Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon
[154] te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats
van het gewest de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang
na al het gebeurde, wat in de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een
rijtuig stil, en stapte een man er uit, die op het gezicht van de vrij
talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het luchtige gebouw
bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig het
perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende.
Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen
was, om op den gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte,
welke zich voor de pandoppo verzameld had, waren meerendeels Javanen.
Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk de aandacht van den
rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger zoo
gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s [155] onder de Wariengien’s
der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw om de
Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij
daar niet dan geboeid of door een paar politiedienaren geëscorteerd,
dus als beschuldigde, misdadiger of getuige.
Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en
allen wachtten in spanning de dingen, die komen zouden.
„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn
bij het binnenkomen aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo
ontmoette.
Deze, een Inlandsch kind, [156] keek bij die vraag eenigszins vreemd
op.
„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die
menigte hier te zamen brengen?”
„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de
substituut niet zonder aarzeling.
„Wat afloopen?”
„Wel, de terechtzitting, mijnheer.”
„De terechtzitting?... Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?”
De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak.
„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met
haperende stem.
„Wat er omgaat?... Wat gaat er dan om?”
De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal
waas verspreidde zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat.
„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem.
„De Inlandsche leden.... van den landraad... hebben een brief van den
resident ontvangen,” kwam er hakkelend uit.
„Een brief?... De Inlandsche leden?... Maar, wat behelst die brief?
Spreek dan toch!”
„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den
landraad.”
„Verbod, om met mij zitting te nemen!... Scheelt het u in het hoofd,
mijnheer Thomasz?”
„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een
pijnlijken glimlach. „Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is
ook....”
„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?...”
„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den
hoofddjaksa verstrekt; zoodat...”
„Zoodat?”
„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.”
„Hoe is het mogelijk?...” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge
wat, mijnheer Thomasz. Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede
dadelijk naar die Inlandsche leden, ook naar de Chineesche adviseurs en
naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat zij komen moeten!
Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!”
„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn
onmiddellijke chef,” antwoordde de substituut.
„Goed! Haast u dan.”
Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo
opgewonden op en neer.
„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en
mocht niet veronderstellen, dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch
had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die ik ben! Toen ik weken geleden
die opdracht van den resident ontving, om de volgorde van de aanhangige
gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg ik wel
inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken
willekeur zou durven overgaan..... Zelfs toen ik acht dagen geleden de
schriftelijke verklaring van den resident ontving, dat ik niet meer
bevoegd was om den landraad voor te zitten, omdat mij een verlof naar
Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke
wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren
berichtte, dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische
rechterlijke organisatie verleende bevoegdheid wenschte gebruik te
maken, om de eerste landraadzitting te presideeren. Beide
aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde
ze dus niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om
op zoo ergerlijke wijze met de wettelijke bepalingen om te springen.
Want, dwaas is het, een artikel van eene verouderde organisatie, die
vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om afzonderlijke
rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen,
te baat te willen nemen. Maar..... wat is er toch aan de hand?” vroeg
hij zich af.
En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op
de groene tafel had neergelegd, las hij op de agenda de eerst
voorkomende gedingen, en mompelde zijne opmerkingen daarachter:
„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!... Arm
volk, dat gedwongen wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie
mag drinken, en zich met het aftreksel van koffiebladeren moet tevreden
stellen!”
„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in
het openbaar gedragen te hebben.... Bespottelijk, die ambtenaren van
Binnenlandsch Bestuur! zoo iets is heiligschennis in hun oogen!”
„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd....
Beter dan het wicht in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa
bij dergelijke ongevallen gewoonlijk gebeurt.”
„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en..
ver..won..ding.. van.. een.. po..li..tie.. op..pas..ser..... Ik geloof,
dat ik er ben! Daar gaat me een licht op... En die tweede zaak:
„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel..... Ardjan!.. de
verloofde van baboe Dalima.”
En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende
op zijn agenda, gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde
tellen, daarna bleef hij in gedachten verzonken, en bracht den
wijsvinger aan het voorhoofd.
„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog
zoo met me besproken heeft! En.... overmorgen vertrek ik naar
Nederland.... Maar, neen, de terechtzitting zal heden plaats hebben!
Het koste wat het wil!... Wij zullen zien!”
Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde.
Hij zou zien, dat de zitting niet plaats zou hebben.
Zoover met zijne alleenspraak gekomen, ging de deur open, en verschenen
de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste Javaansche hoofden
van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden leden
van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, alsook de
hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de
hand. Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan
Mr. Zuidhoorn medegedeeld, namelijk: dat de resident hen verboden had,
om de zitting bij te wonen. Zij waren evenwel opgekomen, nu de Kandjeng
toean rakker hen opgeroepen had.
„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke
ambtenaar.
De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet.
Radhen Ngahebi evenwel zeide:
„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam
toen van den Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland
verkregen te hebben, het recht niet meer heeft, om den landraad voor te
zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.”
Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de
Inlandsche hoofden geen woord, dat aan het prestige van den
vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in de residentie te kort
zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben; want na
de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede
met een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel”
[157] betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter
zitting verschenen.
Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan
den voorzitter en de leden van den landraad gebracht te hebben,
mededeelde, dat hij heden ochtend bij den resident geroepen was
geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had, de zitting van
den landraad niet bij te wonen.
„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u,
mijnheer Zuidhoorn, ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo
eindigde hij zijne betuiging, terwijl hij voor zijn chef diep boog.
„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te
geven. Gij bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij
zelf moet weten, wat gij te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben
stellig van plan zitting te nemen, en daar nu de raad voltallig is, wil
ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats te nemen.”
Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen
hamer reeds ter hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de
achterdeur van de pandoppo openging, en de secretaris der residentie in
de omlijsting daarvan verscheen. De man was in ambtsgewaad, terwijl,
omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen
residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende
in naam van den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te
verwaardigen, begon de secretaris:
„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi
Wirio Kesoemo, en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay
en Kwee Lie Liang, hebt als leden, als priester en als adviseurs bij
den landraad te Santjoemeh gisteren een schriftelijk bevelschrift van
den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent verbod om
deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident
gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo
grooten misslag te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet
opvolgen van de bevelen van hem, die de vertegenwoordiger is van den
Kandjeng toean Gouverneur-Generaal, die op zijne beurt te Batavia de
plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari Tanah Nederland dan
Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning
van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat
de Kandjeng toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten
te wikken en te wegen.”
Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr.
Zuidhoorn uit, alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren
om adem te halen. Zij durfden elkander niet aan te kijken, en zouden
wel in den grond hebben willen verdwijnen. Hoe waren zij er toch toe
gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven? Hunne
ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen
zijn? Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die
onafhankelijken, die heetten recht te moeten spreken over hunne
Inlandsche ondergeschikten.
Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed
der Javaansche grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren
peilen, en hen somwijlen in zijne gedachte met den hond vergeleken had,
die niet zelden de hand likt, welke hem afrost, had medelijden met hen.
Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag legden, ook
waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met
volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te
wijten, dan aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille
van zijn uitzuigingsstelsel stelselmatig gekweekt had. Na een poos
rondgekeken en afgewacht te hebben, of een der hoofden zich wenschte te
verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de secretaris
ongeduldig nog gevraagd had:
„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord,
dat ik den Kandjeng toean resident moet overbrengen.”
„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche
rechterlijke ambtenaar. „Ik, als voorzitter van den landraad te
Santjoemeh, aan wien de leden, de priester, en de adviseurs in zaken,
dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb heden ochtend
pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen. Die
leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de
bevelen van hunnen onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele
verantwoordelijkheid komt op mij neer. Wil zoo goed zijn, heer
secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede te deelen, en
verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet te
vertragen.”
„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer
om den landraad voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen
hetgeen hier gebeurt, en het voorzitterschap opeischen voor den
resident, die het zelf en heden nog wenscht uit te oefenen.”
„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat
met u te treden over mijne rechten. Gij kunt aan den resident
antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel niet afsta. Ik wensch mijn
plicht tot het laatst nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u
verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid te ontslaan, opdat hij
zijne werkzaamheden kunne beginnen.”
„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des
secretaris mond.
„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris.
Deurwaarder, zorg dat de zitting ongestoord kan geopend worden!” [158]
De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die
boodschap kreeg. In de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij
van het residentiehuis op en neer, waarbij hem de secretaris als een
hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid niet bij kon houden.
„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die
hoon! Ik zal hem wreken! Maar—wat te doen?... Intusschen gaat de raad
zijn gang, en volgt waarschijnlijk vrijspraak!... Die lui van de
rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar valt mij iets
in.... een kompagnie soldaten.... Ik zal ze met de bajonet als een
troep meeuwen uit elkander laten jagen!”
Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke
Buonepartsche maatregelen niet erg met het Nederlandsche volkskarakter
strooken,—om den militairen kommandant per briefje te verzoeken bij hem
te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep hij met zoo’n
stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de oppassers en het geheele
dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat er
onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden
heldhaftig hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in
die krijgshaftige houding de dingen af, die komen zouden. Ook de
schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar kokkie de geheimzinnige
bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren
zat, was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare
onbescheiden kabaja trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in,
met den uitroep:
„Wat is er? Wat is er?”
Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had
kunnen afgeven, beklom de substituut-griffier bij den landraad de
treden der galerij. Op dat gezicht vloog Van Gulpendam, wel kunnende
bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld niet kunnende
bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig:
„Wat is er, mijnheer Thomasz?”
„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is,
en zijne zitting tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.”
„Wat?... uit elkander gegaan?... Na het gebeurde met den secretaris?...
Hebben de leden geweigerd zitting te nemen?... O, die trouwe hoofden!”
„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd
zitting te nemen.”
„Niet?... Wat is er dan gebeurd?”
„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden
sprak: „Deurwaarder, zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek
het, dat de deurwaarder verdwenen was.”
„De deurwaarder verdwenen?”
„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.”
Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen.
„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij.
„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de
secretaris tusschenbeide, „een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn
en de leden van den landraad te sommeeren, het lokaal te ruimen.”
„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam.
„Keurt u hem af, resident?”
„Ik!... Integendeel, maar wat gebeurde er verder?”
„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de
secretaris voort, „zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem
opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.”
„En toen?” vroeg de resident.
„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.”
„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder
gebeurde?”
„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier,
„stamelde hij eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen
werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn geen notitie meende te moeten nemen.
Hij liet den hamer neervallen, om de zitting te openen, en verzocht den
hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak in te
brengen....”
„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam
nieuwsgierig.
„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude
vrouw.”
„En verder?”
„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote
oogen; want de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op
eenigen afstand van den voorzitter gezeten was, was nu op zijne beurt
verdwenen.”~
„Verdwenen?”
De heer Van Gulpendam schaterde het uit.
„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij.
„Mijnheer Thomasz, gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar
verder? Laat vieren je loglijn!”
„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der
hulpdjaksa’s werd toen geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te
voren allen in de pandoppo aanwezig waren, kostte het moeite om er een
te ontmoeten.”
„Dus werd er toch een gepraaid?”
„Ja, resident.”
„Hoe jammer!”
Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks.
„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk.
„Hoe dat zoo? Vertel op.”
„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats
moest vervullen van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige
gepreste zoo’n aanval van buikpijn...”
„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident opgewonden. „Kostelijk!
Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?”
„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en
zich in allerlei bochten wrong.”
„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!”
„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën
gebogen, op een drafje wegliep.”
„Met beide handen voor den buik!... Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!”
„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus
toeknepen. Zij meenden, dat de gevolgen van die plotseling ingetreden
buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.”
„Stop!... mijnheer Thomasz!... ha, ha, ha!... Ankeren!... Gij doet mij
in katzjammer vallen van het lachen.”
De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne
ambtelijke loopbaan had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende
aangemoedigd te worden en dus te moeten voortgaan.
„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.”
„Niet? Nu loop dan van stapel.”
„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn.
Dat hadt ge moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en
met starren blik keek hij over zijn bril, dien hij heel laag op den
neus had hangen, den vluchtenden djaksa na, terwijl hij in zijne toga
er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal, en hem
zijne barret in den nek stond.”
„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een
kostelijk verteller, mijnheer Thomasz.”
De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment.
„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar.
„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen
deurwaarder. De zitting kon geen voortgang hebben. De leden van den
raad keken glimlachend op hunne horlogiën, wat eene duidelijke
vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets te
zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te
laten vallen, en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb
ik mij hierheen gespoed, om u bericht te brengen.”
„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten
goeden tijd uwe toewijding herinneren.”
En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den
secretaris, die het geheele gesprek met over elkander geslagen armen
aangehoord had:
„Het doel is dus bereikt!... Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat
alle stukken bij tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad
presideeren.”
„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking
veroorlooven?”
„Laat vieren je schoot, secretaris.”
„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.”
„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te
branden?”
„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer
Zuidhoorn uwe bevelen weerstreefd en zoo de zitting van heden
onmogelijk gemaakt heeft...”
„Verder; loop van stapel.”
„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten
hebben, niet waar?”
„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.”
De secretaris krabde zich achter het oor.
„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?”
„Van Meidema?... „Wat heeft die met de zaak te maken?”
„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij
aanzienlijk. Ik meen, dat hij eenigermate rekent op de emolumenten,
voortspruitende uit de verbeurdverklaring, die noodwendig op het
rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.” [159]
„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?”
„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin,
en het is te Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te
komen. Het zou mij zelfs niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat
zoo’n buit zeer goed te stade zoude komen.”
„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen
verzetten zich daartegen.” [160]
„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, il y a
des accommodements avec le ciel, en bijgevolg ook....”
„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift.
„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo
iets gezocht werd;.... bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de
eigenlijke aanbrengster. Als die nu, om haren Ardjan te redden, haar
aandeel, van welks waarde zij geen begrip heeft, aan een derden
afstond....”
De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach:
„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema
niet zeker zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd
verklaarde tjandoe hem lenig als zeilgaren moeten maken.”
„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt;
maar verlies artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou
er op durven zweren, dat Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want
in het proces-verbaal van aanhaling, door hem als hoofd der
plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd, dat de in
beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar
dat de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab,
die onmogelijk dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door
de golven stuk geslagen werd; terwijl de verpakking van de aangehaalde
tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht in aanraking geweest te
zijn.”
„Staat dit in dat proces-verbaal?”
„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de
schoenerbrik Kiem Ping Hin in den bewusten nacht op de kust gezien is,
en dat vermeend wordt, dat de barkas van de Matamata jacht op de sloep
van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.”
„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst
ernstig.
„Ja, resident.”
„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar
meer dan hij sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat
proces-verbaal van den heer Meidema, zoodra het op het
residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en verder een der
oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk
bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van
Financiën met betrekking tot die gerezen kwestie met den
Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.”
Dat was een „gij kunt gaan” in optima forma.
Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van
1874 op.
„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij. „Laat zien..... Oho!...
Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de
overtredingen.... En... als ik bedenk, hoezeer Meidema op den avond van
het gebeurde, de waarde van den aangehaalden tjandoe uitmeette, dan....
ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris in het
ware kielwater is....”
Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de
voorgalerij op en neder.
„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij
berokkend door dien Van Nerekool!.... O! als Anna toch gewild had!”