HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE.

De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze

Europeanen alleen onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen

wilden vijgeboom. Maar, hadden zij een poos te voren geen oogen gehad

voor de schoonheden van den keerkringsnacht, die hen omringde; thans na

dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het gesprek liep

natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene.

„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak

Grashuis, die als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke

gesteldheid te overzien, „dus ook vier en twintig van die hokken. Als

allen... Het is jammer, dat wij ons hebben laten afschrikken, en ons

onderzoek niet hebben doorgezet.”

„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die

hokken waren onbezet, en de tafereelen die gij onder het oog bij verder

onderzoek zoudt gekregen hebben, zouden slechts in verscheidenheid van

beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik herhaal het, het is beter

zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh ongeveer 80

huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130

werkbare mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van

de vier en twintig uren, die het etmaal vormen, geopend is, en wij

bovendien bij het binnentreden der schamele hutten, nog menigen

opiumschuiver zouden aantreffen dan kunt gij u een denkbeeld vormen van

de uitgestrektheid van het opiumverbruik.”

„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg

Grashuis die van cijfers hield.

„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n

rekening niets anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers

der statistische tabellen in l’art de grouper les chiffres.”

„En... wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo

iets voor niets terugdeinzen!”

„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge

zoudt dien eens vuur zien vatten.”

„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik

durven beweren, dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van

opium-verbruik zijn...”

„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde,

nog al met statistische cijfers solde.

„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van

den loerah moest overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal

ongeschikt was geworden, en ik er op stond dat een opiumvrije gekozen

werd.”

„Is dat gelukt?” vroeg Grenits.

„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito,

den armen drommel, die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen.

De omstandigheid, dat hij niet lezen of schrijven kon, heeft mij

weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek is mij gebleken, dat

ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium

gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben [101] om zoo het

noodlottige narcoticum machtig te worden. [102]

„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van

Beneden.

„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele

residentiën gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf

beweren, dat de toestanden op opiumgebied daar aan die in de residentie

Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s als Kaligaweh zijn er bij

honderden te tellen.”

„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits.

„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork.

„En werkt die maatregel daar goed?”

„Uitstekend.”

„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den

maatregel op geheel Java in te voeren?” vroeg Grashuis.

„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef

als proef veel te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent

reeds van 1824 [103]; dan ook werd die maatregel niet genomen om het

opiumverbruik tegen te gaan, maar wel, omdat men vreesde, dat de

bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven te kunnen

overgeven. [104]

„Nog al leuk,” meende Van Rheijn.

„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de

bevolking demoraliseert?” stoof Grashuis op.

„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, „wanneer gij die

bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de

oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd

en door Van Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met het

alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het

is oneindig afschuwelijker, dat is mijne meening!”

„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van

het opiumschuiven te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene

veel grootere daad van menschenmin gerekend worden, dan elke poging der

afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking tot den sterken

drank. Maar....”

„Maar wat?”

„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op

het Nederlandsche budget gedaan.”

„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den

Haag erg doof,” grinnikte Grenits.

„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de

millioentjes, die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.”

„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij

zeggen van den dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de

bewering, dat hij het tientje hetwelk hij stal, noodig had om naar de

bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde, dat hij zijn oom

vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest,

om.... zijne maitresse te onderhouden?”

„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!”

„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork.

„Zoolang Nederland zich eene weelderige administratie als de hare

veroorlooft en den opiumhandel, zooals hij bestaat, handhaaft, verdient

het geen ander beeld dan dat van den man, die een tientje wegkaapt om

naar den biertempel te gaan.”

„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne

duiten machtig te worden. Dat beeld is juister,” voegde Grenits er aan

toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië steeds als

eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te

buiten gaat.”

„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van

Beneden als om te protesteeren.

„Overdrijf ik? Zeg?.... Gaat men niet alle palen en perken te buiten

met de belastingen, die men op de schouders van nijveren en handelaren

gelegd heeft?”

„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden.

„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!... Gaat

men niet alle palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds

zoo zwaar zijn, te verscherpen?”

„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork.

„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht,

het Indische leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort.

„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel.

„Met vrede te Atjeh te decreteeren, [105] die nog in de verste verte

niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden gladweg

het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.”

„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?”

„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der

Billiton-maatschappij den buit te laten behouden, die, als gij de

debatten daarover gelezen hebt, in de Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s

lands kas behoorden te vloeien?”

„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn.

„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de

beschuldiging schragen, die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie

van Regeering, van Vertegenwoordiging, van kieskollegiën, van kiezers,

van de geheele natie ten top gestegen is.”

„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel,

die uit het water komt.

„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het

opiumverbruik....”

„Opzweepen!... Dat gaat te ver!.... Die beschuldiging is onbillijk!...”

viel Van Beneden in.

„Zoo! Dunkt u dat?... Welnu, neem Baud’s Proeve ter hand. Daarin zult

gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op uit geweest

is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid

dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie

millioen, in 1842 bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880

bijna dertien millioen had opgebracht, werd voor 1885 op bijna

negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die raming

zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan. [106]

Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland

geteemd en geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat

men de bestuurders volkomen de handen vrij, om volgens de geijkte

uitdrukking: er uit te halen, wat er uit te halen is.”

„Maar,.... vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene

belasting zoo productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn.

„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het

opium-monopolie. Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt

het verbruik aangemoedigd, worden de inlanders naar de kit gedreven

door alle middelen, door de minst geoorloofde het liefste! Leest de

Indische dagbladen maar geregeld, [107] dan zult ge voldoende gesticht

worden over den gruwelijken last, die de Chineesche kithouders den

niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur

zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot

inkeer gekomen, hun verbruik verminderen.”

„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in.

„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits

onverstoorbaar voort, „om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit

artikel te stellen onder het bereik van het geringst aantal personen;

zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling moet worden

veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de

rijzing van den pachtschat te verkrijgen. [108] Nu, kort geleden, is

zij door een Minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel

verheven [109]. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn,

dan moet het oordeel klinken; onze Regeering en onze Vertegenwoordiging

zijn overtuigd van het diep rampzalige van het opium-verbruik bij hun

Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen van de gelden,

welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden.”

„Tu, tu, tu.... Vergiftiging!.... Wat voor woord!...” viel Van Beneden

in.

„Vergiftiging, ja.... Wanneer bij een apotheker in Nederland opium

buiten zijne vergiftkas bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer

hij opium aflevert zonder recept van een geneesheer, dan wordt hij

beboet, [110] nietwaar, vriend Van Nerekool?”

Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan,

en knikte ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te

betwijfelen. Grenits echter, met dat toestemmend hoofdknikken tevreden,

ging voort.

„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle te koop, ja

wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de

Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder

het medeweten, onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!”

„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn

meesmuilend. „Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van

ontevredenheid overgoten als de overige handelaren en industriëelen

hier in Indië.”

„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden

van het meerendeel hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair

verbonden aan hen, waar het de dierbaarste belangen van handel en

nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik met

hetzelfde sop overgoten ben.”

„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis met leuke

stem.

„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet

alleen gevild, maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken

voorzeker de hand naar de wapens zou doen uitstrekken. De Nederlanders

hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de Belgen bij den hunnen

tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen

tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!”

„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen.

„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de Xde penning, die onze

voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden. En

welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als persiflage zou

kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht

te bezitten. Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is

daarvan slechts een akelig masker; vooral wanneer het geldt fiscalische

onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend dier op zijne

prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft;

vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in

den Staat!”

„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit.

„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar

neemt het gruwelijke boek: Macht tegen Recht ter hand, dat boek

afkomstig van een lid van het Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór

dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat hof was, schier een half

menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van Justitie,

enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij

daarna nog dat ik overdrijf!”

„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts

één doel stelt, de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur

in het harnas te jagen.”

„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die

in mijn oog den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den

toestand onbewimpeld onthuld te hebben. Dat is in den regel de

dankbaarheid van ons Nederlanders!”

„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,”

riep Van Rheijn smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op

de molen!”

„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid

gegeven, vriend Van Rheijn.”

„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten

zal zijn.”

„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche

pers gebruikt, toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden

met wettige middelen tegen de daden van willekeur en tegen de

afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme oproerlingen!...”

ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme

oproerlingen!... laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij

God! bij een anderen staat van zaken zou men daar wel met de handen in

het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen klaar te komen! Dat

zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa

saamgewield is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren;

want de Hollandsche heldenaard gaf in onze steden den weinigen, die

daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie refrein in den mond:

„Ik ben mijn leven moe!

Ik ga naar Atjeh toe!”

„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden.

„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij

ondoordachte „tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel

gegist kan worden; want men heeft er hier het bewijs door verkregen,

dat men in den wettelijken kamp van recht en billijkheid tegenover

gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten

heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond,

dat wanneer een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den

takt paarde, om de onderling verdeelde ontevredenen om zich te scharen,

een man, die van de radeloosheid daar ginds gebruik zou weten te maken,

het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.”

„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel

weten te doen!”

„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft

de Regeering het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij

op de meest hondsche wijze tegenover dat leger haren plicht verzaakt

heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat het officierskorps, in

weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen. [111]

Maar.... kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men

herwaarts bracht, en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak,

met wapens en munitie overloopen, en dan bij geheele kompagniën zouden

overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook verwachten van de

Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste

streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld

werden? Zeg, zou dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u

niet....”

„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk.

„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den

vinger op den wonde leg?”

„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het

tijd is om de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het

bloed warm, en.... Daarenboven, het is bijna middernacht. Wij moeten

gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg dag, en dan wacht ons

eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes, dien wij

heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij

wel bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!”

Allen stonden op, behalve Van Nerekool.

„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei

Grashuis. „Drommels, morgen avond zou de resident het—wie weet hoe

verfraaid en verrijkt—reeds vernemen. En dan, vriend Grenits, zoudt gij

een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie weet of ze je niet naar

Atapoepoe of de Tomini-baai [112] verbanden; wellicht zetten ze je wel

heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den advocaat Winckel.” [113]

Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders.

„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen

hij dien nog buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de

anderen den passangrahan reeds waren binnengetreden.

De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en

keek zijn vriend met een verbijsterd oog aan.

„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de

hand op den schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij

waart den geheelen dag zoo stil, zoo afgetrokken.”

„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo

ongelukkig!”

„Ongelukkig?... Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed

drukt slechts ten halve.”

„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt

kunnen torschen? Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van

verleden Zaterdag te Santjoemeh?”

„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te

geven, waarom ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor

Juffrouw Anna van Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?”

„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht

dagen is veel gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van

Gulpendam mij niet genegen was?”

Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op

mededeeling van het gebeurde aan.

„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij

weet het: uw hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart.

Komaan, vooruit!”

„Maar, gij wildet gaan slapen?... En... dan, morgen die jacht?...”

„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements

koffietuinen overkomen, dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten

doorbracht; terwijl mij toch den volgenden morgen een inspanningsvolle

dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een vriend over,

dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.”

Karel van Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan

mededeelzaamheid, hij had behoefte zijn hart in dat eens vriends uit te

storten.

En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man

aan zijne aangebedene bij gelegenheid van de dansreceptie ten

residentiehuize. Met de levendigste kleuren schilderde hij het

betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende den

zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij

de betuiging der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider

lippen daar in den tuin elkander voor het eerst zochten en vonden.

„Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit,

Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat” [114]

mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had,

het tweeregelig vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met

een glimlach. Maar, toen hij zijn vriend weemoedig het hoofd zag

schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart gewond was.

Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken,

daar in den residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht,

volgde dat der ontnuchtering. Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam

het tête à tête verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij

daarop met de schoone Laurentia gehad had. Een bittere glimlach zweefde

om den mond van den controleur, toen hij vernam, welke

verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had.

„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?”

„O, neen,” antwoordde Van Nerekool.

„Welnu, ga voort.”

„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar

het residentiehuis, om de hand van het lieve meisje aan haren vader te

vragen. Het kostte mij veel moeite om gehoor te krijgen, en het was

niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had, dat ik in de

tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd.

„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij

het kantoor, waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje

gauw van stapel, ik ben gehaast.”

„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met

juffrouw Anna, en...”

„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het,

ik heb geen tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets

vernomen. Ik kan het niet kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar,

met een jong meisje een geheim oppertje te zoeken. Recht door zee! is

mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle zeilen op zijn

doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.”

„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij

verrast hebben. Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de

hand uwer dochter te doen. Van geheimzinnigheid kan dus geen sprake

zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer Van Gulpendam, geene

andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden, en u te

verzoeken haar mij als gade te geven.”

„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt

gij wel gissen, wat ik in het logboek zal invullen? Niet?”

„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik,

verbaasd over die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen.

Ik heb de eer u om de hand van uwe dochter te verzoeken.”

„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij

ietwat geraakt. Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen

enkele scheepsterm meer over zijn lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken,

scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij gissen kunt, welke

beslissing ik zal nemen?”

„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin

juffrouw Anna onuitsprekelijk!”

„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd

worden. Is uwe liefde u ernst?”

„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk.

„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek

met mijne echtgenoote gehad?” vroeg hij mij.

„„Ja, resident,” was mijn antwoord.

„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?”

was zijne tweede vraag.

„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat

hij en zijne vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?”

„Waarom niet?” vroeg Verstork.

„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds

evenwel, dat hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner

echtgenoote niets te maken had.”

De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur overtoog, ging

onder de dichte schaduw van den Wariengienboom voor Karel verloren.

„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne

gemoedsstemming onmogelijk kon verraden.

„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw

gedaan.”

„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij

verder.

„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd.

„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij

verder. „En, dat gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat

gij nog eenmaal een practisch mensch in onze maatschappij zult worden.”

„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik

deed, en waarvan mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik

den grond, als het ware, onder mij wegzinken.

„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw

mij voorgesteld heeft?”

„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en

met ietwat spottende stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de

opvolger te worden van den tegenwoordigen voorzitter van den landraad

te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd tijdstip

tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand

niet geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij

ziet, dat ik op de hoogte der gedane toezeggingen ben, en als gij u

daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen de daad van een inderdaad

practisch man zou zijn, weest dan gerust....”

„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele

roerselen gingen toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig

in de rede:

„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident,

ook was het niet, om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de

vraag deed, of gij wist wat mevrouw mij voorgesteld heeft!”

„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde

hij koel. „Wat bedoeldet gij dan wel met die vraag?”

„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat mevrouw Van

Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?”

„„Och, kom?” zei hij spottend.

„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te

brengen, om een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging

ik voort.

„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig.

„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs

uitzicht op de hand uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs

van een menschenleven eer en bevordering werd aangeboden?”

„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten

toorn. „Ik verbied u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te

uiten! Wat? Gij komt hier om de hand mijner dochter te vragen en gij

hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van het meisje, dat gij

zegt lief te hebben!”

„„Hoon en laster!” riep ik uit.

„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat

is wellicht te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van

een misverstand,” en met koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert

mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool. Het komt mij evenwel zeer

onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om over die

aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er

is bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan

een huwelijk te denken.”

„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik

zijn hand greep.

„Hij keek mij met een verbaasden blik aan.

„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij

ontwijkend. „Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten,

alvorens aan een verbintenis voor haar leven te denken. En die dan

leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen...”

„Hier haperde hij.

„„Intusschen?...” vroeg ik schier ademloos.

„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe

bezoeken op het residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf

meisje niet in opspraak willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet

anders dan bij officiëele receptie’s ten mijnent te zien!”

„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.”

Verstork keek zijn vriend met deelneming aan.

„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei

hij. „Herinner u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen

opnam.”

„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom....”

„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam

kunnen peilen, in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen,

wanneer uw aanzoek ingewilligd ware geworden.”

„Maar Willem, Anna is....”

„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan

aangetroffen worden. Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst

bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke bloem in zoo’n midden heeft

kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.... laat dat meisje

zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou

het toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan

hare ouders, die de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens

genoemd moeten worden, die in een fatsoenlijken kring plaats kunnen

nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene omgeving rampzalig

gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.”

Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij

zat daar met het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog

als verdwaald hoog daarboven de openingen aanstaarde, die in de

bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren waren, en waardoor de

maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet schijnen.

Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak

hij:

„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de

hoogte gebracht van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid

in den slaap zoeken. Gij hebt heden een voor u ongewonen en dus

vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom zijn. Morgen

wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken er op, dat ook die

heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van morgen

bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!”

Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op

en volgde zijn vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds

in diepe rust vonden en zich dan ook naast hen op de baleh-baleh

uitstrekten.

Baboe Dalima · 第 42 / 94 题