Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal
jonge lieden om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de
voorgalerij van „de Eensgezindheid,” de sociëteit van Santjoemeh.
Zaterdag avond! Het was sociëteits-avond, en bij gevolg geheel
Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de sociëteit of op het
voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende [148] hetzij
nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar
omdolende, om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker
gemaakt werd door de lieve maan, die vol was, en tegen negen uur reeds
hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke muziek, die ten gehoore
gebracht werd, te genieten.
In het sociëteits-gebouw zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren,
de deftigen, de machtigen afgemeten en voornaam hun partijtje te
spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten daarvan
daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet
rouwig over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag.
„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.”
„En daar rijdt de nog lievere Hermance.”
„Ho, ho!”
„Wat een keurig span Persianen!”
„Wat bedoelt ge? De vier dames?... Ja dat is een keurig vierspan. Of
het echter Persianen zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel
iets voor die meening aan te voeren.”
Allen lachten.
„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!”
„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk
eens, hoe Van Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen
behulpzaam te zijn, en haar den arm te bieden.”
„Ja, ja!... De njonja van den Kandjeng toean resident!...”
„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd
Eduard wel.”
„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van
hare dochter.”
„He, ja!... Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.”
„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den
assistent-resident van Karang-Anjer logeeren.”
„Karang-Anjer in Bagelen?... Drommels, dat is een eind uit de
buurt!.... Maar, is er iets met dat lieve kind?”
„Van Nerekool heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in
afwachting van de verplaatsing van Karel, zijne dochter zoolang uit de
buurt hebben.”
„De verplaatsing van Van Nerekool?...”
In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het
sociëteits-gebouw geweest was, met een courant in de hand naderbij.
„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman
was bij allen gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de
Santjoemehsche courant in de hand loopt?”
„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en
daaruit voorlas:
„„Vendutie wegens vertrek.—Op Maandag den 24sten dezer zullen wij
wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen
heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed
onderhouden inboedel, bestaande uit: Bataviasche en Japarasche
meubelen, waaronder: banken, gewone wip- en luiaardstoelen, tafels,
consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang- en staande
lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten,
waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten,
goedang-, keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene
fraaie collectie rozen, crotons en varens in potten en tobben; eene
Bengaalsche koe met kalf, gevende drie flesschen melk; eene groote
partij pluimgedierte, waaronder: beo’s, kalkoenen, ganzen, eenden,
kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed als nieuw; een
goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span
wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte Batakkers. Met
commissiën belasten zich: Gladbach & Co.—
„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot
half negen rijtuigen van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe
Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde vendutie genieten den
overtocht heen en terug gratis.”
Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan.
„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een.
„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt
tot zijn rijpaard!”
„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het
geconcentreerd stelsel, dat aangenomen is, heeft hij geen paard
noodig.”
„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is
geene vacature voor Verstork.”
„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld
heeft. Maar, heeren, om ieder misverstand te vermijden omtrent die
advertentie, moet ik hier bijvoegen, dat Verstork van die rijtuigen tot
vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.”
„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap.
„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog.
„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?”
vroeg er een.
Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet.
„Och, dat staat in verband met die geschiedenis... ge weet wel van die
mooie baboe Dalima met Lim Ho.”
„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de
doekoen-majoor verklaart.”
„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.”
„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop
gedaan?”
„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits.
„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?”
„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te
verschijnen.”
„Ai... dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je.
Wij zullen je van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar,
heeren?”
„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord.
„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik
veroordeeld, welnu, dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie!
Ik noodig u allen om Maandag naar Banjoe Pahit te gaan!”
„Steeds geschäftsman, die Grenits!”
„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen
heeft, in de mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven
waarnemen,” sprak Theodoor ernstig.
„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen
present zijn, nietwaar, makkers?”
„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op!”
„Dat is dus afgesproken!”
„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig
relaas, aan Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed
overschat? Of had deze gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij
wist het niet. Ook het beroep, dat Van Nerekool op zijne kennissen
gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende volzinnen tot
antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden.
De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den
Raad van Indië, waren de leden verrast geworden door de verschijning
van den Gouverneur-Generaal in persoon in hun midden, iets dat maar
hoogst zelden gebeurde.
„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging
gezegd, „ik heb eene aanklacht van ergerlijken aard van den resident
van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1ste klasse. Ook
is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat
met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is
daarom, dat ik het advies der heeren wensch in te winnen. De resident
van Santjoemeh is een zeer ijverig staatsdienaar, die den lande
uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, vooral als het
zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel
eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen,
steeds ’s lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar
mij voorkomt, ook thans weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die
zaak eene zoodanige wending wenschen gegeven te zien, dat zonder dat de
hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon gevoelen, evenwel
beide partijen tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het
verschil tusschen den resident en den controleur raakt den opiumpachter
van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict met dezen te doen vreezen.
Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden
onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren
ingenomen, en dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk
heeft; maar het zou niet onmogelijk wezen, dat een nauwgezet onderzoek,
waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel aan het licht zou
brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de
aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit
zou wellicht uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar
hierbij valt niet uit het oog verloren te worden, dat Lim Yang Bing,
als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het hoofd staat van de
voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed op zijn
rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de
aanstaande opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling
van den pachtschat zou veroorzaken. En,... dat in een tijd als de
tegenwoordige!.... Ja, ik herhaal het, en dat in een tijd als de
tegenwoordige!... Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag
ontvangen, dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade
in de oogen van de Vertegenwoordiging heeft gevonden, omdat de middelen
van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven niet genoeg
besnoeid is [149]. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een
uwer, mijne heeren, geroepen zal worden, om de opengevallen
portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn moge, ik
benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn:
de inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de
opiumpacht, wat men er ook over zeggen of denken moge, bij
uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden minister niet te
verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de hand
boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident,
een verschil met den vorigen pachtschat van zes ton leveren....”
De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen
vuur, bij het vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen
van ’s lands kas vergat hij in zooverre de bestaande etiquette, dat hij
den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel.
„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met
vuur, „en ik meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in
dat geval niet geaarzeld mag worden, om ieder middel aan te grijpen, om
de financiën van den Staat in evenwicht met de eischen des tijds te
brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom wezen bij
een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware
vaderlandsliefde, die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet
wezen. Nietwaar, mijne heeren?”
De brutaliteit van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare
verregaandheid alle welslagen erlangde. Alle hoofden bogen, en aller
lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden, wanneer de Oostersche zon
hunne geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier
slaperig:
„Ja, Excellentie!”
De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen
had laten gaan, sprak toen met een zucht:
„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren
voor hun advies!”
Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het
Groote Huis te Weltevreden den generaalmarsch, en presenteerden de
manschappen kletterend de geweren voor den Vertegenwoordiger des
Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein in het
bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een
grooten dienst bewezen te hebben.
En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner
overplaatsing naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur
van Binnenlandsch Bestuur in handen, waarin de hoop uitgedrukt werd:
„dat hij als controleur van zijne degelijke kennis van den inboorling
het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen bevelhebber te
Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der
bevolking te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen
met meer menschenkennis, maar vooral met meer deferentie voor de
gevoelens van zijne superieuren mocht te werk gaan, zullende hij in
gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid meer
te rekenen hebben.”
„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool.
„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering
trillende stem.
„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.... Overgeplaatst
naar Atjeh! Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch
Bestuur op Java en Madoera uitgestooten! Eene feitelijke degradatie! Is
dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt? Onze maatschappij is
rot, ja geheel rot!”
„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een
deel dier maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele
kuiperijen van de gezachhebbenden. Dat deel heet de rechterlijke macht,
wie het eindelijk gelukken zal het monster van willekeur en onrecht te
breidelen.”
Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem
Verstork keek hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld
gelaat gleed. Hij antwoordde evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen
rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De toekomst zou zich
daarmede wel in zijne plaats belasten.
Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was,
verkeerde op den gezegden morgen in rep en roer.
Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen
op de „brengbreng” [150] te ranselen en trok door dat ongewone geluid
de Inlandsche bevolking, rondom zich.
In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags
te voren aangekomen waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand
te leggen aan het uitstallen van het meubilair, dat straks verkocht
zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt, daar eene kast
anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht
gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne
vrienden uit, dat, na het adverteeren, de uitstalling de koopers het
meest verlokt.
Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het
viertal de vertrekken door, en bewonderde hunne beschikkingen, die
vooral in de achtergalerij, waar het tafelservies, glaswerk en kristal
smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen.
„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet
meenen zou, zich te midden van het huishouden van een jonggezel te
bevinden. Willem, ik voorspel je eene prachtige vendutie!”
De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd.
Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit
een daarvan stapte de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe.
Na de gebruikelijke buiging:
„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het
verschijnen van het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?”
„Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!” (misschien, mijnheer; maar, ik
heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen glimlach.
„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „boleh bekin
broeang!” [151] (gij kunt beeren maken).
Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep,
maar antwoordde niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede
rijtuig, een ruime tentwagen, was een lid van de firma Gladbach en Co.
met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe.
„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor.
„Wat is er?”
„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op
uwe vendutie te koopen.”
„Van wien?”
„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend.
Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen,
wanneer zij den verkooper goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst
verlevendigen. Hunne onthouding dreigde nu een ramp te worden. Verstork
zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die nu gevaar liep
voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet
door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan
zijne dierbaren daar ginds, die....
Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans
volgden de rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens,
milords, reiswagens, dos à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren),
stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning op, en ontlaadden
hunnen last op het perron der voorgalerij. Talrijke ruiters en ook
wandelaars van de naburige landgoederen verschenen, en het kostte den
oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te doen blijven, om
de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te
noodigen naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der
Europeesche samenleving in Indië waren daar vertegenwoordigd.
Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters, suiker- en
indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners, handelaren,
assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten,
rechters, procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz.
enz. Het was alsof geheel Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was.
Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats. Zelfs was er geen enkel
huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen de resident
Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone
standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar
Banjoe Pahit gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat
bericht, maar innerlijk met verbeten woede.
De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te
laten weerklinken.
Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de
ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en
schrijvers van het residentie-bureau. Die hadden geen verlof tot dat
uitstapje kunnen bekomen.
Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene
bescheidenheid, de Javaansche bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam
minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje te nemen in de woning
van een blanken.
Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk.
Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en
plichtplegingen onder elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen.
Het stuitte hem tegen de borst op zijne eigene vendutie tegenwoordig te
zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche priester) met
wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken
had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en
Grenits naar Santjoemeh rijden.
Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en
Co. den vendumeester eenige woorden toefluisterde, en deze aan een
zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop liet de brengbreng
zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken
volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een
tiental minuten, daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een
aanvang.
Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie
bloemen in sierlijke potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der
galerij. Die zouden het eerst aan de beurt zijn.
„Doewablas tampat kembang! Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager,
terwijl de venduschrijver zich gereed maakte de noodige aanteekeningen
te maken. „Siapa taro oeang? Wie biedt er geld op?”.
„Satoe roepiah!” (een gulden) riep eene stem.
„Satoe roepiah!... Satoe roepiah!” herhaalde de venduafslager met
langgerekte en eentonige stem.
„Satoe stengah!” (een en een half) antwoordde eene andere stem.
„Saatoe stengaah!” herhaalde de afslager.
„Doea roepiah!... Tiga roepiah!... Ampat roepiah!... Lima roepiah!”
(twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de
opbiedingen achtereenvolgens.
„Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!” (vijf gulden is geboden) dreunde
de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar de bieders gewend te
hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende.
„Delapan roepiah!” (acht gulden) riep deze.
„Delaapaan roepiaah!” herhaalde de echo. „Delaapaan roepiaah, di
tawar!”
Dat opende weer het vuur.
„Dan stali!” (en nog een kwartje) bood er een.
„Delaapaan roepiaah, staali!”
„Delapan stenga!” (acht en een half).
„Delapan tiga tali!” (acht drie kwart).
„Sembilan roepiah!” (negen gulden).
„Sembiiilaan roepiaah!”
„Sapoeloeh!... Sablas!... Doeablas!... Tigablas!” (Tien, elf, twaalf,
dertien).
„Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!”
„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!”
klonk eene stem.
„Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!”
(eenmaal).
„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander.
„Tiigablaas!... doea kali! (tweemaal).
„Ampatblas!... Limablas!” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen.
„Liimaablaas roepiaah, di tawar!”
„Doeapoeloeh roepiah!” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed
verstommen.
„Een mooi bod,” mompelde Grenits.
„Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!... satoe kali!...
Doeaapoeloeoeh roepiaah!... doea kali!... Doeaapoeoeloeh roepiaah!...
tiga kali...”
Boem! daar viel de hamer.
„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver.
„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig
uitzag, en dan ook oud eerste luitenant was.
„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte.
„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.”
„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester.
„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie
maanden crediet.”
„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement
nebben.”
„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie
beveelt dat?”
„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de
vendumeester.
„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!”
„Betaalt gij comptant?... Niet?...” ging de vendumeester voort, „dan
dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten
andermaal geveild worden.”
De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood
geworden bij die onverwachte en noodelooze beleediging.
„Luitenant Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit.
De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier
dan de eerste waren, bracht echter geen rijksdaalder op. Blijkbaar
waren alle aanwezigen onder den indruk van de schandelijkheid, die daar
gepleegd werd. Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras
raadpleegde hij Van Nerekool en eenige landheeren, die in de nabijheid
stonden. Toen het derde dozijn bloempotten zou geveild worden, riep een
breedgeschouderde heer uit:
„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder
weerga beproefd, die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te
verijdelen. Voor ieder, die op deze vendutie wenscht te koopen en in de
termen valt om borgtocht te moeten stellen, bieden wij ons tot borg
aan!”
„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet.
„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?”
Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen?
Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht
reeds tachtig gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is
waar Grenits had bij het opveilen van die partij uitgeroepen:
„Crotons! Prachtige mooie Crotons, [152] waaronder de Adal adal, de
Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op?
Ik zet ze in voor zestig gulden!”
Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig... tachtig... negentig
gulden! Hooger! Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt
waren. De gelukkige verwerver ontving een algemeen hoerah, en menigen
handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij getrokken
hadde.
Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten,
spiegels, schilderijen, enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge
prijzen. Het was in waarheid een stormloop, waarbij ieder der
aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men zag
daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de
prijzen zoo hoog liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs
bereikbaar waren.
In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt.
„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager.
Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het
stuk, in Indië met een kwartje goed betaald waren.
„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager.
„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik
bij ondervinding!”
„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat
drankzetje staat eene karaf met bitter!”
Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig.
„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem.
„Welk bitter is het?”
„Maagdbitter!” riep een sienjo.
„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh. [153]
„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten.
„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je
gezondheid met je pahit prawan!”
„Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang? Die een koopt, koopt
twaalf! Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!” dreunde de
venduafslager.
„Een ringgiet!” riep Grenits.
„Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!”
„Tiga!... Ampat!... Lima!... Anam!” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk
het achtereenvolgens met de grootste snelheid. Het was den
venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met
het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien.
„Aanaam roepiaah, di tawar!” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen.
„Toedjoeh!... Delapan!...” (zeven... acht).
„Een tientje!” riep Grenits.
„Saapoeloeh roepiaah!” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm.
Hij had wel andere kunststukken op dat gebied in zijn leven gezien.
„Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?” (Bieden de
heeren niet hooger).
„Me dunkt!” prevelde er een.
„Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali....
Saapoeoeloeh roepiaah! doea kali.... Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!”
Boem!
„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden.
Wat moet de pahit daaruit lekker smaken!”
„Vooral pahit prawan!”
„Schenk dan nog eens in!”
Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde
klapperdop, om zich water in de badkamer mede over het lichaam te
storten, bracht vijf en twintig gulden op.
De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later,
de venduschrijver het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de
controleurswoning gevaar in te storten door het gejuich, dat onder haar
dak opging.
„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd;
toen hij daarvan mededeeling kreeg.
„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!”
En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits
de hand.
„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het
oor.
Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan
boord van de Tambora, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats
moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol nam hij afscheid van de
getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden.
„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe.
Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig
mogelijk verzilverd, en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer
groot gedeelte van die som aan zijne moeder af, met aanbeveling niet
roekeloos met dat geld om te springen, daar het wel eens zou kunnen
gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag zijner
maandelijksche toelage zou moeten verminderen.
Toen de Tambora de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem
van uit een „tambangan” (sloep) op de reede van Santjoemeh na.
„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en
wischte zich een traan uit het oog.