Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de
pandoppo van de controleurswoning te Banjoe Pahit.
De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd!
Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te
mengen, had ditmaal den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat
individu bij hem opwekte. Toen de arme Dalima verpleegd, en in eene
tandoe onder begeleiding van een politie-agent als gevangene naar
Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven, dat,
in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder
gewenscht was.
„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger
zou moeten zijn, die het veld ruimde.”
„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige
koelte voort; „maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen,
zult gij mij afdoende ophelderingen te geven hebben, hoe het komt, dat
gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt op het oogenblik,
dat dit jonge meisje mishandeld is...”
„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in.
„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij
hebben haar naakt en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep.
Er heeft dus mishandeling plaats gehad in de tegenwoordigheid van u,
die aanspraak maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal
het: zoolang gij mij niet afdoende ophelderingen zult gegeven hebben,
dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger van dat meisje op te
werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.”
„Mijnheer Verstork!...”
„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten
onrechte op u rust; niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u.
Ik zal de eerste zijn, om u de hand te reiken, wanneer Theodoor Grenits
mij dan niet voor zal zijn.
„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen
moogt!” sprak deze hoogst ernstig.
„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening
weten te verschaffen!”
„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork.
„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den
resident verschaffen.”
„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de
controleur met eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.”
Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met
den riem over den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim
Ho en van Singomengolo, die dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien,
maar waarvan zij niet veel begrepen hadden, in de richting van
Santjoemeh, met den uitroep:
„O! ik zal mij wreken!”
Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is,
zaten zij eenige uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de
controleur van Banjoe Pahit.
Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij
die van het residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare
meerdere beknoptheid was zij des te gezelliger. Zij miste die holheid
tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge dakwerk, dat aan eene
kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe het
smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En,
inderdaad, zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met
jaloezie-ramen naar alle windstreken toegang aan de buitenlucht kon
verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden,
waardoor er steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog
bevorderd werd door de aangename schaduw der boomen, die de geheele
pandoppo als in een loofkring omsloten hielden en het schelle licht der
keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork gedurende de
uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des
ochtends bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet
hij; daar dineerde hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne
tijdschriften te genieten, terwijl hij des namiddags zijn kopje thee
dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich soms af te
vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid
alleen bleef?
Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen
stond, nu de gastheer zich door goede vrienden rondom den disch omringd
zag! En die disch bracht het zijne aan het gezellige van het samenzijn
bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst, hagelwit en droog van
korrel in de „koekoesan” [126] gekookt; daarop stonden toch schalen en
schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s, sambalan’s,
atjaran’s [127] als: kerri ikan, [128] piendang ajam, piendang klowek,
[129] rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado, [130] sambal oelak,
sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh,
sambal badjak, [131] atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek,
[132] enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi,
met dendeng minjangan, [133] met sasateh, met besengeh, met petjiel,
[134] met ajam goreng, met ajam pangang, [135] met ikan goerami, met
ikan bandeng assep, [136] met telor troeboek, met kroepoek oedang,
[137] enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene
volledige rijsttafel onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om
ze heerlijk te doen smaken. Maar, wat vooral de aandacht der
Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken had, en hen bij
voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel
gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit,
op een grooten schotel, in het midden van den disch stond te prijken.
Dat was een product van de jacht, een biggetje, hetwelk als een der
eerste slachtoffers onder de kogels der blanken gevallen was, en door
een van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de
hoofdrol op den jagersdisch te vervullen.
Ieder der gasten weerde zich goed.
Maar... de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte
der smulbroers lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen
indommelen. Het gekout aan dien disch was dan ook levendig, en de lezer
zal moeten erkennen, dat daartoe wel redenen voorhanden waren.
„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit
mijn humeur gebracht hebben!”
„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard van Rheijn.
„Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.”
„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng”
(varkenstelg) lekker!” zei August van Beneden.
„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij
wel neêrgelegd hebben?”
„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork.
„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze
jacht het beoogde doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te
vernemen?”
„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork.
„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten
te komen? ik heb nog al ettelijke lijken zien liggen.”
„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.”
„De wedono?.... Wat bliksem! waar is die gebleven?”
„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang
Pringapoes te onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht
komen mededeelen.”
Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen
een der oppassers de komst van het districtshoofd aankondigde.
„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel.
„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze
rijsttafel deelen? Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte
een gebaar van schrik. Hij deed een pas achterwaarts. Het gezicht van
het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem ontzetting in. Ware de
rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een
kruis geslagen! Nu prevelde hij schuchter:
„Ampon, Kandjeng toean! Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch
eten.”
„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat
rundvleesch, kip, eend, visch, al wat gij maar wilt.”
„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde
keuken klaar gemaakt [138], als die andere spijzen. En, gij weet, dat
verbiedt onze godsdienst.”
„Het spijt mij, wedono.”
„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.”
„Welnu, wedono?”
„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De
Chineezen van Kaligaweh en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de
bevolking opgekocht, en zijn bezig met het vervoer.”
„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.”
„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat
gedwongen glimlach.
„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende
uitgeroeid zijn?”
„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking
heeft de overblijvenden nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het
overschot heeft eene toevlucht in het hooge gebergte, hetwelk het
district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen last meer
van die verwoestende dieren zullen hebben.”
„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht
volkomen gelukt! een glas daarop!”
Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn stopte den wedono
fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep
hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe
Pahit, welke van die lastige gasten verlost was.
„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono.
„Anders wenschte ik wel mij te verwijderen.”
„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote
„tjelleng laki-laki” (beer) gevallen. Het is er een met zeer lange
slagtanden. Diens hoofd wenschte ik wel te hebben.”
„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „Une hure de sanglier à la sauce
piquante zou lekker zijn!”
„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende:
„En dan draag ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak
van Dalima te beginnen.”
„Saja, Kandjeng toean!”
„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.”
„Saja, Kandjeng toean!”
„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.... Niet waar vrienden:
Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!”
Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in.
Toen het ietwat bedaarde, vervolgde Verstork:
„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen,
en daarna zult gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono
voortzetten. Ik vertrek heden avond nog met ulieden naar Santjoemeh;
want morgen ochtend wensch ik den resident al heel vroeg te spreken....
Hebt gij mij verstaan, wedono?”
„Saja, Kandjeng toean!”
„Welnu, laat ik u niet weerhouden.”
Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid.
Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had
de feestvreugde der jagers wel getemperd. De herinnering aan het
gebeurde had iets kils teweeg gebracht, dat iedere vroolijkheid als het
ware verstijfde.
„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de
vingeren, na een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld
hebben?”
„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene
smokkelaarster uit?”
„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten
leiden,” zei Van Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?”
Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig
eene heerlijke moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik
van bedenking, antwoordde hij evenwel:
„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.”
„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!”
„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn
op.
„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een.
„Maar de getuigenis van Muizenkop?”
„Van dien ellendeling?....”
„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork.
„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna
invloed genoeg op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te
krijgen.”
Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel
niets.
„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak
betrokken was,” sprak Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben,
dan zou er een mouw aan te passen zijn, nu evenwel...”
„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede,
„dat de rechterlijke macht....”
„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst
rechtsgeleerde hier in Nederlandsch-Indië heeft ergens gezegd: „de
opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet
men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!” [139] Nietwaar,
Karel?”
Deze knikte bevestigend.
„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend.
„Maar het ergste is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk
maakt.”
„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig.
„Maar, Theodoor!....”
„Maar, Eduard!....”
„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat
moet ge toch toegeven?”
„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar tegenoverstelde, dat
wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n
vlucht genomen zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is
gemakkelijker aan te toonen.”
„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan,
dat is achterwege gebleven.”
„En de geschiedenis dan?”
„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de
persoonlijke uiting van den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de
blanken de opium in het land gebracht hebben, anderen beweren weer
anders.”
„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik,
Eduard?”
„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?”
„Als ik mij wel herinner [140], niets meer en minder, dan dat de
opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der
Regeering heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere
opbrengst van die pacht voeren kan, gretig werd ter hand genomen.”
„Ja, maar, is dat alles waar?
„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?”
„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed
ingelicht, toen hij dat advies ter neer stelde?”
„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen
worden betaald en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve
dat advies, wat gij wantrouwt, waarborgt u de voortdurende stijging van
de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat het advies van den Raad
vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere som
geraamd....”
„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.”
„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden
losgelaten, om het cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld
is, en de minst kiesche middelen, ja, zelfs misdadige worden gebezigd,
om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche Leeuwen zijn niet
uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel meer
opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „virtus nobilitat” keurig
op zoo’n borst!”
„Maar,” vroeg August van Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo
verderfelijk voor het lichaam, als beweerd wordt? Gisteren avond zagen
wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig is. Maar
voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is
die beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden
bij die vergiftiging oud kunnen worden, even als bij het gebruik van
een of meer bittertjes.”
„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als
degelijke vertrouwbare mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten
spreken. Ik kan dus zonder achterdocht u een blik gunnen in de rijke
ervaring door mij op dat gebied opgedaan. [141]
„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb:
„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal
een eigenaardig bederf van het bloed en van al de vochten, en
verstoppingen in de vaten en wegen, waaruit op den duur ontstaat een
slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke dysenterie of
aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten
vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen,
behalve de verdoovende in grootere giften,—tenzij met deze te zamen.
Die toestand dringt tot het palliatief van steeds vermeerderde
nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch
ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld
is, zoolang hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En
juist door de zoo lang volgehouden verkwisting is dit den meesten
lijders op verre na niet mogelijk. Waar nog goede en versterkende
voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven; en menigeen is
er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere
graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend
gebruik van het verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak
een anders licht verloopend toeval door het voorhanden bloed- en
vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin en dergelijke, een
kwaadaardige hoedanigheid aannemen, en tot een doodelijken afloop
komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere kwalen, die
van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig
vertoonen, door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden?
„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij
weten echter al te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer
weinigen op de massa der Inlanders in dat voorrecht op den duur zich
verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe schraal over ’t
algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden,
en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig
werk maakt van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe
veel of hoe weinig deugdelijks die bevat, moet zij niet bij verre de
meesten al minder en minder worden, waar een belangrijk, en steeds
belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt, zoodat
juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel
bij te bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt?
„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik
dan ook wegens hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en
zij ondervinden er te minder nadeel van. Niet bij allen is dit het
geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens hunne welgesteldheid
zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen
in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of
gedwongen onthouding zijn moeten komen, en de ellende daarvan
ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de ondervinding bewijst
overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan eene
kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar
of daarboven reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen
laboreerden, meest aan dysenterie. Ik zelf heb te Berbek, te
Trenggalek, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal
van zulke lijders met geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid
te over, om mij omtrent alle bizonderheden te vergewissen.
„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie
bittertjes daags drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog,
hoeveel verderfelijker de opium werkt dan de sterke drank. De eerste
toch is veel meer bedwelmend en bovendien verdoovend, en daardoor ook
spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij ’t
voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke
schuivers verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun
gewoonte, bij elken maaltijd niet meer dan eenige greepjes rijst konden
nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp van een middel, dat ik hun aan
de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd hadden, ze wel
tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere
verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het
lichaam veroorzaakt, en waarmeê zij ook den geest tot wellustige
droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel van aanwezige
kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht
(reeds zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de
telkens herhaalde verdooving, waardoor de patiënt te zekerder in de
kluisters van den hartstocht gevangen blijft, ook al staat hij nog maar
gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker.
„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed,
dan moeten hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die
bij den opiumrooker in ontzettende mate toenemen; de steeds meer
lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving, tot eigen
vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen
arbeid, van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en
dag aan niets anders denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al
zijn nevenlusten, waar alles rondom hem aan moet ten dienste staan. Een
jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen dienst, dan dat soms
de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen; maar
voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen,
moet alles in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te
verschaffen, de ander om zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn
pijpjes te stoppen, een vierde om zijn koffie en andere versnaperingen
te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder en stiller dan
van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen
en smarten zich weêr laten voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn
lust ter wille is, dan vervult hij huis en hof met kermen, en klagen,
schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de keel wordt
gehaald!
„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die
de aan opium verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt,
terwijl meerderen hunner reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn
tot geslachtsvoortplanting. Wat zal alzoo van de tweede of derde
generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?!
„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine
verademing voort: „Hoe ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog
altijd door dat ziel en lichaam verdervend gif verslonden! Al heel
spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover,
dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen
naar aangenaam prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes
vergezelt, doet daar ook nog het zijne aan toe. Ze zijn legio, de
huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet winnen, soms nog
bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak of
ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te
werken, daar is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat
is veel, zeer veel algemeener dan in Europa door den sterken drank.
„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu
door de opium worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en
nijverheid. Wanneer die allen daarvoor besteed werden, hoeveel grooter
zouden de welvaart en het vertier zijn! En zou niet ook de
rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan
de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de
middelen, de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te
bearbeiden of te leeren bewerken, of om in handwerk vorderingen te
maken of het voor kwijning te behoeden; omdat ze nu eenmaal dat alles
aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn niet landbouw en
nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met allen
ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang
te brengen!”
Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange tirade had hij
behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven.
Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog
volgen zou. Onmiskenbaar maakte het gesprokene grooten indruk op hen,
want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die
daar klonk, en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook
waren, die taal maakte hunne belangstelling gaande, en vond ingang tot
hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur, na nog eens adem gehaald
te hebben, aldus:
„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh
doorgebracht heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van
de residentie Kediri, als controleur tweede klasse was ik te Berbek en
te Trenggalek. Ik kan dus met kennis van zaken ook omtrent die
residentie spreken. Luistert:
„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen [142]; meerendeels
zijn de menschen arm.
„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling
van de verstrekte opium, en de administratiekosten en de winst van den
pachter, dan mag het cijfer van 2½ millioen gerust worden aangenomen
als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks vrijwillig betaalt, om
dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig bestaan
te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige
opium; dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer.
„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve
nog cultuur- en heerendiensten, winst op het zout, landrente,
bedrijfsbelasting, invoerrechten, enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men
moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft.
„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt.
Huisraad vindt men er niet; een mat, uitgespreid op een bank van
bamboe, en een klein kussen van kapok, dienen om op te slapen. Gekookt
wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen, gegeten wordt
er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de
kleederen worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als
lompen van het lijf vallen; de kinderen loopen naakt, en groeien met de
karbouwen in de modder op. ’s Morgens om 5 uur staat men op, en gaat
naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij in de
rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen,
rietvelden, enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij
particulieren op een dagloon van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur
moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt er wat gegeten, en de
helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder al in
diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje,
waarin wat stinkende olie en een katoenen pitje.
„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den
Javaan-opiumschuiver. Niets, niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan
geven aan den dagelijkschen sleur, altijd maar werken, en den meesten
tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En dan nog zooals
gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het niet
wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten
voor hunnen medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat
eindelijk eens een einde kwam aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid,
en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid van den Javaan?
Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want
ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken
toestand. Ieder Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te
gewillige Javaan op zoodanige brutale wijze zal geëxploiteerd blijven.
„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen
vrijen tijd, moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den
moloch, genaamd ’s lands kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog
niet genoeg voor het geheele jaar...”
„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt
hij troost en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in
Nederland onder dergelijke ellende het volk naar de flesch grijpt.
Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende doet hunkeren
naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken ellende; er behoort
wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en jenever,
en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht.
„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering
verwacht worden, de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich
heen; doch de Overheid moet die arme schepsels met krachtige hand uit
dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen zij het uit van de pijn,
en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder welgeaard
burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en
een ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt.
Zoo Nederland en Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever
gezegd hunne huishouding dekken, zonder revenuën uit zulke immoreele
bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen onbetaalde
arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals
die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit
eerlijk verkregen middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.”
Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de
waarheid, de volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste
gevolgtrekking hunne Nederlandsche harten pijnlijk aandeed.
Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep
zijne hand en drukte die hartelijk.
„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, „voor het inzicht, dat gij mij
in de zoo noodlottige werking van de opium verleend hebt. Ik ben nog
slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om in
eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen
over de opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer
veel gisteren avond bij ons samenkomst onder den Wariengienboom op de
aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch
bezielende taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller
tegenwoordigheid beloof ik plechtig, dat ik van de ons medegedeelde
ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!”
„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke
oratie een daadwerkelijk en.... een dadelijk nut hebben. Ja, een
dadelijk!... Vrienden, ik heb een voorstel te doen....”
„Laat hooren!” riepen allen.
„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh
plaats had. Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen
hadden de snoodste misdaad te aanschouwen gekregen. Ik wil niet
ontleden, wat in ons aller hart omging bij die twee tafereelen, waarbij
de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd; maar beide
gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo
even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw
aller naam zeg ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden,
laten wij in edelmoedigheid niet bij hem achterstaan! Dalima en haar
vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig bij het geding, dat
gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide
beschuldigden zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen
met warmte zal ter harte nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne
maidenspeech bij de verdediging van...? te hooren! Dat zal subliem
zijn......”
„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De
vrienden zullen geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid
tot het verleenen van hulp gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!”
„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede
werk hebben; nietwaar?”
„Ja! ja!” riepen allen.
„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake
zijn van het toewijzen van eenig honorarium aan onzen advocaat. Dat zou
hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n
proces komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij
allen weet, vrouwe Justitia is in Indië een dure, zeer dure deern!
Welnu, laten wij de handen in elkander slaan, en August voor al te
maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen die
twee gedingen met alle klem gevoerd worden!”
„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August!
aan den gang!”
„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte
ik onzen gastheer eene vraag te doen.”
„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork.
„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap. [143]
In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig....”
„Ter zake, ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je
langdradig met je warenkennis!”
„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van
geneesmiddelen gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om
ongelukkigen van het opiumverbruik te genezen. Zijn dat
geheimmiddelen?”
„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend.
„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn
het dan?”
„Het zijn pilletjes, [144] die mij door een zendeling aan de hand
gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix rheï of rhabarberwortel, en
wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie grein opium
en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den
eersten keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst
zelden wordt die derde dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen
zijn.”
„En.... kunt gij genezingen constateeren?”
„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een
twaalftal bedoedans, die mij door de gebruikers gebracht zijn met de
gelofte nimmermeer de opiumpijp aan te raken. De zendeling, die mij het
middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen van genezing
constateeren.”
„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van
u?” vroeg Grenits.
„Ga je gang.”
„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig
is de opiumkosten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te
zweepen, zou daarin eene aanranding van het Gouden Kalf zien. En er
zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd, er zijn menschen
de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden, die
veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!”
[145].
Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid
erkende. Een oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare
wezens, die zijnen steun nog zoo noodig hadden. Of hij zijne
rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren of
ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene
lastige gedachte wilde wegvegen:
„Zoo erg is het niet,” sprak hij.
„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,”
lachte Theodoor.
„Om het even,” vervolgde de controleur. „Fais ce que dois, advienne que
pourra! Ik zal er geen pil minder om uitreiken!”
En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd
was,—allen hadden toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag
gelegd,—vervolgde hij:
„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van
gisteren en heden, en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh
doorgebracht hebben, naar rust verlangen. Hier, de bedienden zullen u
uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken is,
vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene
aangename middagrust!”
Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur
joeg het vijftal jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op.