Verstork kwam veel te laat.
Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang
Pringapoes te paard moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware
het wellicht mogelijk geweest het onweder, dat zich boven zijn hoofd
samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten voorkomen, dat zou hij al
ras ondervinden.
„Zoo!... Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van
Gulpendam op smalenden toon, toen de controleur na heel lang
geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare malen de voorgalerij van
het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn chef
toegelaten werd. „Zoo!... is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er
gisteren ochtend voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke
rijsttafel voor mij, als zulke zaken in de residentie gebeuren kunnen!
Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en dan... ja, dan kan
alles gebeuren, dan zien zij niets....”
„Maar, resident!....” waagde Verstork in het midden te brengen.
„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat
vragen zal, dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het
ervaren, dat het antwoord zich dan zal laten wachten.”
Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en
ontdaan, met de lippen op elkaar geklemd van verbeten woede.
„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer
Verstork, om mij op de hoogte te stellen...”
„Resident, ik...”
„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een
toornigen en minachtenden blik op zijn ondergeschikte wierp.
„Mij dunkt toch, resident, dat...”
„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!”
„...Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport
maaktet. En dan is het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork
steeds doodsbleek, maar met onverschrokken moed voort.
„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons...”
De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd;
maar hij hervatte:
„...den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.”
„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman
van de wacht ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat,
wanneer dat gesprek zoo voortgaat, ik mij over zoo’n bejegening bij den
directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter nog, bij den
Gouverneur-Generaal zal beklagen.”
Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was
gegaan. Hij was ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij
als een zachtaardig mensch had leeren kennen, voor hem boog en zijne
luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde zoetsappig:
„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van
gestel ben. Daarbij was ik ontstemd, dat mij de tijding van het
gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren gewerd. Kom, ga zitten.
Ik zal dat rapport even doorloopen.”
De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn
schrijflessenaar zich met den rug naar het licht wendde, ten einde het
geschreven stuk in te zien. Buiten het kantoor drentelden in de
voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij heftige
woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was
alles stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident
evenwel weer op.
„Jawel! Dacht ik het niet?... Ik was gewaarschuwd...”
Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen.
„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij
gewaarschuwd waart?”
Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den
controleur aan, wiens gelaat in het volle licht gekeerd was.
„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij
moet die minder passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te
ondervragen. Dat maakt, geloof mij, een fatalen indruk.... Ik wil u wel
zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet omdat gij mij dat vraagt;
maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt; wellicht
zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen...”
„Mijn rapport te wijzigen, resident?”
„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te
doen voorkomen, alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche
deern zoude voltrokken zijn.”
„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is,
die de baboe, bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst
ernstig.
„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw
oordeel. Maar, dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een
geheelen nacht aan het passagieren geweest, en had toen een geheelen
roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer was zij ’s nachts
buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een
opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond
die amokhpartij heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig
bericht zondt; zij is de verloofde van een opiumsmokkelaar, en zij zelf
heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij zit nu in de boei, dat
zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster van mijn
erf te laten wegjagen!”
„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg
om adem te halen, „toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij
geheel naakt, met bloed bevlekt, en had zij loshangende haren. Alles
duidde op...”
„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij
haar onderzocht?”
„Neen, maar....”
„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen... En ziet...” ging de
resident voort, terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb,
houdt daar het rijtuig van den dirigeerenden officier van gezondheid
voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen, wat er van aan is.”
Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan,
die dan ook verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen
handdruk wisselde, en diezelfde plichtpleging maar luchtiger ook bij
den controleur verrichtte.
„Zoo, Verstork! Gij hier?”
Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident
in:
„Ga zitten, overste!... En wel?...”
„Geen kwestie, resident!”
„Zoo, dat zeide ik u immers reeds... Maar de deern was toch verwond?”
„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op...”
„Dus geen stu.., stu... Hoe noemdet gij het ook?”
„Stuprum violentum... geen denken aan! Hier is overigens het visum
repertum, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.”
„Overste, ik dank u!”
„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen.
Dag, resident, dag, Verstork!”
„Geen excuses, overste; ik groet u!”
Toen was de geneeskundige verdwenen.
„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?”
„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het
wankelen.”
„Niet?”
„Neen, resident!”
„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, „om
bakzeil te halen, om bij te draaien.”
„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep.
„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik
geef u in beraad dit rapport terug te nemen.”
„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die
raad?”
„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te
eenzijdig voorgesteld zijn...”
„Resident!”
„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar
voort. „Dan komen er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge
Regeering aangenaam kunnen stemmen. Bij voorbeeld deze:”
Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las
vervolgens:
„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in
mijne twaalfjarige loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren
begrijpen, dat de opiumpacht is een Staat in den Staat; dat om der
wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben of eerbiedigen kan,
met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft
politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne
satellieten dringen de woningen binnen en schenden het huisrecht der
bevolking; zijne spionnen en zijne, althans de door hem betaalde
oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou streng gestraft
worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel van
het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die
bevolking aandoet. Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het
meisje. In de woningen, op den publieken weg houden ze den eenen en de
andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote lijf, zonder
zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die
lieden uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest
onzedelijke lusten te voldoen, of hun haat te koelen [146]. Het
gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig
bewijs.””
De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte
met doordringenden blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet
neersloeg.
„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij
bracht de hooggeplaatste den wijsvinger aan het voorhoofd,—„dan twijfel
ik of het bij u daar wel goed in orde is...”
„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!...”
„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in
uwe afdeeling die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg
noodig zijn, om den smokkelhandel in opium tegen te gaan. Gij weet even
goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene aanhalingen van
gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in
herinnering te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te
Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze nu weer bij Setrosmito en bij zijne
dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening, dat de afdeeling
Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt gij
die meening door uwe onbesuisde taal....”
„Resident, hoeveel ontzag ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel
heb, moet ik thans toch protest aanteekenen, wanneer gij te verstaan
geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht zoude
tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot
een brandpunt van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te
doordrongen van het voorgeschrevene bij Staatsblad No. 136 [147] van
1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om
die te verwaarloozen....”
„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet....” wilde Van Gulpendam
invallen.
„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij.
Dat is mijn recht. Van eene andere zijde is het onwaar, dat de
afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel zoude
wezen....”
„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik
aanhaalde?”
„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen
beter weten in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan
de overal genaakbare oevers van de Javazee gelegen, en bij de zeer
onvoldoende middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in
het werk gesteld, maar nog niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt
het voor de hand, dat de smokkelaars, waartoe—en dat weet gij even goed
als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren, daarmede hun
voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van
aangrenzende afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen
zijn, dan valt er te constateeren, dat Banjoe Pahit, wel verre van een
brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan aangehaald worden: als
eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend mag genoemd
worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld
werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek
als mijne gemoedelijke overtuiging uit, dat de partij opium die te
Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig is van den schoenerbrik Kiem
Ping Hin, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de
overige aanhalingen zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet
gevonden zouden geworden zijn, wanneer de bandoelans vooraf waren
gevisiteerd geworden.”
„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig
voor het oogenblik,” antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om
evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne welgemeende raadgeving: „gaat
over stag, en neem dit rapport terug!””
Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen,
als vreesde hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als
een gloeiend ijzer voer hem de gedachte aan zijne moeder, aan zijne
zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning niet konden
ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het
gehoorde. Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging
weerklonken. Bedreiging in den mond van den machtigen meerderen tegen
den machteloozen minderen! Een oogenblik, maar ook slechts een enkel
aarzelde de gewetensvolle ambtenaar... toen hernam zijn natuurlijk
rechtsgevoel zijne opperheerschappij.
„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw
oordeel over mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat
rapport terugnam? Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne
eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen....”
„Mijnheerrr!....” riep de resident toornig uit.
„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking?
Zoudt gij niet minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw
geweten u niet dwingen, mij tot ontslag uit ’s lands dienst voor te
dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk nog vertrouwen in mij
kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed, is dat
vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!”
De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de
woorden van den controleur waren.
„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon.
„Hoor, hoe ik die zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende
jacht gemaakt, en daarbij zal de veldflesch wel een enkele maal
aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht, eene jolige
rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn,
misschien wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is
zoo aannemelijk, zoo natuurlijk bij jongelieden. In die gemoedstemming
hebt gij uw rapport geschreven....”
„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk
bij u achtergelaten dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat
ik bij het schrijven daarvan onder den invloed van drank was?”
„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde
Van Gulpendam. „Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van
eene dwaasheid te weerhouden. Gij moet weten, of gij dat rapport al of
niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene waarschuwing bij het
gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van uwe
beslissing afhangt.”
Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook
handelde, de toestand netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op
de baan, die hij voor het rechte pad hield.
„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet
terug,” sprak hij bedaard maar beslist.
„Is dat uw laatste woord?”
„Ja, resident!”
„Bedenk u wel! Uw laatste woord?”
„Ja, resident!”
„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.”
„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!”
„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge
beslissen!”
Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud
geëindigd was.
„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik
heb nog een andere logrol af te laten loopen.”
„Wat hebt gij, resident?...” vroeg de controleur.
„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten.
Gisteren ochtend zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd,
en is hij mishandeld geworden; omdat hij op uwe vraag getuigenis der
waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en die mishandeling is in uwe
tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt hebt, om
dat te keer te gaan, om dat te verhoeden...”
„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat
toegevoegd werd, werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd,
kwam zoo onverwachts aan, dat niemand, zelfs gij niet, resident,
wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt kunnen verhoeden.
Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter
voorkomen hebben, dat verzeker ik u.”
„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen
gevallen; terwijl gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat
die zaak! Had ik er nu den glimp aan kunnen geven, dat de jeugdige
jagers opgewonden waren, dat de handeling onder den invloed daarvan
gebeurd was...”
„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de
opgewondenheid, die gij te kennen geeft.”
„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware
die zaak nog te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de
gelegenheid, en ik meen, dat dit niet in uw belang is, en betwijfel of
uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging, u daarvoor dankbaar
zal zijn.”
„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?”
„Wat die daarmede te maken heeft?... Dat zal hij genoeg bemerken. Ik
heb hier een proces-verbaal voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden
wilde; maar nu aan den officier van justitie moet doorzenden. Dat alles
hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.”
„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet
verbeuzeld heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat
luttele gebeurde vervolgd moet worden? Welnu, het recht hebbe zijn
loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in die zaak op te treden.”
De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet.
Verstork stond op.
„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende.
„Niets meer, mijnheer Verstork.”
„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!”
Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn
schrijflessenaar bleef zitten, was het antwoord op die begroeting. Het
oogenblik daarna daalde Verstork de trappen van het perron van het
residentiehuis af.
„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij.
„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor
gemompeld. „Nu die ezelachtige lummel niet tot bijleggen te bewegen is,
zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!... Maar... ik tel menschen
te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige haven
wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de
kluisgaten deden verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen
zullen zitten... Vooruit! Op het einde der baan is het „virtus
nobilitat” te verwerven!”
Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen
thuis bevond,—daar Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens
dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor, niet zou komen
eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de
vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident
gebracht. De controleur scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel
hijzelf geen zonneschijn in het hart koesterde, zich genoopt gevoelde,
hem op te beuren en moed in te spreken.
„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt
mij haast tot de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de
gevolgde gedragslijn.”
„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met
eenige drift. „Als het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde
wijze te werk gaan. Maar... o, mijne arme moeder! Mijne arme zusters!”
„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?”
„Te zwart!... Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik
overgeplaatst, dat ik hier uit mijn werkkring weggerukt word...”
„Welnu?”
„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten
eene overplaatsing hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag:
waarheen ik verplaatst zal worden. Dat ik eene lucratieve controle zal
bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen onder den druk
van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk voor
mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.”
„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel van Nerekool. „In dat geval
zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen
voorspellen.”
„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten
staat. Ieder ander geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens
eenvoudig ontslagen werd!”
„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre
van ontslag te verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder
eerlijk man gewaardeerd worden!”
„Eerlijk man?... Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!”
Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds
ervaren met wien zijn vriend in botsing kwam.
„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is
zelfs dat meest gunstige geval niet te ontloopen?”
„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.”
„Hebt gij ook kennissen te Batavia?”
„Kennissen?... Een enkele. De heer Reijnael...”
„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?... Ja? Wel dan zijt
gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig
verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael,
terwijl ik van mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal
schrijven, die niet zonder invloed zijn. Kom, onverschrokken den strijd
aanvaard!”
Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard
van Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op
de post bezorgd, die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een
eenvoudigen brief. De aspirant-controleur zag er somber uit.
„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?”
„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.”
„Is er iets bizonders aan de hand?”
„Bizonders niet. Maar veel drukte!”
„Waarmede?”
„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat
zijn ambtsgeheimen. Die mag ik niet vertellen.”
Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op
Willem Verstork geworpen.