OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT.

Neen, Anna had niet gewild.

Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek,

tot hunne samenzwering over te halen, en haren invloed op Van Nerekool

uit te oefenen, antwoordde zij even beslist: „nooit!” als Karel dat op

den bewusten partijavond in den residentstuin aan mevrouw Van Gulpendam

gegeven had.

„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk.

„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in

deze zaak afhangt.”

„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière

trachten te bevorderen.”

„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.”

„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot

niets.”

En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij:

„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne

gedragslijn...”

„Mijne vereeniging!...” kreet Anna.

„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den

man, dien zij geboeid heeft.”

„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te

plegen?”

„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam.

„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog wijder maken? Neen,

neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch,

namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De

zijne kan ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten

minste vlekkeloos zij als de herinnering aan een schoonen droom!”

„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging,

„waarom zou uw geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen

boezem wroeten?”

„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en

mijn vader zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan

eene vereeniging met Van Nerekool valt niet meer te denken...”

„Als gij maar wildet.”

„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne

verlokkingen toegaf, dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder

gevoel bij mij uitgedoofd zijn; want ik zou den man verachten, die zijn

plicht ten offer bracht aan zijne liefde, die eene misdaad zoude

plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.”

„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader.

„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet

uitstorten, wat mij bezwaart, benauwt. Zooals ik wensch, dat de

herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet

ook hij verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig,

deugdzaam en strikt rechtvaardig man in mijn hart bewaard blijve. Zou

ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren is, te gemoet moeten

treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven alle

stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen,

ik wil Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!”

Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn

trilde.

„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem.

„Ge weigert dus, Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?”

„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven.

„Gij bederft zijne carrière.”

„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.”

„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.”

„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders

daargesteld.”

„Maar waarmede?” kreet Laurentia.

„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke

voorstellen deden!”

„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan

komen! Een kind, dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die

ouders onwaard. Ik had besloten, om aan die dwaze liefdeshistorie, die

u compromitteert, een einde te maken, dat gij eenigen tijd te Karang

Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt vertrekken.

Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald

wordt.”

„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak

met die wijziging ingenomen zijn?”

„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar

Batavia. Zijne echtgenoote en dochters zijn te Karang Anjer

achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer des huizes nog al

aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een logé

eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn.

Ik ga naar mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk

telegrafeeren. Morgen ochtend vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal

zij door een mijner kennissen afgehaald worden, die haar met zijn

postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal

brengen.”

Laurentia zuchtte.

„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,”

zei zij, en toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de

„soesah” (moeite) dan tegen de verwijdering harer dochter opzag.

„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan

mij over. Morgen ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.”

„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia.

„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als

onderdanige dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens

omtrent hare ouders te koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.”

Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de

hoop op haar gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het

gelaat van Anna, dat wel bleek zag, liet niets bespeuren van wat in

haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid, noch overmoed was op die

zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst.

„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar

zijn kantoor te gaan.

„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis

verlaten, om daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die

scheiding niet uitgesproken hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.”

„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne

trotsche dochter? Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten

laste van de kombuis van de familie Steenvlak kan blijven?” vroeg de

resident, terwijl hij in eene uitdagende houding voor zijne dochter

staan bleef.

„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik

neem voorshands de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet,

hoe innige vriendschap mij met de meisjes verbindt, welke innige

aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder koester. Wat ik later

doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen,

zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure;

nimmer zal ik u lastig vallen.”

„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder

één cent geld? Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die

wereld?”

„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten

aanroeren. Gij hebt mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij

nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn onderhoud te kunnen voorzien. Ik

zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in Indië niet, zonder uw

naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat in

straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij

terugdeinzen. En toch... maar dat is van latere zorgen...”

„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke

plannen geld verdienen hoofdzaak is.”

„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik

sprak er nooit over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu

evenwel de nood dringt, ben ik tot spreken gedwongen. Het is twee jaren

geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam te Gouda overleden is?

Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg ik een

briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd.

In dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en

haar leedwezen betuigde, dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen,

deelde zij mij mede, dat zij mij per testament 40.000 gulden vermaakt

had, en dat ik bij het intreden van mijn 20ste jaar mijn recht op die

som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer met u te

spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen

verrassen. Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en

deelde mij mede, dat die som tegen 3½ % belegd was in staatspapieren,

die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene niet te gelde mochten

gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij wel niet

weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien.

Aanstaande jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal

kunnen beschikken. En die dan leeft, die dan zorgt.”

Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander

gezet, dat de beide ouders, het ernstige karakter van hun kind

kennende, begrepen, dat zij hier met een vooraf overwogen en

vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent die erfenis,

welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden

toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed

ingelicht, dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een

beter gevoel begon zich van de moeder meester te maken. Een traan

glinsterde in haar oog.

„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.”

„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij

bezwaarlijk nog te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij

dierbaar op aarde was, verloren. Welke ramp zou mij nog kunnen treffen?

Ik tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover

mij geweest is.”

Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde

iets rauws in zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde

meester te worden. Heerschzuchtig als hij was, verdrong hij evenwel dat

betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter was dan hij, was hem

ondragelijk.

„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond

verstand in strijd zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te

zeggen hadden. Ik blijf bij mijn besluit: gij vertrekt morgen naar

Karang Anjer.”

„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te

brengen,” sprak het meisje met een diep besef van eigenwaarde.

„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen

wezen,” was zijn laatste woord bij het heengaan.

Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond

een tentwagen voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het

was een van die lichte voertuigen, met vier paarden bespannen, waarmede

de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die streken, welke nog

misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden langs

moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer

werd op de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat

valiesje kon niet veel bevatten. Anna had niets dan het hoogst

noodzakelijke uit haars vaders huis willen meênemen, en daartoe had

haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat dit weinige

beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som,

haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren

afgeworpen had. Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene

fluweelen of zijden japonnen, geen kostbaar kantwerk bevatte dat

koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis achtergelaten. Slechts

het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje, ziedaar

wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in

geslagen had.

Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna verscheen in de

voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud

gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens

niets in het oog loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den

hals, en de manchetten om de polsen. Maar zelfs die witte strooken

zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon bij. Niemand vergezelde

haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige verlichting

van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den

tuin en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een

weemoedigen blik rondom haar op die boomen, op die struiken, op die

bladeren, op die bloemen, die zooveel herinneringen in haar brein

opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik was het, of

zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele

beweging der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare

wang biggelde. Zij wierp nog een blik rondom zich, sprong toen op een

struik Devonshire rozen toe, die in een sierlijken pot tegen de

balustrade der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat

aan den boezem, terwijl zij met een snik prevelde:

„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap

vergezellen!” en was in een ondeelbaar oogenblik het rijtuig

ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde.

Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig

zwenkte het erf van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en

ijlde met spoed Java’s bergland te gemoet. Anna leunde achterover in

het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan hare droeve gedachten

over.

Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het

hoofdgebouw der residentswoning, die tot de voorgalerij toegang

verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die al de bewegingen van

hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de oogen van

het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had

haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een

rauwe kreet ontwrong zich hare borst:

„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!... Waar zooveel

gegevens waren om gelukkig te zijn!... Hoe zal dat alles nog eindigen?”

Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst

schrikkelijk zou beantwoord worden.

Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s

binnenlanden, waar verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den

posthouder vergunning, om onder zijne bamboe-verandah een poos te mogen

toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij eene kleine nécessaire

tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik was

zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig

gelaat duidelijk aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde,

hoogst ernstig was. Maar langzamerhand scheen dat onderwerp haar te

vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de diepte harer

borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare

oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier

droppelden.

Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij

schreef aan Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij

zich bevond, dat schrijven het innigste van haar hart blootlegde, en

alleen bestemd was, om hem onder het oog te komen, voor wien het

bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken zelfs van

eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare

beweegredenen te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar

veel, zeer veel inspanning kostte.

„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool,” schreef zij, „u

na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten, welke

pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij

om mijne hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek

te doen. Deze daadzaken gaven u eenigermate het recht om op een nader

onderhoud met mij aan te dringen, en nopen mij thans ook, om u een

laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had, hebt gij een

gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna,

en.... o, vergeef mij... een kind mag de daden zijner ouders niet

gispen;... maar dat gesprek maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn

vader daarmede instemde, eene vereeniging tusschen ons beiden

onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen

huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen

deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of

medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is

meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even

fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen,—als toen ik

met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds voor

mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere

oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren

hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den

beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor een daad van

plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als

welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met

achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts

een aalmoes, aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien,

ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat zou mij het leven

tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen.

„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik

verspannen wordt. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar

Karang Anjer bij de familie Steenvlak ga logeeren. Mijn vader heeft het

genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal gekomen zijn. Welnu

ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste

stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen

zal? Vriend, dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar

Australië zal trachten te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een

kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen zal, spoorloos

verdwijnen...; want zelfs.... de naam van Van Gulpendam is mij

ondragelijk.

„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer

genoemd zal worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan

nietwaar zult gij met uw edel karakter nog wel eene gedachte wijden aan

het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich zoo gelukkig geacht zoude

hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie dat geluk

niet weggelegd was.

„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren

geheelen toestand. Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de

oorzaken, dan gij. Maar, nietwaar, ter wille van mij zult gij die

rampzalige niet aan haar lot overlaten! O, voor die voorgewende

opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat weet

ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer

het opiumzaken geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt

haar de hand boven het hoofd. Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije

voeten komt, in den poel van ellende verzinken, waarin hare rampzalige

rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig met de

Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn.

„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik

kan u niet verzoeken mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms

eene gedachte over te hebben, voor haar, die zich slechts met haar

voornaam durft te onderteekenen:

„ANNA.”

Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem

behoorlijk verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De

post in die streken werd slechts tweemalen per week verzonden.

Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de

zon toch reeds ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats

bereikte. Anna nam haren intrek in het eenige hotel aldaar, en na een

weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid als zij was, rusten en

viel gelukkig weldra in een vasten slaap.

Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim

36 palen [161] dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer

te bereiken. De weg was evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij

tegen het middaguur te midden der lieve familie zat, die hare aankomst

met ongeduld verbeid had.

Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal

onmisbaar, naar het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de

secretaris vertrokken was, had de resident Van Gulpendam gezucht:

„O, als Anna toch gewild had!”

Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en

wegende, wat had kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna

verlokt, als gedwee volgeling van het hoofd van gewestelijk bestuur,

tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd worden.

„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien

noord-wester stoker wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree

brengen! Maar... waarop doelde toch de secretaris met de aanhaling van

dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde hij ook weer?... O

ja... nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.”

En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien

hij tusschen eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven

zijn schrijflessenaar teruggeplaatst had, bladerde hij daar een poos

met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep:

„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.... „Alle overtredingen der bij

dit reglement gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn

gesteld, worden gestraft met eene boete van een duizend tot tienduizend

gulden voor elke hoeveelheid van honderd katies opium of daar beneden,

waarmede de overtreding is gepleegd, en een honderd gulden voor elke

katie meer.”.... Drommels!... Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!...

Zoo, komt de stroom uit dien hoek?... Dan zullen wij nog een tuianker

moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht... Maar....”

„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer

assistent vraagt om den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der

oppassers, den heer Meidema aandienende.

„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel.

„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den

heer secretaris, die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.”

„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten... Ik heb kennis bekomen

van het proces-verbaal omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing

aangehaald, maar tot mijne bevreemding zijn de daadzaken der aanhaling

niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.”

„Niet, resident?”

„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden

avond van de aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn

ondergeschikten scherp aankeek.

„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.”

„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met

getuigen, dat de opium bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent

gij toen ook te beamen.”

„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken

meening te weerspreken. Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te

stellen.”

„En?”

„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij

neergelegd zijn in mijn proces-verbaal, als hoofd der politie

afgegeven.”

„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?”

„Met uw permissie, resident? Dat....”

„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?”

De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag

niet, althans hij vervolgde:

„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.”

„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne

stembuiging. „Maar ik vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw

onderzoek u geleid heeft!”

„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond

vreemd. Ik heb dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van

de waarheid,” was het rustig gegeven antwoord.

„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u

leidde dat onderzoek wellicht tot een andere slotsom.”

„En dat is, resident?”

„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten

worden, gemakkelijker van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn,

dan van den armen Javaan, bij wien niets te halen is.”

„Resident! Die taal!”

„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij

uit iederen volzin van uw proces-verbaal tegenstraalt...”

„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. Ik sta daar

geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen, [162] en

weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.”

„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak

de resident smalend.

„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij

te wijzigen. Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt,

gepermitteerd. Nimmer is een cent van de boeten of van de verbeurd

verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij niet overtuigd, dat

ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht mij bij

de regeering aan te klagen.”

„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een

onderzoek gehouden, zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?”

„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den

beschuldigden Ardjan....”

„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En

vervolgens?”

„Vervolgens baboe Dalima.”

„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal

daarenboven haren „toenangan” (verloofde) wel schoon gewasschen hebben.

Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema, dat moet ik zeggen. Hebt gij

er nog meer?”

„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te

halen.”

„En?... Kom, zeil zetten!”

„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der

politieoppassers.”

„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo

iets mag uw geweten als hoofd der politie niet bevangen.”

„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook niet gedaan. Toen

mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing

gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan

wal zoude gebracht hebben.”

„En gij vond niets?”

„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de

aangehaalde opium te kunnen bevatten.”

„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab

twee personen bevat hebben. Ardjan en Dalima.”

„Juist, resident.”

„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?”

„Ja, resident; maar ook niets meer.”

„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was,

mijnheer Meidema?”

„Niet in die prauw, resident?”

„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden

hebben, nietwaar?”

„Dat is zoo, maar het bewijs....”

„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat

baboe Dalima dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig

is geweest. En niet alleen ik, maar alle huisgenooten kunnen dat

getuigen.”

„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema.

„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!”

„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te

staan.”

„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!”

„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen,

behelzende het verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare

gevangenhouding aan boord van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, van hare

redding door Ardjan.”

De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het

was hem, alsof hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet

hem geen tijd om tot verhaal te komen, maar vervolgde:

„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den

kustwachter Matamata, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten

nacht met de barkas jacht maakten op eene prahoe sajab, waarin twee

personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee opvarenden geschoten

hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding

genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in

die woedende zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die

prahoe sajab, resident, en er was dus geen plaats meer voor die opium!

Daarenboven....”

„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde

van den schok, die hem getroffen had.

„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het

wrak lag daar half door het water, half door den modder bedolven, en ik

heb door getuigen laten constateeren, dat de verpakking van den

gesloken opium niet met water in aanraking is geweest. Neen, resident,

mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat vaartuigje aan

wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.”

De resident zat nog een oogenblik na te denken.

„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de

hoeveelheid, soort en hoedanigheid van de aangehaalde opium ten

overstaan van den pachter, door eene commissie van deskundigen doen

constateeren?”

„Ja, resident.”

„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?”

„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die

prahoe door het wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen

deponeeren, stukgehakt en verbrand.”

Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde

binnensmonds: „het lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En

overluid:

„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?...

Maar om het even. Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer

Meidema, mag ik u een goeden raad geven?”

„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.”

„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?”

„Resident!”

„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu,

verstaat u met den pachter.”

„Hoe moet ik dat begrijpen?”

„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim

Yang Bing is rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op

het punt een goed huwelijk te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet

zien.”

„Resident!”

„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in

die opiumzaak uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te

over om uw proces-verbaal van voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel

wat te eenzijdig is, om het onpartijdig te kunnen noemen, te wijzigen.”

„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede.

„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk

huisgezin. Er zijn veel eters aan den bak!”

„Nooit, nooit, resident!”

„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u

wel.”

Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een

oogenblik hem na te staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij

hartstochtelijk de tanden op elkander klemde:

„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak

gezet worden!”

Baboe Dalima · 第 57 / 94 题