„Toeaan!... Toeaaan!... Toeaaaan!”
Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze
vrienden te snurken lagen.
Och, de slaap had zich ook over Karel van Nerekool erbarmd. Het had wel
lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij zich op de
baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen
zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August van
Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een
enkele maal een toornige uitroep ontlokt was van:
„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te
worden!”
Of wel van:
„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën,
buitengewoon onrustig van nacht!”
„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!”
„Of een boos geweten!”
„Of een blauwe scheen!”
Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts
voor korten tijd.
„Toeaaan!... Toeaaaan!”...
Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s
bediende, die zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken,
en die thans op zijne beurt zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den
voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren Javaan in dergelijke
omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken
uiterst nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap
ontijdig opgewekt worden. Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst
op een betamelijken afstand; want eene oorvijg van den slaapdronken
toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder vlug met de
gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de
Inlandsche bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar... in zoo’n
verbijsterden toestand is een klap gauw opgeloopen, en het was maar
beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht de gedienstige geest.
„Toeaaan!... Toeaaaan!...” liet zich andermaal het gedempte maar
langgerekte geroep vernemen.
Maar Verstork hoorde niet.
„Toeaaan!... Kandjeng toeaaaan!”...
Geen woord.
De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde
hij evenwel thans nog meer gedempt en gerekt:
„Toeaaan!... Toeaaaan!”...
Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate
onrustig.
Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op,
die zijn heer toedekte. Bij de vierbekkige palita, [115] die met een
kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij
genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot
had, begon hij diens grooten teen te kriewelen.
„Toeaaan!... Toeaaaan!...” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer
zacht, alsof hij door de deemoedigheid van zijn stem vergeving verzocht
voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking van den teen van den
Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog
verschrikt overeind.
„Siapa itoe?” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met
een angst, alsof hij eene slang gevoeld had.
En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt
er toe, om zich, vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te
vergissen.
„Siapa itoe?” riep hij andermaal.
„Saja, Kandjeng toean!” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst
verwijderden hoek van den passangrahan, vlak bij de deur.
De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het
bereik van den blanken man gesteld.
„Maoe apa?” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid
woedend.
„Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.” (het
is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op).
„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne
nachtrust wel wat kort vond.
Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende
verbijstering zou gegeven hebben; maar August van Beneden, die naast
hem sliep, was door dat toeaaan! toeaaaan! van den bediende ook gewekt
geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”, zooals de resident
Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben.
„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen
van de baleh-baleh afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof
het door eene aardbeving heen en weer bewogen werd.
„Wat is er?.... Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld.
De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed.
„Wat is er?... Wat is er?”
„Wat er is?... Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren.
Het dèsavolk staat reeds gereed voor de jacht!”
De jacht!... Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat
men uitgetogen was.
In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen,
gekamd, geschuierd.... zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de
binnenlanden van Java plaats kan hebben, wanneer Europeanen in eene
passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één waschtoestel aanwezig
en daarvan was de kom niet meer dan een scherf. Hoe zich de jagers
behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren er die de methode
van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen
Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden,
door een flinken teug water in den mond te nemen, dat in de
saamgehouden handen te spuiten, en zich daarmeê het aangezicht te
verfrisschen.
Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door
Diogenes van Sinope, den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n
afkeer van omslag had.
Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die
verstrooiing voor zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken.
Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke
bevolking op de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner
zich tegen de morgenlucht met zijn sarong trachtte te dekken, door dat
kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders heen te trekken. Allen
hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken rechtop
hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet
ongelijk aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige
gedeelten van het vaderland, voorheen de vreedzame bewoners den slaap
uit de oogen dreven, onder voorwendsel over hunne rust te waken. De
maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien de lezers
wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die
evenwel, zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen
hadden, en aan Darwin’s stelling eigenaardig veel kracht bijzett’en.
„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd.
„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen.
„Zijn zij reeds afgedeeld?”
„Engèh, Kandjeng toean!”
„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa
omtrekken. Het tweede gedeelte moet zich langs den westkant over den
nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden, terwijl het derde gedeelte
het ravijn intrekt.”
„Engèh, Kandjeng toean!... tapeh...” (maar)
„Tapeh wat?” vroeg de controleur de aarzeling van het dèsahoofd
opmerkende.
„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang
ontsnappen?”
„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit
dien kant en ook nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken?
Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen. Wij gaan dadelijk te paard
stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten, waar alle
varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten
komen. Luister nu goed, loerah.”
„Engèh, Kandjeng toean.”
„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben,
zullen wij een schot lossen.”
„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?”
„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah. Weet ge wat? Wij zullen nu
afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken,
evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de
djagoengvelden omgeven hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel,
dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs vrij blijft.”
„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den
eerbiedvollen loerah.
Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de
ruiters den weg naar Banjoe Pahit insloegen.
Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen
onder die omstandigheden te eerder geboden werd, daar de weg
aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet zeer breed was;
zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding
kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te
ontwikkelen, eerst schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel,
dat bij den horizon waargenomen werd. Die streep werd langzamerhand
breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna purper, eindelijk vurig
op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren, die in het
zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken.
De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan
Kaligaweh, dat eigenlijk tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men
er op los; terwijl de dagende streep al breeder en breeder werd, en de
ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden opmerken, die door
het rijzende licht veroorzaakt werden. Naarmate de dag vorderde, kon
men de paarden den teugel meer vieren, die dan ook weldra in stevigen
draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk zij
bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden.
Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar
stegen zij van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers
van Banjoe Pahit, die men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook
Mokesuep aangesloten had, overgenomen en naar huis geleid werden. Het
was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er nog donkerblauw
uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van den
dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken
en boomen, die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten,
kweelden en floten eene menigte vogels, die zoo hun lofgezang den
Schepper brachten. De bladeren, de takken, de twijgen, de bloemen, de
grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes overdekt, die
in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen
uitzien.
Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het
nog prachtiger van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen
plotseling heel in de verte een vreeselijk leven ontwaard werd.
„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de
controleur.
En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken
bamboe geklopt, werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in
de natuur, die trouwens in dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk
was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst heel verwijderd zich liet
hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat zelfs Van
Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde,
en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het
gezelschap, die hun wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te
schieten.
„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders
gebeuren er nog ongelukken met die vuurwapenen.”
„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis.
„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden.
„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de
controleur.
Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil
voetpad, dat te midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden
slingerde, terwijl vlak naast dat pad, de beek Banjoe Pahit hare
afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding begon, om van
trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te
vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op
den bodem liet ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of
een stortvloed te vormen, om elders tusschen rotsblokken en onder
struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar ginds klaterend en
vroolijk weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten.
Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare
schilderachtigheid het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de
helling afgedaald was, weken de rotswanden, die tot nu den ingang nauw
omsloten en tot eene spleet vervormd hadden, trechtervormig achteruit,
terwijl zij statig en fier omhoog rezen.
Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren
de sporen zichtbaar, dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was.
De dooreen geworpen rotsblokken, de akelig verwrongen boomstammen, wier
bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras en verdroogde takken
torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden
genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot,
en de krachten van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe
Pahit hier in woeste golven, in driftige stroomen en tegenstroomingen,
in vreeselijke kolken hotste, klotste en woelde, huilde en loeide, en
dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn te bevinden.
Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het
spektakel der drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer
verwijderd mocht heeten. Geen enkel opgejaagd stuk wild had zich nog
vertoond.
„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August van Beneden, „ik dacht, dat wij
dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen ons de tjellengs,
als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?”
„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal
schier loodrechte wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op
kunnen. Slechts op een paar plaatsen zijn die wanden minder steil en
derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe Pahit en van
Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten
behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de
benedenzijde drijven de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de
varkens naar het ravijn toe, die er te eerder een toevlucht in zoeken
zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats is.”
„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel
plaats om kiekeboe te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij
hier tot den dag des oordeels staan wachten.”
„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach,
„wanneer de drijfjagers met hunne ratels het ravijn niet van den
benedenkant binnendrongen, om het wild naar ons toe te jagen. Dat zult
ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel maken! Het
is of zij bezeten zijn!”
En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en
flegmatiek in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig
wezen. Hij gilt, hij schreeuwt, hij fluit, hij sist, hij kraait, roept
en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles, wat hij in de hand
heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen, op
steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij
zou op den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette.
En dat alles, om het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor
het wild, dat zoo heel mak niet is, vrees aan te jagen, en den kant uit
te drijven, werwaarts men wenscht, dat het vlucht.
„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen
wij aan den Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh,
zich in de Banjoe Pahit stort, en waar die te zamen door een vernauwing
van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde gedeelte, dat slechts
een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en door
loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om
het bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.”
„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het
schijnt hier wel een voorspel van de verwoesting van het heelal.”
En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande,
torenden steil hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok
in de helling was blijven liggen, waarop wat teelaarde neergekomen was,
en zoo een groen eilandje in die steenenmassa schiep. De rotsblokken,
die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig te
noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden
kerbo, en de Oering aring [116] en slingerplanten als de Oeweh lilin
[117] met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke
knoestige stammen van den Djatie doerie [118] en van den Siwallan [119]
staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden,
door dat zij tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de
bergstroom bij bandjir er tegen en tusschen door gesleurd had, de
moeielijkheden van dat terrein.
„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal
hier met Van Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post
vatten. Gaat gij, Leendert met August, boven op die rots, die daar
rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits, daar op die
afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt
gij den ingang met uw vuur bestrijken, en... zijt gij inderdaad zulke
goede schutters, als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele
tjelleng den dood ontkomen. Maar, haast u; want hoort het spektakel
eens naderen.”
En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en meer duidelijk.
Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk
naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren.
Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker
aangewezen was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige
aanmerking over die samenkoppeling met dien hem niet sympathieken
persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers zich naar de
hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het
wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog,
gekozen waren. De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren,
zoodat geen gevaar bestond, dat zij ongelukken konden aanrichten;
terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé voor allen zichtbaar was,
en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een aanval der
dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren.
Maar... men tuurde, tuurde... en, hoewel de zool van dien uitgang
slechts met eenige dwergachtige struiken, te klein om een varken te
kunnen maskeeren, en met nog korter gras bedekt was, werd van het wild
niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden vrij lang voor de
ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders bij
zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan
een standbeeld gelijk.
„Ik zie niets komen!” riep August van Beneden den controleur toe,
waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond had gebracht.
„Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben
gemaakt, en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.”
„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien
het lange wachten nog onaangenamer viel dan de anderen.
Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die
naast hem met het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets
mogelijk was?
„Bolèh..., tapeh... brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan...
maar... misschien is het zoo niet geschied.) was het bedachtzame
antwoord van het districtshoofd.
Men wachtte... wachtte... Het geraas der drijfjagers naderde al meer en
meer, en werd duidelijker en duidelijker. Als dat nog zoo eenige
minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar blijken, dat het ravijn leeg
was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot bij de
kloof genaderd zijn.
Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers
elkander toeriepen, maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van
geene onwelwillendheid getuigden. Alleen Mokesuep, zijne geaardheid
getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige stem uit te
roepen.
„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten
zullen, controleur!”
„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet
jij altijd hatelijkheden debiteeren?”
„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te
vervelen.... Men inviteert de menschen niet op eene varkensjacht, als
er geene varkens zijn.”
„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan
Verstork het helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?”
„Het zou....”
Pang!... pang!... pang! barstte het geweervuur los, en brak de
hatelijkheden van den fiscalen ambtenaar af. Het waren Verstork, Van
Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang der kloof geposteerd
waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien naderen,
hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden.
Voor de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het
geratel en het gegil der drijvers verdubbelde als het ware bij het
vernemen der schoten, en overstemde ieder ander geluid. Zonder dat had
men het geknor en het gegrom der aankomende bende moeten hooren, en zou
daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de uitkomst
der jacht gemaakt zijn.
Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste
tjellengs, drie mannetjes, waarvan een kolossaal groote, getroffen en
neergestort. Dat deed de geheele aanstormende bende feitelijk
stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk schreeuwden, spartelden
en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten, den
nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. Dat was slechts eene korte
verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend spectakel al
meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven de
voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der
gevallenen voorwaarts. Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven
en de geweren weer „vaardig” had, èn de rechts en links geplaatste
schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog te krijgen,
heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin
schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van
verwarring, dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver
of deden nog eenige passen, om elders neer te storten.
De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij
baan te maken. Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen,
en waren niet het minst verbitterd tegen de gevallenen, die den weg
versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de verwoedheid hunner
geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend
de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds
de voorsten en maakte den slagboom in de nauwe engte nog
onoverkomelijker.
Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de
achter-opdringende tjellengs de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die
onder de wisse schoten der uitmuntende vuurwapenen in niet onervaren
handen noodlottig getroffen werden.
„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van
Nerekool aan Verstork.
„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de
instructies houden, die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets
verder een elleboog, zoodat alle onze projectielen, die niet raken of
door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan, in den rotswand een
ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.... de drijvers hebben
volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt.
Die zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij
te komen, en zoo aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen
te worden, bloot te staan.”
Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was het vuur
onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde
de grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te
geraken, steeds velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de
verwarring ten toppunt gevoerd. Eindelijk, na een poos in de grootste
radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij het geweervuur nieuwe
offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer waren,
en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling
zwijgen der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn
weer in, waaruit zij getracht hadden te ontvluchten.