meisjes.

„En wie zijn de gelukkigen?” vroeg mevrouw Meidema.

„Dat mag ik nog niet zeggen, nja.”

„O, maar dan is het nog niet zeker,” zei Gesina teleurgesteld.

„Zoo zeker,” sprak de Chinees, „dat ik de zijden stalen reeds bij mij

heb.”

„De zijden stalen?” vroegen de meisjes te gelijker tijd.

„Ja, de zijden stalen. De dames weten toch wel, dat bij dergelijke

gelegenheden door de huwelijkscandidaten geschenken aan de genoodigden

uitgedeeld worden. En daar de dames de huwelijksplechtigheid zullen

bijwonen, heb ik de stalen mede gebracht. O, prachtige zijde, die ik

van Nan Hioeng [163] heb laten komen. De dames moeten eens zien.”

Hij haalde een klein pakje te voorschijn, dat hij losmaakte, en den

inhoud voor den verrukten blik der vrouwen tentoonstelde.

„O! ziet eens die „tahi boeroeng” (groen met rooden weerschijn),” kreet

Gesina. „Wat zou een japon daarvan beeldig zijn!”

„En kijk eens dat blauwe staal!” juichte Mathilda. „Kijk, donkerblauw

met dikke bouquetten. Als ik de keus had, dan....”

„En kiest mevrouw niet?” vroeg de babah aan de moeder.

Mevrouw Meidema liet den blik op het verleidelijk pakje vallen, maar...

aarzelde.

„Toe, zoekt u ook een staal uit, mevrouw,” smeekte Lim Yang Bing met

innemend gebaar.

„Maar... babah,” begon mevrouw. „Ik heb nimmer gehoord van geschenken

bij Chineesche huwelijken. Wel bij de oude- en nieuwejaarsfeesten.”

„Ja, njonja, dat zijn de dagen, dat algemeen en aan ieder geschenken

gegeven worden, [164] maar bij huwelijken worden alleen aan goede

vrienden geschenken aangeboden. En ik noem den heer assistent-resident

mijn „sobat baai.” [165]

„Ja, maar, babah, gij kent den heer Meidema.”

„Zou de njonja mij zoo iets weigeren willen?” vroeg de Chinees

ontsteld.

„O, mama!” prevelde Gesina met smeekenden blik.

„Ik wil niet weigeren, babah. Alvorens evenwel iets te beslissen of te

kiezen, wenschte ik den heer Meidema te raadplegen.”

„Niets natuurlijker dan dat. Dat is zelfs gemakkelijker voor mij.

Mevrouw kan mij dan tot voorspraak zijn bij den heer assistent.”

„Tot voorspraak, babah?” vroeg mevrouw Meidema verwonderd. „Gij weet

wel, dat die voorspraak bij mijn man niet veel beteekent.”

De Chinees lachte fijntjes en antwoordde:

„Niet mij tot voorspraak, mevrouw; ik drukte mij verkeerd uit; maar tot

voorspraak van den bruidegom.”

„Van den bruidegom? Dat ’s waar ook. Wie is toch die gelukkige, babah?”

„Dat is nog een geheim, mevrouw... Maar ik zal het u maar zeggen. Dan

ben ik van uwe voorspraak overtuigd. Het is mijn zoon Lim Ho.”

„Zoo... zoo... En met wie treedt hij in het huwelijk?” was de kalme

vraag van Mevrouw Meidema.

„Met Ngow Ming Nio.”

„De dochter van Ngow Ming Than? Ja?... Een mooi en rijk meisje. Ik

feliciteer u wel.”

„En kan ik op de voorspraak van mevrouw voor Lim Ho rekenen?” vroeg Lim

Yang Bing.

„Waarin heeft Lim Ho mijne voorspraak noodig?” was de wedervraag.

„Och, de heer assistent-resident is den armen jongen niet erg genegen.

Als mevrouw een goed woord wilde doen.”

„Maar, waaromtrent een goed woord? Met zijn huwelijk heeft de heer

Meidema niets uit te staan, nietwaar?”

„Neen, njonja. Maar er is eene opium-perkara, waarin de arme jongen

betrokken is.”

„O, daarvan wil ik niets weten,” riep mevrouw Meidema verschrikt uit.

„Daar, babah, steek die stalen maar weer bij u.”

De Chinees was getroffen. Beteuterd rolde hij een poos de stalen te

zamen, en stak ze daarna in den zak.

„Maar nja; de arme jongen is dood onschuldig.”

„Daar wil ik niets van hooren, geen woord meer babah.”

„Als de heer assistent-resident den armen jongen maar wilde hooren.”

„Toe, ma!” smeekte Gesina, die de mooie zijden japon, aan den

gezichteinder zag verdwijnen. „Als pa den zoon van den pachter maar wil

hooren.”

Mevrouw Meidema aarzelde.

„Als mijne voorspraak niets anders geldt..... Dat wil ik hem wel

vragen,” sprak zij.

„Ma, pas op!” fluisterde Mathilda waarschuwend, maar zacht.

„Ik dank de njonja zeer. Wat zal de brave jongen gelukkig zijn!” viel

de Chinees in; terwijl hij de hand van mevrouw Meidema greep, en die

dankbaar drukte. „Ik zal die stalen....”

„O, neen, niets van die stalen!” riep mevrouw Meidema uit.

„Och, ma!” mompelde Gesina.

„Pas op, ma!” fluisterde Mathilda.

„Die geschenken hebben met uwe toezegging niets gemeens, mevrouw,”

haastte Lim Yang Bing, wien dat gefluister der jonge dames niet beviel,

te verzekeren. „Ik heb de eer u en uwe dochters, en natuurlijk ook

mijnheer Meidema, uit te noodigen de huwelijksplechtigheid en de

bruiloft van mijn zoon bij te wonen. Daar steekt niets in. Gij behoort

tot onze goede vrienden. En de jonggehuwden mogen uit erkentelijkheid

voor de ondervonden eer eenige geschenken aanbieden. Daar steekt nog

minder in. Dat is onze adat. Wie wil daar nu kwaad in zien?.... Dat is

dus afgesproken. Ik laat dat pakje met stalen hier, dan kunnen de dames

op hun gemak uitzoeken, en de zaak met den heer assistent-resident

bespreken.”

Ja, zoo voorgesteld, ontmoette de aanbieding niet veel tegenkanting

meer. En al had die bestaan, dan zou mevrouw Meidema geen tijd

overgebleven zijn, om die te opperen. De Chinees lei met veel haast het

pakje op de tafel, boog diep voor de dames, prevelde zijn tabeh met nog

eenige woorden, waaruit kon opgemaakt worden, dat hij terug zoude komen

om omtrent de keuze der dames te vernemen en verdween.

Toen de babah weg was, keken de meisjes elkander en hunne moeder aan,

Gesina met een glimlach op het lieve gelaat, Mathilda met eene ernstige

plooi om den mond.

„Eene Chineesche bruiloft!” kreet de eene opgetogen. „Er zal voorzeker

receptie gehouden worden! Wat zal er gedanst worden! Als de Chineezen

eene partij geven, dan doen zij het goed.”

„Bedaar toch, Sientje,” maande mevrouw Meidema hare dochter tot kalmte

aan, hoewel de goede moeder met verrukten blik die blijdschap aanzag.

Och hare lievelingen waren zoo weinig in de gelegenheid zoo eene partij

bij te wonen. Een enkele keer in het jaar bij de residents-familie,

maar dat was ook al.

„En wat zal ik in mijn nieuwe zijden japon pronken!” ging het meisje

voort, terwijl zij het pakje van de tafel greep. „O, bepaald, ik kies

die tahi boeroeng. En gij, Thilda?”

„Ik weet het niet,” antwoordde deze met een zucht; „maar ik heb een

gevoel alsof dat pakje ongeluk over ons huis zal brengen.”

„Kom, wat malligheid! Kijk eens die stalen!” sprak Gesina, terwijl zij

het pakje openrolde. „O, die fraaie bruine zijde! Kijk eens, mama, dat

zou wat voor u zijn! En die blauwe, dat is de keus van Thilda, die is

ook mooi. Maar in mijn oog is de tahi boeroeng de mooiste. Zie eens!...

Maar.... wat is dat?...”

Gesina had het staal op haren knie willen leggen, om de veranderlijke

kleuren goed te doen uitkomen; maar bij die beweging gleden eenige

bankbiljetten uit het pakje op den grond. De dames zaten een oogenblik

als versteend; want met een oogopslag hadden zij papiertjes van vijf

honderd gulden herkend. Eindelijk bukte zich Gesina, raapte ze op, en

telde ze: een, twee, drie.... tot tien.

„Vijf duizend gulden!” prevelde zij verward. „Hoe zouden die in dat

pakje komen? Dat ’s eene vergissing van den babah!”

„Mijn voorgevoel!” dacht Mathilda bij zich zelve.

„Vijf duizend gulden!” vloog door het brein van mevrouw Meidema,

terwijl zij het pakje bankbiljetten van hare dochter Gesina overnam.

„Vijf duizend gulden!”

Wat ging er in hoofd en hart van die brave moeder om? O! hare eerste

gedachte was om den babah te laten terugroepen, om hem dat geld terug

te geven, en hem met zijne stalen de deur te wijzen. Vijf duizend

gulden!.... Maar, de Chinees was al zoo ver weg!....

Vijf duizend gulden!... En moesten de bedienden met die zaak in

wetenschap komen?... Neen, dat kon niet... Vijf duizend gulden!... Die

vertegenwoordigden tien maanden traktement van haren echtgenoot! Zij

streek de papiertjes een voor een glad, wond ze om haren vinger... Vijf

duizend gulden!... Van die som konden alle betalingen geschieden!....

En, wat zou er moeten gebeuren?.... Vijf duizend gulden!... De beeren

betaald, zoude nog wel een sommetje overschieten... Meidema kon dan

eens verlof nemen naar de bovenlanden. Hij zag er in den laatsten tijd

zoo naar uit. Een paar weken verblijf in de berglucht zou hem goed

doen... Vijf duizend gulden!... Ook de knapen zouden nieuwe kielen...

Zij werd gestoord in haren gedachtengang, door een rijtuig, dat het erf

opreed.

„Daar is papa!” riep Gesina uit. „Gauw weg met die stalen en die

bankbiljetten!”

Zij greep reeds toe. Zij had die zijden lapjes en die papiertjes reeds

opgerold, en was op het punt dat pakje onder het kielengoed, waarmede

zij bij het binnenkomen van den Chinees onledig was geweest, te doen

verdwijnen; toen hare moeder haar beiden afnam, en voor zich op tafel

neerlegde.

Bij het hooren van de stem van haren echtgenoot, die in de voorgalerij

der woning aan de bedienden eenige bevelen gaf, was de brave vrouw uit

den zwijmel van booze gedachten, die haar in haren maalstroom dreigden

mee te sleepen, opgeschrikt. Neen, voor den man, aan wiens zijde zij

gedurende een groot gedeelte van haar leven rein en onbesproken had

voortgestapt, wilde zij geen geheimen hebben! Neen, voor den man, dien

zij zoo lange jaren in lief en leed, in voorspoed en in tegenspoed had

ter zijde gestaan, zou zij niets verzwijgen! Zij zou hem alles

blootleggen. Hij kon dan handelen, zooals hij zou meenen, dat goed was.

Zij waren wel arm; maar zij zou zich aan zijne beslissing onderwerpen.

Dat alles bestormde in een ondeelbaar oogenblik het hoofd der brave

vrouw. Toen Meidema de achtergalerij binnentrad, was haar besluit

onwrikbaar genomen.

De meisjes vlogen op, en gaven haar vader een kus. Ook de moeder

naderde en verwelkomde haren echtvriend. Deze evenwel zag met een

oogopslag, dat er iets haperde. Hij greep haar met beide handen bij de

schouders, en keek haar uitvorschend in de nog schoone oogen.

„Zeg, mamaatje,” vroeg hij met opgeruimde stem, „is er iets?”

„Ja, Meidema, ga zitten, ik heb u wat te vertellen.”

„Hoe ernstig, mijn oudje! Kunnen de meisjes hier blijven?”

„Ja, zeker. In die zaak heb ik voor haar geene geheimen. Ik verlang

zelfs, dat zij blijven.”

„Drommels, hoe solemneel! Geldt het haar? Zijn zij ten huwelijk

gevraagd? Niet? Ik zou daarin ook geen reden vinden, om zoo’n gezicht

als zes weken westmousson te zetten.”

„Maak nu geen gekheid.”—

„Geldt het dan de knapen? Zijn die weer stout geweest? De pantalon

gescheurd? Of de kiel aan flarden? Ja, die jongens zijn een kruis!

Maar, kom... dat alles komt terecht.”

Alles terecht?....

Bij die woorden bleef hij steken. Zijn onderhoud met den resident kwam

hem voor den geest. Hij stapte na de omhelzing de galerij op en neer,

haalde eene sigaar uit zijn koker, en keek Mathilda aan. Deze vloog op.

„Mag ik ze aansteken, pa?” vroeg ze.

Zij nam de sigaar in den mond, streek een lucifer aan, deed eenige

trekken, waarbij zij een allerkoddigst gezichtje zette, wanneer de

tabaks-rook haar in de neusgaten of oogen drong. Zij kuchte dan licht,

boog het hoofdje ter zijde, trok de neusvleugels eenigszins op, en

kneep de oogen dicht. Toen de sigaar goed rondgebrand was, stak zij ze

haren vader in den mond, met de woorden:

„Ah bah! hoe leelijk! Dat de heeren zoo iets lekker kunnen vinden!”

„Kleine feeks, ge hebt de sigaar verkeerd aan het dikke einde

aangestoken.”

„Dat’s zuiniger, pa.”

„Wel mogelijk; maar daarom smaakt ze zoo leelijk.”

„Kom, pa. Tabak is toch tabak, en dan dat dikke eind in den mond, dat

ontsiert de lippen zoo. Kijk zoo, dat dunne eind, dat staat goed. Maar

pa, let nu eens op ma!”

„Ga hier zitten, Meidema; want, wat ik je te zeggen heb, is ernstig.”

„Ik zit al, wijfje, en luister aandachtig.”

„Babah Lim Yang Bing is straks hier geweest.”

„Zoo, ik kwam hem tegen. Hij groette mij allervriendelijkst, nog

vriendelijker dan anders.”

„Weet gij wel, wat hij heeft komen doen?”

„Wat hij heeft komen doen?...” vroeg de heer Meidema, ietwat

verwonderd. De naam van den pachter had reeds zijne aandacht gaande

gemaakt, zonder dat hij kon gissen, wat er aan de hand was. „Wat zou

hij hier hebben komen doen? Eenvoudig een praatje maken.”

„Weet gij dat zijn zoon Lim Ho trouwen gaat?”

„Daar heb ik zoo wat van gehoord, met de dochter van dien ouden rijken

Chinees, nietwaar?”

„Ja, pa, met de lieve Ngow Ming Nio,” viel Gesina in.

„Lim Yang Bing,” ging mevrouw Meidema voort, „heeft ons, u, mij en de

meisjes komen verzoeken om bij de huwelijksplechtigheid en op de

bruiloft tegenwoordig te zijn.”

„Welnu, wat zou dat? Dat zal de meisjes pleizier doen, nietwaar

deerns?” zei hij, terwijl hij de wangen zijner tweelingen streelde.

„Zoo’n Chineesche huwelijksplechtigheid is allerinteressants. Ziet ge

daarom zoo ernstig?... O, ja!... vanwege de kleeding... Laatst met de

partij bij den resident werd reeds aanzoek om nieuwe japonnen gedaan...

Dat’s last...”

„Neen, Meidema, dat is niet lastig; want de Chinees biedt ons

geschenken aan.”

„Geschenken?”

„Ja, hij zegt, dat de gebruiken medebrengen, dat jonggehuwden aan goede

bekenden geschenken uitdeelen.”

„Accoord: wat suikerwerk, gebak of zoo iets. Maar, wat heeft dat?...”

„Neen, geen snoeperijen, maar zijde, om japonnen van te maken.”

„Zijde!... Is die vent dol? Van die adat heb ik nooit gehoord. En ik

ben toch al een tijd in Indië!”

„Hij heeft zelf stalen van Chineesche zijde achtergelaten. Beelderig!

Prachtig mooi! Eene kleine voorwaarde was er evenwel aan verbonden.”

„Eene voorwaarde?... En die is?”

„Ik zou de voorspraak bij u zijn voor Lim Ho.”

„Voor Lim Ho!!... Zoo! En wat hebt gij gezegd?”

„Dat ik daar niets mede te maken wilde hebben.”

„En waar zijn die stalen?... Geef hier, dat ik ze in het vuur werp!”

„Zacht wat, Meidema!”

„Voorspraak van Lim Ho! Met een zijden japonnetje wilde men u

omkoopen!”

„Niet alleen met een zijden japonnetje, Meidema. Rol dat pakje eens

open!”

De assistent-resident deed zulks woest en hartstochtelijk in zijne

opgewondenheid.

„Wat is er?... Wat is er toch?” riep hij ongeduldig uit.

Daar vielen hem de bankbiljetten op de voeten. Bleek en ontdaan raapte

hij ze op, telde ze, streek ze glad, keek zijne vrouw en kinderen met

strakken blik aan; maar sprak geen woord. Eindelijk, in een woesten

vloek uitbarstende, frommelde hij het pakje stalen en de bankbiljetten

tot een vormloozen klomp te zamen.

„De duivel zal dien Chinees halen!” riep hij uit. „Daar zal de vent van

lusten!”

En den bediende roepende;

„Todrono, soeroe passang koeda!” (Todrono, gelast den koetsier de

paarden voor te spannen).

Tien minuten later had hij het erf verlaten.

Baboe Dalima · 第 59 / 94 题