ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT.

Bij inspectie viel de passangrahan nog al mee. Waarachtig, het gelukte

den loerah niet alleen zes hoofdkussens, maar ook zes bultzakken en

zelfs zes rolkussens bijeen te brengen. Of ze zindelijk waren, kon bij

het armoedige licht van het lampje, hetwelk in het midden van het

vertrek hing, niet onderzocht worden. Maar de loerah had zichzelven

overtroffen, want hij had ook nog voor zes stoelen gezorgd, die wel is

waar kreupel en gebrekkig, maar toch bruikbaar waren, en als een

weelde-artikel in eene dèsa als Kaligaweh aangemerkt moesten worden.

Om nu evenwel al te gaan rusten, daartoe bestond weinig aandrang. De

opgewektheid van zenuwen, ten gevolge van de spanning door die

amokhzaak teweeggebracht, liet zich nog te veel gevoelen, dan dat aan

slapen kon gedacht worden. Men greep de stoelen, bracht die op de

aloon-aloon voor de passangrahan, schikte hen in een kring en nam nu,

na eene geurige manilla-sigaar opgestoken te hebben, plaats. Van het

verkrijgen van wijn of bier, was natuurlijk geen sprake geweest, nog

minder van een grogje, hetzij van jenever of van brandy. Zoo iets treft

men in geen Javaansche dèsa in de binnenlanden, als er tenminste geen

Europeanen gevestigd zijn, aan. Maar de loerah had voor klapperwater

gezorgd, en dat werd een overheerlijke drank bevonden, vooral wanneer

hij afkomstig was van eene jonge noot, waarvan het vruchtvleesch zich

nog slechts in den staat van witachtige gelei langs de wanden van den

harden bast afgezet heeft.

Het kringetje was ras onder een kolossalen Wariengienboom [91] gevormd,

welks knoestige takken zich hoog en zeer ver uitspreidden, en zoo eene

kruin vormden, die het grootste gedeelte der oppervlakte van de vrij

ruime aloon-aloon overdekte en schaduw verleende, wanneer de zon of de

maan in het zenith stond, en zoo den omvang van die kruin op den bodem

nauwkeurig bepaalde. Van verreweg het meerendeel der horizontaal

uitgespreide takken daalden bundels luchtwortels naar beneden, nu eens

als een vinger, dan weer als een pijpesteel zoo dik, soms zoo fijn als

een dun touw, die evenwel, bij het aanraken van den bodem, daarin

doordrongen, om hulpstammen te vormen, die den reus zijnen last hielpen

torsen. Van die bijstammen waren er velen te bespeuren, die rondom den

hoofdstam een zuilengewrocht daarstelden, en den schoonen boom eene

zekere mate van betoovering bijzetten.

Het uitspansel was donkerblauw en buitengewoon helderrein. De sterren

fonkelden aan den hemel, hoewel het zachte maanlicht haar veel afbreuk

deed, en haren glans aanmerkelijk verbleekte.

Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische

gewesten doorgebracht, was het volstrekt niet stil in de natuur. Een

zacht windje deed toch de millioenen bladeren van den kolossalen wilden

vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige geluiden, die vernomen

werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door

onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd

koerde in weerwil van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in

de onmetelijke kruin van den Wariengien, en werd door haar gaaiken

beantwoord; nu en dan liet zich een haan door de heldere maanstralen

verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit volle

borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en

daar weerklonk het scherpe gepiep van de vele vleermuizen, die rondom

onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten, een waren

doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen,

enz. beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar

„kalongs”, [92] die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of

anderen vruchtboom van de dèsa waren neergestreken, en daar om het

ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of „kwennie” [93]

plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als

solopartijen beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal

heerschte, hoewel de uitvoerders daarvan niet te bespeuren waren. In

dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen, waarheen men het oor ook

wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens zóó sterk

liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan,

dan weer zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar

briesje langs een graanveld, soms plotseling als op een gegeven teeken

ophield, alsof het ’t zacht lispelen der Wariengienbladeren wilde laten

vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde kracht in koor

te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „tongeret

oetan,” [94] eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere

grasspriet van de aloon-aloon, op iedere bladpunt van den onmetelijken

Wariengienboom gezeten, dat schril concert ten gehoore, en in

letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten.

Of deze verschillende geluiden de aandacht onzer jagers boeiden? Of zij

gehoor verleenden aan die tonen, welke een intertropischen nacht meer

levendigheid schenken, dan aan het middaguur, wanneer de zon in het

toppunt staat, en alles in de natuur aamechtig doet zwijgen? Of zij oog

hadden voor den heerlijken nacht met zijn verkwikkend windje, met

zijnen schitterenden sterrenhemel, met zijn fraai en zacht maanlicht,

dat zulke grillige maar bevallige schaduwen vormde? Het is te

betwijfelen. Het gesprek dier jonge mannen liep toch—en zulks kan geene

verwondering baren—over de gebeurtenissen van den dag. Het tooneel van

maatschappelijke ellende, dat men onder de oogen had gehad, was te

aangrijpend geweest, om nu reeds verdrongen te worden. Die moordzaak

werd van alle kanten bekeken; maar, nadat men het verhaal van het

gebeurde vernomen had, hetwelk Verstork, alvorens te gaan schrijven,

medegedeeld had, was de deernis met Setrosmito en zijn gezin groot.

„Welke ellende baart die gevloekte opiumpolitiek toch niet op dit

overigens zoo gezegende eiland,” sprak Grashuis. „Is het niet om zich

van schaamte het aangezicht te moeten sluieren, dat onder de inkomsten

van het Nederlandsche budget zoo’n bron aangetroffen wordt?”

„Tu, tu tu!” antwoordde Van Beneden. „Die bron—ge bedoelt toch de

opiumpacht niet waar—is geheel en al gelijk te stellen met eene

verbruiksbelasting op een weelde-artikel.”

„Accoord,” zei Grashuis, „maar wie leerde den bewoners van den

Indischen archipel dat weelde-artikel kennen?”

„Wel, dat weet ik niet. Het zal daarmee gegaan zijn als met den sterken

drank. Van waar is dat distillatieproduct afkomstig? Wie vond het uit?

Ik geloof dat daarop moeielijk een bevredigend antwoord te geven is.

Dat kan met zekerheid verklaard worden, dat de uitvinding van de opium

niet op rekening van de Nederlanders kan gesteld worden.”

„Zeer juist, ofschoon ik aarzelen zou, dat negatieve certificaat, als

bewijs van goed gedrag aan te nemen,” antwoordde Grashuis gemelijk.

„Te minder,” merkte Grenits op, „daar het Nederlandsche geweten, is het

dan ook onschuldig aan de ontdekking van de opium, niet vrij te pleiten

is, van met den invoer van de opium begonnen te zijn, en...”

„Kom, gekheid!” viel Van Rheijn in. „Dat is eene bewering, die wel den

toets van het onderzoek niet doorstaan kan! Neemt men Baud’s bekende

Proeve [95] ter hand. dan leeren wij, dat de Oostersche volkeren als

Turken, Perzen, Arabieren en Hindoe’s al reeds sedert vele, zeer vele

eeuwen aan het opiumverbruik verslaafd zijn. Het is dus aannemelijk,

dat toen de Nederlanders voor het eerst in Indië kwamen, zij er de

gewoonte om opium te schuiven reeds vonden...”

„Mis, waarde ambtenaar,” viel hem Grenits in de rede. „Diezelfde Baud,

dien ik evenals gij als eene autoriteit beschouw, verklaart niet te

hebben kunnen ontdekken, wanneer het gebruik van opium in

Nederlandsch-Indië is aangevangen. Mij dunkt, dat zoo’n bekentenis in

den mond van dien Staatsman kenmerkend is. Had hij toch in zijne

geschiedenis kunnen staven, dat het gebruik van de opium bij de komst

der Nederlanders in Indië reeds ongeveer verbreid was, geloof dan vrij,

dat hij die wichtige bizonderheid voor de eer onzer natie niet zou

verzwegen hebben. Ik ga verder. Baud zelf komt later in zijne Proeve

tot de meening, dat toen de Europeanen zich in den loop der XVIde eeuw

in de Indische wateren begonnen te vertoonen, het opiumverbruik slechts

in de Molukken bekend was, en dat voor het overige gedeelte van den

Indischen Archipel kan aangenomen worden, dat dit verbruik zich

bepaalde tot eene zeer geringe hoeveelheid ten dienste van vreemde

oosterlingen, die zich in sommige havenplaatsen gevestigd hadden.”

„Is die uiting niet als een personeele opvatting van Baud te

beschouwen?” vroeg Van Rheijn. „Wat zegt gij er van?” vervolgde hij

zich tot Van Nerekool wendende. „Baud was toch een tegenstander van het

opiumgebruik.”

Maar de aangesprokene, afgetrokken en in zijne overpeinzingen verdiept

als hij was, antwoordde hem niet. Het stond te bezien, of hij de vraag

wel gehoord had. Grenits haastte zich evenwel te antwoorden:

„Baud een tegenstander van het opiumgebruik!... Waaruit hebt gij dat

gehaald? Toch niet uit zijne Proeve? Die is met de meest mogelijke

onpartijdigheid samengesteld. Hij behandelt slechts de nadeelige

uitwerking van het heulsap met de meeste omzichtigheid, en in zijn

geheelen arbeid wordt geen spoor van een schema van een ontwerp ontdekt

om dat verbruik tegen te gaan. Gij spreekt evenwel van Baud’s

personeele opvatting?..... Maar die opvatting omtrent het verschijnen

van de opium in Indië wordt geschraagd door de reisverhalen van eene

menigte merkwaardige zeereizigers uit die dagen. Ziet de Itinerario’s

ofte voyages b. v. van Van Linschoten, van Cornelis Houtman, van

Wybrand, Van Warwijck, van den admiraal Matelief en van zooveel andere

verdienstelijke vaderlanders uit ons heldentijdvak, dan zult gij

bemerken, dat Baud in die opvatting volstrekt niet alleen staat.”

„Wat drommel, vanwaar komt gij als koopman aan al die wetenschap?”

vroeg Van Rheijn niet zonder scherpte. Bij zoo’n discussie trad toch de

gewapende vrede tusschen den koopmans- en den ambtenaarstand, die in

Indië meer nog dan elders op die van kat en hond, welke genoodzaakt

zijn te samen op een erf te leven, gelijkt, eenigszins op den

voorgrond.

„Wel, juist als koopman, heb ik eene studie gemaakt niet alleen van de

voortbrengselen van den Archipel, maar ook van de artikelen, die

voordeelige uitkomsten beloven,” antwoordde Theodoor.

„En dat doet de opium voorzeker. Daarom zou die handelsstand dat

artikel wel in zijne handen wenschen,” hernam Van Rheijn vinnig.

„Wat sommige handelaren wenschen, weet ik niet, en wil ik niet weten,”

antwoordde de andere koeltjes. „Maar ik zou uit zoo’n bron geen

voordeel willen hebben, en ik ben er zeker van, dat vele, zeer vele

vakgenooten daaromtrent eenstemmig met mij denken. Het bewijs, dunkt

me, ligt kenmerkend in de omstandigheid, dat voor zoover mij bekend is,

nimmer eene Europeesche firma als opiumpachter opgetreden is.”

„En de Nederlandsche Handelmaatschappij dan?” vroeg Van Rheijn ietwat

hoonend.

„De Nederlandsche Handelmaatschappij is als eene laatgeboren spruit der

Oost-Indische Compagnie, onzaliger nagedachtenis, te beschouwen, en als

het ware geïdentifiëerd met de Nederlandsche Regeering, wier winkelier

zij is in de kruideniersaffaire, aan te merken. Het opiummonopolie

wordt door den Staat gedreven; was het wonder, dat de „Companie ketjil”

[96] als opiumpachter optrad? Toch heeft het niet lang geduurd, dat dit

Europeesch handelslichaam, die eervolle betrekking behield. Volgens

Baud, trok de Regeering niet genoeg winsten uit die verpachting, zoodat

zij het andermaal met Chineezen wilde beproeven, die meer tuk op

voordeel, dien heilloozen handel tot zijnen hoogsten bloei zouden

brengen. Van een anderen kant, wanneer ik de namen der Nederlandsche

geslachten zie, wier hoofden toen der tijd de bestuurders en leden van

de Nederlandsche Handelmaatschappij waren, dan vermag ik de gedachte

niet te onderdrukken, dat die voorname lieden geen leedgevoel zullen

ondervonden hebben, toen die vuile bron van winstbejag voor hen

verstopt werd.”

„Wat leutert ge toch van vuile bron van winstbejag,” viel Van Rheijn

korzelig in. „Drijft de Handelmaatschappij geen handel in jenever?

Verkoopt uwe firma dien drank niet? Zult gij, als gij eenmaal aan het

hoofd van een huis zult staan, iederen handel in sterken drank laten

varen?”

„Evenals zoovele anderen stelt gij dus het opium-verbruik met het

jenever-verbruik gelijk?” viel Grenits in. „Ziet, gij en de velen, die

dat hier te lande en daar ginds in Nederland verkondigen, doen veel

meer kwaad, dan zij wel gissen kunnen, hoewel er verscheidene onder

zijn, die met behoorlijke kennis van zaken toegerust spreken, en

bijgevolg den omvang hunner woorden peilen kunnen; maar daarbij een

doel najagen, waaraan eerzucht in den regel niet vreemd is; terwijl de

anderen slechts praten, om hunne toehoorders aangenaam te stemmen. Want

o! het klinkt zoo verkwikkend voor Nederlandsche ooren, wanneer

menschen, die in de Oost geweest zijn, en het dus weten moeten, met

zoetsappige spraak verkondigen: „och, de opium is zoo’n groot kwaad

niet. De mensch heeft soms een prikkel, eene opwekking noodig. Ziet, de

heer Schaepman, die het toch wel goed met zijne schaapjens zal meenen,

misgunt den man een paar borrels jenever niet. Laten wij dat

geestelijke voorbeeld volgen, en den Javaan zijne opiumpijp niet

misgunnen. Opium en jenever staan op dezelfde lijn!” Ziet, dan openen

zich de ooren, die anders vrij wel gesloten bevonden worden, en dan

volgt menig beamende hoofdknik; want.... men acht zich dan van de

verplichting ontheven, om een einde te maken aan een zoo smerige bron

van inkomsten als het opium-monopolie is.”

„Welnu, mijn waarde Grenits, vergeef mij, maar ik behoor ook tot de

lieden, die niet alleen die stelling met een beamenden hoofdknik

bevestigen, maar haar ook luide verkondigen durven. Ik houd staande,

dat beide artikelen: jenever en opium, als bedwelmings-middelen op

gelijke lijn staan, dat beide nadeelig te noemen zijn; het eene

wellicht niet in zoo’n hoogen graad dan het andere.”

Het was Van Beneden, die zoo Van Rheijn te hulp kwam. Deze laatste keek

zegevierend rond en riep uit:

„Ziet ge wel? Ik sta met mijne meening niet alleen. Bravo, August!”

„Zeker is ook het gebruik van jenever nadeelig te noemen....”

„Pas op, dat de leden der Witte sociëteit in den Haag dat niet hooren!”

viel Grashuis lachend in.

„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „dat gebruik vloeit voort

uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil, die het

bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk

geluk en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father

Mathews, den Ierschen matigheids-apostel en van andere

afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat over het hoofd te

zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening

aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne

lijn stelt, gij niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de

hoogte der koloniale litteratuur in zake opium zijt. Vaderlandsche

mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud, Van Dedem en zoo vele

anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker als een

middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in

zijne reisbeschrijving openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van

het opiumverbruik mede, die van zoo’n aard zijn, dat, hoewel wij

slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins die

bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel

volkomen. Een beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is,

[97] schreef reeds in de XVIde eeuw, dat het gemeene volk in China de

opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde Von Miclucho

Maclay [98] schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te

Hongkong genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik

uwe ooren besparen wil. Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En

wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse, [99] en

zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als

Minister van Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden,

in de volle Vertegenwoordiging, van de opium spraken als van een kwaad,

van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging, van eene verpesting,

dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking en de

gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig

heilloozer zijn, dan die van het alcohol-verbruik.”

„Zou niet eens eene proef met opium schuiven te nemen zijn?” vroeg Van

Beneden. „Ik zou die uitwerking wel eens willen ondervinden.”

„Ik ook,” antwoordde Van Rheijn. „En die wensch zal wel te volbrengen

zijn.”

„Hoe zoo?” vroeg Grashuis. „Opium is toch zoo gemakkelijk niet te

verkrijgen voor ons Europeanen. Wij kunnen toch niet in eene kit gaan

schuiven tot spot van het volk.”

„Luister. Ik tel onder mijne kennissen Lim Ho, de zoon van den

opiumpachter. Die zal mij wel eenige madat-balletjes verschaffen.”

„Clandestiene?” vroeg Grenits lachende. „Gij weet de opiumpachters zijn

de grootste smokkelaars.”

„Om het even. Opium is opium. Ik zal ook wel eene pijp machtig worden.

Zoodra ik die dingen heb, zal ik ulieden waarschuwen, dan vergaderen

wij ten mijnen huize. Wij zullen hartenazen, wie zich aan de proef zal

onderwerpen. Die door het lot aangewezen wordt, zal schuiven, terwijl

de anderen toezien en hunne opmerkingen maken zullen. Is dat

afgesproken?”

„Ja, ja!” was de algemeene kreet, waarmede Van Nerekool, steeds

afgetrokken als hij was, niet instemde.

„In afwachting van den uitslag der proef evenwel,” ging Van Rheijn

voort, „kan ik niet nalaten te betuigen, dat vriend Grenits zijne

stelling uitstekend verdedigd heeft. Waarlijk, ik had zoo veel

zaakkennis omtrent het opium-monopolie niet bij een handelsman

verwacht....”

Deze glimlachte bitter. Och, zoo’n oordeelvelling vanwege iemand uit

het ambtenaarskorps was voor hem niets ongewoons.

„Maar,” ging de aspirant-controleur voort, „hij zal mij nimmer

overtuigen, dat de opium meer onheilen sticht, meer rampen over het

volk uitstort, dan sterke drank zou doen.”

Verstork, die gedurende dat gesprek zijne beknopte berichten aan de

autoriteiten te Santjoemeh beëindigd en verzonden had, was intusschen

nabij getreden en had zoowel de tirade van Grenits omtrent het

heillooze van het opium-verbruik als ook de laatste bewering van Van

Rheijn gehoord. Hij mengde zich terstond in het debat.

„Kom,” sprak hij, „de gelegenheid om ons te overtuigen, omtrent hetgeen

Grenits beweert, is te schoon, om niet te worden benuttigd. Wij

bevinden ons in een der meest rampzalige dèsa’s, in een der meest

waarneembare slachtoffers van het opium-monopolie. Het is nog zoo lang

niet geleden, dat Kaligaweh als een der welvarendste en netste dorpen

kon aangemerkt worden. De opiumkit is gekomen en.... kijkt rondom u;

alles is even vervallen en verwaarloosd. De hutten storten schier in;

de wegen naar en door de dèsa zijn modderpoelen gelijk; van de

sierlijke heggen, welke die wegen en de erven der ingezetenen vroeger

omzoomden, is geen spoor meer te vinden. Kom, het is nog pas tien uur,

de kit is nog open [100]; daarenboven de bewoners, door die moordzaak

opgewekt, door de tegenwoordigheid van zooveel blanken in hunne dèsa

verontrust, zijn nog allen wakker. Wij kunnen dus de oogen den kost

geven, en onze weetgierigheid bevredigen.”

Allen waren opgesprongen om den controleur te volgen. Alleen Van

Nerekool bleef met het hoofd in de handen rustende, wezenloos zitten.

„Kom meê, Karel,” sprak Verstork, terwijl hij hem de hand op den

schouder legde.

De jeugdige rechterlijke ambtenaar sprong schier verschrikt op.

„Waarheen?” vroeg hij zoo onthutst, dat het blijkbaar was, dat hij met

zijn brein elders gedwaald had.

„Kom, naar de opiumkit.”

„Naar de opiumkit?” vroeg Van Nerekool ontsteld. „Om wat te doen? Ge

wilt toch niet....”

„Schuiven, nietwaar? Neen,” vervolgde Verstork bij zijne aarzeling.

„Neen, wij gaan maar kijken. Maar, bereidt u voor op onsmakelijke

gezichten; want ik geloof, dat het bezoek aan de kit heden nacht

talrijk is. Maar.... wacht, willen wij volledige kennis betreffende

land- en volkenkunde opdoen, dan....”

En zich tot een der oppassers wendende, die steeds in de nabijheid van

den ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur verwijlden:

„Sariman,” sprak hij, „roep dadelijk de twee Chineezen van de opiumkit

hier. Maar dadelijk, ik moet hen noodzakelijk terstond spreken.”

„Engèh Kandjeng toean!”

„Een oogenblik wachten, heeren! Anders zou het meest interessante

schouwspel voor onze land- en volkenkundige nasporingen een gesloten

boek wezen.”

Het wachten duurde evenwel slechts zeer kort. De beide Chineezen kwamen

ijlings aangeloopen, door den politie-agent tot spoed aangezet, met een

ijverig:

„Eo! lakas! lakas! Kandjeng toean pangil!! (Kom! gauw! gauw! de

verheven heer roept).”

Toen de Chineezen bij den groep Europeanen aangekomen waren, sprak de

controleur tot zijn gezelschap:

„Laat ons nu gaan.”

„Maar, mijnheer heeft ons laten roepen,” sprak een der Chineezen

brutaal, toen hij zag, dat de controleur zich niet om hen bekommerde.

„Stil, babah!” zei de heer Verstork. „Wij willen de opiumkit bezoeken.

Wees ons geleide.”

„De opiumkit bezoeken?” kreet de babah. „Maar dan zal ik gaan...”

„Hier, bij mij blijven! Alle twee!” sprak de controleur op bevelenden

toon.

De beide Chineezen wisselden een blik met elkander; maar kikten geen

woord, en volgden de blanke heeren.

De kit lag achter de missighiet, die zich aan de oosterzijde van de

aloon aloon bevond; zoodat de bezoekers slechts een honderdtal passen

af te leggen hadden, om die philantropische inrichting der

Nederlandsche overheerschers te bereiken.

Neen, het was geen gebouw, dat, in het bewustzijn een der talrijke

zuigers te zijn, waardoor de Nederlandsche schatkist gevuld heet te

worden, trotsch en fier zich verhief!

Neen, aan het uiterlijke was niet te ontdekken, dat het een der

toevoerbuizen was van het opium-monopolie, die vreeselijke zuig- en

perspomp, die millioenen en nog eens millioenen in de Nederlandsche

schatkist doet stroomen.

Neen, driemaal neen! Het was slechts een armzalig, vuil, smerig

bamboegebouwtje, meer aan eene keet of schuur gelijk, waarvan de

omwanding bij den grond gedeeltelijk verrot was, en die eigenaardige

muffe lucht van in verderf verkeerende bamboe verspreidde, waarvan het

atappen-dak zichtbaar onder den last der jaren doorboog, en op het

hoofd der bezoekers dreigde neer te komen. Het innerlijke beantwoordde

volkomen aan het uiterlijke. Zeer laag van verdieping, was de

binnenruimte tusschen die muffe wanden en onder dat half vergane dak

uiterst bedompt; terwijl daarenboven de vochtige atmospheer, die er

heerschte, nog doortrokken was met die akelig weeë zoete lucht, die

verbrand wordende opium steeds en onbedriegelijk kenmerkt. De naakte

bodem diende tot vloer, maar was niet aangestampt, zooals gewoonlijk in

Javaansche huizen geschiedt. Integendeel, die vloer was hobbelig, hier

en daar met zwart-glimmende bulten bezaaid, die onder den naakten voet

der Javaansche, of onder het hardlederen schoeisel der Chineesche

bezoekers akelig glanzend gepolijst waren. Hier en daar was bij het

zwakke schijnsel eener onzindelijke petroleum-lamp eene vochtige plek,

soms een poeltje te ontdekken, gevuld met groenachtig bruin water van

zeer verdachte herkomst, dat er het zijne toe bijdroeg, om èn de

gezichts- èn de reukorganen uiterst onaangenaam aan te doen. Bij het

binnentreden door de lage deur wilde een der Chineezen iets uitroepen;

maar Verstork, die hem in het oog hield, greep hem bij den arm en

fluisterde hem dreigend toe:

„Diam, (stil) babah!”

Eene smalle vierkante ruimte strekte zich thans voor de bezoekers uit,

die begrensd werd door een wand, waarin twee deuren en eene

loketopening op te merken waren.

„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een

vertrekje, waarin een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die

loketopening roode papiertjes, overdekt met Chineesche karakters, aan

de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet zich daar tegen

kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere

hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig

is. Met dat papiertje verdwijnt hij door die deur.”

„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op.

„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt

mij.”

Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren

draaide, maar krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout

gleed. Men trad nu een gang binnen, die volkomen donker zou geweest

zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door de zwakke stralen van

ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der

bamboeomwanding drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was

hier nog bedompter, de akelige geur der madat nog weeër. De vloer was

hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig, dat er veel behoedzaamheid

noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den zeeperigen

modder uit te strekken. Die gang maakte het middengedeelte van het

gebouw uit, en strekte zich langs twee rijen vierkante hokjes, ieder

twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet afgedeeld was. De

onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer

anderhalven meter opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere

te zien was. Door middel van bamboedeuren hadden die hokjes met den

gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap.

„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand

daartoe uitstak.

„Tida bolèh, toean!” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die

de beweging bespeurde en daardoor de vraag begreep.

„Diam loe!” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga

buiten den gang!”

En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd

had, vervolgde hij:

„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de

deuren en van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te

slaan. De bespieding zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n

opiumkit omgaat, meer bevorderlijk zijn dan een openlijk binnentreden.

Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste stadium der

narcotische bedwelming.”

En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder

hokje der opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn

hoofddoek had hij afgesmeten, zoodat zijn lange haren over het

walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank aangetroffen werd,

zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden,

half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de

opiumpijp aan de vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun

pitje voorzien, flikkerde, waarbij het hoofd, eenigermate door de

linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel van de

pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook

van de verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den

steun der linkerhand varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los

liet, op den rug, waarbij het hoofd, achterover gebogen op het kussen

kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel, en deed zichtbare

poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de

bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt

scheen, bleef hij rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van

genieten zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril

contrast met het overige uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat,

waarop het zetelde. Alvorens toch op de baleh-baleh plaats te nemen,

had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts met zijn sarong, een

walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt.

De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in

den Danse Macabre kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de

kleine palita waren zijne ribben gemakkelijk te tellen, en vertoonden

die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren lieten, hoe diep de

vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne

armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine

lederhuid overtrokken zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong

niets te bespeuren; maar dat zij even dun en even vleeschloos waren als

de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder dat kleedingstuk

uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige in

verrukking zouden hebben gebracht.

Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had,

liet hij hem in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten

ontsnappen, hetgeen een zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij

zich op zijde, en scheen in een diepen slaap gedompeld te zijn.

Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren

hoek van het hokje neergehurkt had gezeten en door onze bespieders

onopgemerkt was gebleven, naar buiten. De ongelukkige was daar aanwezig

geweest om.... Bij haren spoed om het vertrekje te verlaten, liep zij

haast de Europeanen tegen het lijf.

„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in

dien donkeren gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend

vertrek binnen.

Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude

Javaan lag daar ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en

uitgeteerd was hij als de eerste, die gadegeslagen werd. Hij had meer

dan één balletje madat verrookt, en bevond zich dan ook in een anderen

zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon vuur,

zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach,

waardoor de onderkaak ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd,

en er den stempel van de onedele natuurdrift, die hem beheerschte, op

zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den hartstocht,

die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong

losgeworpen, en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken

aartsvader Noach door zijn zonen aangetroffen werd.

Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet

hij haar toe:

„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp

klaar!”

Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de

baleh-baleh toe, nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam

van de palita eenigszins week worden, vermengde het daarna met wat

uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen hare vingeren een

pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje

plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne

hartstochtelijke opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen

opengerukt, en zich aan de meest onkiesche betastingen overgegeven, die

zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij zich voorover boog, om hem

de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar middel met den

eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf,

trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van

koortsachtigen hartstocht uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare

borst, met snuivende kussen. Hij....

„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat

ons weggaan!”

„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is

infaam! Gebeurt zoo iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden!

Anders valt het vuur des hemels op ons!”

Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang

getreden was, en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar

buiten en trok zijne vrienden met zich mede.

„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits.

„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde

August gejaagd. „Kom, voort!”

„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, „wij zijn gekomen,

om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten kunnen

hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?”

„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.... Zoo iets laat zich niet

vertellen. En het slachtoffer van.... was een kind.... dat zich hevig

verzette....”

„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn.

„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten!

Kom, Verstork, gij, als controleur....”

Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden

dringen.

„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,”

sprak deze hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als

ongeschikt voor Binnenlandsch Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn

chef den resident Van Gulpendam geen steun zou vinden, hoe groot de

gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken zijn. Ik ben

dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over

Gods dijk te laten loopen....”

„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal....”

„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om

andermaal de kit in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al

traadt gij alleen binnen, gij zoudt niet verhinderen kunnen, dat ik in

de zaak betrokken zou worden.... Ik bid u dus.... Daarenboven, daar

komt het kind reeds naar buiten....”

En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten,

en liep de Europeanen snikkende voorbij.

„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken

werkeloos te moeten blijven! Ik zou willen.... Maar....” wendde hij

zich tot Van Beneden, „zult gij nu nog blijven beweren, dat de opium in

uitwerking aan den jenever gelijk is?”

August antwoordde niet, maar zijn gelaat teekende diep-gevoelde

verontwaardiging.

„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier

niet blijven staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds....”

„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke

tooneelen gade te slaan,” viel hem Grenits in de rede.

„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met

een grijnslach aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.”

„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer

onder den Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot

een der politiedienaren in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden,

dat zij naar huis moeten gaan, het is tijd om te gaan slapen.”

Baboe Dalima · 第 40 / 94 题