EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN.

Van een dadelijk terugkeeren naar Banjoe Pahit moest afgezien worden,

dat zagen de jagers ras in. Verstork moest zich onledig houden met het

instellen van een voorloopig onderzoek omtrent den manslag en de

verwonding die plaats hadden gehad. Hij deed dat nauwgezet als altijd,

en ziet hier wat uit dat onderzoek bleek:

Het was ongeveer vijf uur in den namiddag geweest, toen Singomengolo,

de spion van den opiumpachter, vergezeld van een Chineeschen bandoelan,

zich in de dèsa Kaligaweh vertoond had. Beide personen hadden eerst een

bezoek aan de opiumkit gebracht, om daar van de gedelegeerden van den

pachter de noodige inlichtingen in te winnen. Daarna hadden zij zich

naar het huis van den loerah begeven en, bij afwezigheid van dat

dorpshoofd, die, wij weten het, voor de varkensjacht naar Banjoe Pahit

opgeroepen was, zich tot een ander lid van het dèsa-bestuur gewend, ten

einde den bijstand der politieagenten te erlangen.

Door een paar oppassers vergezeld, begaf zich de Chineesche opium-spion

naar de woning van Setrosmito, Dalima’s vader, en gaf, daar aangekomen,

den wensch te kennen het huis van den Javaan te doorzoeken.

„Gij bezoekt nimmer de kit van babah Than Kik Sioe” zei hij. „Gij koopt

er nimmer opium, zoodat de pachter tot de veronderstelling moet komen,

dat gij u van sluikopium voorziet. Ik heb in opdracht uw huis ten

nauwkeurigste te doorzoeken.”

„Ik schuif geen opium in de kit, en ook niet in huis. Gij zult geen

opium bij mij vinden. Maar ga uw gang, babah,” was het rustige antwoord

van den trouwhartigen landbouwer.

De Chinees en de beide oppassers wilden binnentreden.

„Neen,” sprak Setrosmito bedaard. „Eerst moet jullie onderzocht

worden.”

En zich tot eenige dorpsgenooten wendende, die op het verschijnen van

de politieagenten en den opiumjager nieuwsgierig bijgetreden waren:

„Sidin en Sariman,” sprak hij, „helpt mij den bandoelan en de oppassers

te onderzoeken.”

Het drietal, te zeer gewoon aan zoo’n bejegening, [88] onderwierp zich

aan de geëischte visitatie, die met de meest mogelijke nauwkeurigheid

geschiedde, zonder evenwel een spoor van opium op te leveren.

Eerst daarna gebeurde het huisonderzoek, hetwelk eene herhaling mocht

genoemd worden van dat, hetwelk kort te voren bij Pak Ardjan had plaats

gehad. Maar, had Setrosmito bij de opiumjagers geen heulsap gevonden,

evenmin vonden dezen iets, wat op sluikwaren kon gelijken, hoe dikwerf

zij het huis in alle hoeken en gaten met de grootste nauwgezetheid

doorzochten.

„Waar zijn uwe kinderen?” vroeg eindelijk de Chinees woedend en

wanhopig, dat niets te vinden was.

„Die zijn op de gemeenteweide, waar zij op mijne twee karbouwen

passen.”

De Chinees had een gemeenen grijnslach op het vuil bleeke gelaat, toen

hij vernam, dat de Javaan nog twee ploegdieren rijk was. Er waren

helaas! slechts weinige bewoners van Kaligaweh, die welvarende dèsa van

weleer, welke nog zooveel bezaten. Hij zei evenwel niets, maar spoedde

met de politiedienaren naar buiten, om zich naar Singomengolo te

begeven, ten einde dien van den stand van zaken mededeeling te doen.

Die aterling glimlachte, en keek verachtelijk neer op den Chinees over

zijne onhandigheid.

„Lim Ho en Lim Yang Bing hebben wat aan jou als bandoelan,” siste hij

hem te gemoet. „Jij zult nimmer sluikopium vinden.”

„Maar jij ook niet, waar hij niet is.”

„Wel, „Keh” [89], voor een ringgiet wedden, dat ik er vind?”

„Onmogelijk. Ik heb het geheele huis het onderste boven gehaald. Ik heb

tot de bamboestijlen der hut doorzocht, en nergens iets gevonden.”

„Hebt je ook onder den „dapoer” (vuurhaard) gezocht?”

„Ja.”

„Ook in de asch van den dapoer? Heb je den bodem der hut opgegraven?”

„Ja.”

„Ook onder de baleh-baleh? Heb je ook de „bantal’s” (kussens)

onderzocht?”

„Ja, ja, ja! Ik ben geen kind!” sprak de Chinees gemelijk.

„Geen kind, maar een domkop, nog dommer dan een karbouw ben je! Kom

maar meê,” ging Singomengolo voort, na die liefelijkheden, den

gestaarten natuurgenoot naar het hoofd geslingerd te hebben. „Kom maar

mee, dan zal ik je laten zien, dat waar jij niets vondt, ik wel wat zal

opsporen! Die dèsa-honden hebben steeds opium in huis.”

De ellendeling vergat, dat hij in die dèsa het licht aanschouwd had.

Maar, zoo gaat het meer in de wereld.

Het viertal maakte rechtsomkeert, en keerde naar de hut van Setrosmito

terug, om het onderzoek te hervatten. Toen de Javaan de aangekomenen op

nieuw wilde onderzoeken, weigerde Singomengolo botweg.

„Als je mij aan het lijf komt, ransel ik je af als een schurftigen

hond!” zei hij barsch.

Setrosmito protesteerde.

„Ja, dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden,” zei hij. „Ik

ken die streken! Kabajan,” zoo wendde hij zich tot een lid van het

dèsa-bestuur, die onder de menigte voor het huis stond toe te kijken.

„Kabajan, ik roep u tot getuige van hetgeen hier gebeurt!”

Deze echter, beducht om met de aterlingen van het opium-monopolie in

aanraking te komen, antwoordde niet, maar maakte zich ijlings uit de

voeten. Lachende trad Singomengolo met zijne acolyten de hut binnen.

Met hen evenwel ook Setrosmito’s kinderen, twee jongetjes en een

meisje, die met hunne buffels van de gemeenteweide huiswaarts gekeerd

waren, en groote oogen opzetten, toen zij zooveel volk voor het huis

hunner ouders verzameld zagen.

De knapen waren kinderen van acht en negen jaren. Evenals de meeste

jeugdige Javaantjes hadden zij aardige lieve gezichtjes met schalks

kijkende bruine oogen. Hun uiterlijk werd, wat schoonheidsgevoel

aangaat, wel eenigermate benadeeld door de kaal geschoren hoofdjes,

waarop slechts eene vlok haar ter breedte eener hand gespaard was

gebleven, en die de een op de kruin, en de andere boven het linkeroor

droeg. Hunnen landaard getrouw, hadden zij fraai gevormde en lenige

ledematen, slanke lendenen en een uiterst dun middeltje, dat

voortreffelijk uitkwam, daar zij, argeloos volgens ’s landswijs, op

dien leeftijd spiernaakt liepen, en slechts een zilveren ring om de

voetenkels droegen.

Het meisje, dat slechts zeven jaren telde, had ook een allerinnemendst

gezichtje, hetwelk onder den zwarten ongeschonden haardos bevallig

uitkwam. Het kind had bloote armen, maar de borst was bedekt met een

van veelkleurige lappen vervaardigde „otto” (slabbertje); terwijl om de

heupen een kettinkje geslagen was, waaraan een zilveren plaatje

bevestigd was, om het schaamdeel te bedekken.

Bij hun binnentreden vonden zij Singomengolo druk bezig met in kisten

en potten en pannen te zoeken, waarbij hij echter door Setrosmito

nauwlettend op de handen gekeken werd. Dat verdroot den aterling, die

daardoor in zijne snoode plannen gedwarsboomd werd. Hij gaf een teeken

aan den Chinees, die met zijne scheefstaande oogen de kinderen akelig

gadesloeg, en een afzichtelijken grijns vertoonde bij het detailleeren

van de vormen der kleine Kembang (bloem).

Op het teeken van Singomengolo greep hij een der knapen, en onder

voorwendsel van ook bij hen opium op te sporen, bevoelde en betastte

hij hen achtereenvolgens het naakte lichaam, zocht op de walgelijkste

wijze onder de oksels en overal waar een madat-balletje kon verborgen

zijn. De jongens weerstreefden wel, trachten den gewetenloozen schurk

te krabben en te bijten, maar gaven geen kik, die hun vader van het

toezicht, dat hij op de handelingen van Singomengolo hield, kon

afleiden.

Maar toen de Chinees het meisje greep, en haar den otto van de borst

scheurde, gilde het arme kind allerverschrikkelijkst, rukte zich los,

en verborg het naakte lichaampje aan de borst harer moeder, die haar

omarmde, als wilde zij haar beschermen. Te vergeefs. De Chinees naderde

met zijn bleek, fletsch, akelig door lage hartstochten verwrongen

gelaat en, geholpen door de beide politieoppassers, sleurde hij het

meisje uit de armen der vrouw, die onvermogend was haar te beveiligen.

„Straks jou beurt,” brulde de Chinees tegen de moeder „want die kleine

kat heeft tijd gehad om je opium over te reiken. Blijf zitten!”

En nu werd het tooneel van betasting herhaald, dat nog walgelijker was,

daar de Chinees zich tegenover een schepseltje der teedere kunne

bevond, en zich alles meende te kunnen en mogen veroorloven.

„Alah! tobat!” kreet de moeder bij zoo’n ontzettend schouwspel.

Bij dien noodkreet keek Setrosmito even naar zijne vrouw op.

Van dat schier ondeelbare oogenblik maakte Singomengolo, die tot nu toe

scherp op de handen gekeken was, gebruik. Fluks bracht hij de gesloten

hand onder een pandan-matje, dat op de baleh-baleh lag, en reeds

driemalen bij dat huisonderzoek zonder resultaat opgetild was geweest,

en haalde er triomfeerend een koperen doosje onder uit, dat hij met

gemaaktheid vertoonde.

„Ziet ge wel!” riep hij uit, „dat hier „tjandoe glap” (gesloken opium)

in het huis aanwezig was.”

Setrosmito werd bleek bij dat gezicht. Hij begreep bij de bestaande

rechtspleging der Nederlanders, in kwestie opiumgeschillen, wat hem te

wachten stond. Toorn en drift kookten in zijn gemoed.

„Er was hier geen opium in huis!” riep hij in wanhoop uit, terwijl hij

onwillens de hand naar den kris uitstak, naar een oud erfstuk zijner

vaderen, dat tusschen de kadjang-omwanding boven de baleh-baleh

uitstak. „Gij, gemeene hond, hebt die opium onder dat matje verstopt!”

Singomengolo beantwoordde die beschuldiging, welke zoo op den man af

was, met een vuistslag, die Setrosmito vlak voor den mond trof.

Brullend van woede rukte deze den kris uit de schreede. En juist in dit

oogenblik stiet Kembang plotseling een hartverscheurenden gil uit, die

Singomengolo het leven redde. De vader keek verbijsterd rond, maar toen

hij ontwaarde, welke afgrijselijke grijnslach op het walgelijk gelaat

van den Chinees zetelde, welk gemeen gebaar deze zich tegenover zijne

lieve aanminnige Kembang veroorloofde, steeg hem het bloed

onweerstaanbaar naar het hoofd, en veranderde zijn toorn van richting.

Een roode nevel, zoo rood als bloed, trok voor zijne oogen.

„Toeloeng! toeloeng! Sakit! sakit!” (help! help! pijn! pijn!) gilde het

kind.

Blind van drift en woede stortte zich de vader met den noodlottigen

kris in de hand naar den kant van den onverlaat.

„Amokh! Amokh!” (moord! moord!) kreet een der politiedienaren bij het

zien van den gevlamden kris in de vuist van den waanzinnig vertoornden

vader.

„Amokh! Amokh!” herhaalde de menigte buiten, zonder nog te weten, wat

er gaande was.

Vrouwen en kinderen vlogen gillend weg.

„Amokh! Amokh!” klonk het weldra van alle kanten.

De mannen ijlden naar huis, om hunne lansen te halen, onbewust wien het

gold.

„Amokh! Amokh!” herhaalden de „kedjinemans” [90] en stormden naar de

„gardoe” (wachthuis), waar zij de alarmtonen op de tongtong akelig

lieten weerklinken.

De oppasser, die het eerst het woord amokh uitgeroepen had, had eene

poging willen aanwenden om zijn sabel te trekken. Het lem was evenwel

zoodanig in de scheede geroest, dat het wapen niet te ontblooten was.

De andere, geen tijd hebbende om zich te wapenen, wilde den verdoolde

bij den strot grijpen, maar ontving bij die poging een deerlijke sneede

over het aangezicht en borst, die wel is waar slechts eene niet

gevaarlijke vleeschwonde, maar eene aanmerkelijke verbloeding

veroorzaakte, en daarenboven zooveel pijn teweegbracht, dat de

gekwetste kreunend afliet en een goed heenkomen zocht. Zijn makker koos

op het gezicht van zooveel bloed ijlings het hazenpad.

Nu bevond zich de woedende vader tegenover den Chinees, die nog steeds

het meisje omkneld hield, en wiens walgelijke handtastelijkheden

omtrent zijne onkuische bedoelingen geen twijfel overlieten.

„Laat los! laat los!” schreeuwde de van woede ziedende vader

bekschuimend.

Was de Chinees beteuterd op het gezicht van het gevaar, of zag hij in

zijne overspanning de aanwezigheid daarvan niet in? Genoeg zij het, hij

voldeed niet aan dat uiterste bevel des vaders. Hij stond daar met zijn

fletsch gelaat, dat, hoewel nog van hartstocht getuigende, toch een

wezenloozen glimlach verried. Zijne handen lieten niet los, herhaalden

integendeel als krampachtig de ontuchtige beweging, en trachtten alleen

het naakte meisje voor zich te duwen, om zich achter haar te dekken.

„Amokh! Amokh!” klonk het in het rond.

„Laat los!” kreet de vader nogmaals, dat door den onverlaat met een

dommen lach beantwoord werd.

„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong dreigend.

„Laat los!.... Niet?.... Sterf dan als een hond!” riep de ongelukkige

vader.

En bliksemsnel de gewapende hand omlaag brengende, haalde hij, alvorens

de Chinees tijd had achter het meisje, dat veel kleiner was dan hij, te

bukken, hem het gevlamde lem door de keel.

„Adoe! Matti saja!” (O, wee! ik ben dood!) gilde de Chinees met woest

rollende oogen. Het waren zijne laatste woorden. Met krampachtige hand

trachtte hij de vervaarlijk gapende wond aan zijn hals te sluiten. Te

vergeefs. Het bloed spoot met kracht in fijne straaltjes als zoo vele

fonteintjes tusschen de gesloten vingeren door. Een akelige hoest

overviel hem, en een breede bloedgulp, die zijn mond ontsnapte,

overdekte de arme Kembang van het hoofd tot de voeten. Wankelend en

zich steeds met de eene hand aan het meisje vastklemmende, poogde de

doodelijk verwonde overeind te blijven staan. Vergeefsche poging! Hij

wankelde, alsof hij beschonken was, en viel eindelijk stervend neer.

„Amokh! Amokh!” klonk het rondom de hut.

„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong.

Setrosmito keek na zijne vreeselijke daad een oogenblik rond. Hij

veegde zich met de linkerhand de oogen af, en scheen langzamerhand tot

besef te komen. Eindelijk kreeg hij inzicht in den toestand.

„Amokh! Amokh!” klonk het dreigend.

Aan zijne voeten lag de Chinees in den doodstrijd nog te stuiptrekken,

maar bewoog zich weldra niet meer. Dat alles was in een ondeelbaar

oogenblik, met de bliksemsnelheid der gedachten geschied. Het vertrek

was overigens leeg, want gelijktijdig met den politieoppasser had ook

Singomengolo het hazenpad gekozen. Zelfs de knapen van Setrosmito, die

eerst dat geheele tooneel wezenloos hadden aanschouwd, waren voor den

dreigenden kris huns vaders gevlucht; zelfs de gade was beducht

heengeijld, en had haar naakt dochtertje met zich meegesleurd.

„Amokh! Amokh!”

Die kreet drong den ongelukkige, die al meer en meer tot bezinning

kwam, als eene bedreiging voor zijn leven in het oor. Want hij kende er

maar al te goed de schrikkelijke beteekenis van. Hij wist, dat wanneer

dat woord weerklinkt, de geheele bevolking te wapen vliegt, en zonder

onderzoek, zonder te weten wat en wien het geldt, den moordenaar te

lijf gaat, die soms niet anders deed, dan eigen lijf te verdedigen, of

zooals hier, als beschermer zijner kinderen op te treden.

Daar drongen eenige gewapenden de hut binnen met de lansspitsen

vooruit.

„Achteruit!” riep Setrosmito nog verwoed. „Die mij nadert, steek ik

neer, zooals ik dezen keh gedaan heb.”

Verschrikt stoven allen de hut uit, en vormden daaromheen een dichten

kring, waarin druk gepraat, geschreeuwd en beraadslaagd, maar volstrekt

geen ijver aan den dag gelegd werd, om andermaal de hut binnen te

dringen.

Het was toen, dat de controleur Verstork met zijn gezelschap aankwam,

en de moordzaak met de gevangenneming van den ongelukkige beëindigde.

Gedurende den loop van het verhoor vertoonde Singomengolo de opium, die

hij zeide in het huis van Setrosmito gevonden, en in beslag genomen te

hebben. Het was eene kleine hoeveelheid, die, in de opiumkit gewogen

wordende, bleek schier vijftig mata’s, dus ongeveer achttien

milligrammen te bedragen. Het was eene bruin zwarte, kleverige massa,

die in een klein koperen doosje bevat was, hetwelk gemakkelijk in de

hand geborgen kon worden. De controleur nam dat doosje in beslag en

verzegelde het behoorlijk in tegenwoordigheid van den opiumjager.

„Heeft iemand gezien,” vroeg hij dezen, „dat gij dat doosje onder het

matje op de baleh-baleh gevonden hebt?”

„Ja, zeker, de Chinees....”

„Die dood is? Anders niemand?”

„Ja, en de beide oppassers?”

„Die eerst geen opium gevonden hebben?”

„Traberdoeli!” (om het even) zei de opiumjager onbeschaamd. „Ik,

Kandjèng toean, ik, beëedigd bandoelan, heb het gevonden. Mijn woord is

genoeg. De getuigenis dier twee oppassers is overbodig.”

De controleur gunde hem een blik vol verachting. De opiumjager scheen

er zich echter niet veel van aan te trekken; maar vertrok na een

huichelend nederigen groet gebracht en gepreveld te hebben:

„Ik ga rapport uitbrengen bij den opiumpachter en bij den

assistent-resident van politie.”

Hij steeg daarop te paard, en verwijderde zich oogenschijnlijk langs

den grooten weg naar Santjoemeh. Oogenschijnlijk; omdat het later wel

blijken zal, waarheen hij zijne schreden wendde, en wat hij daar te

verrichten had. Intusschen sloeg hij dadelijk, na de dèsa verlaten te

hebben, een pad rechts in, dat door de sawahs liep, en dwars door het

heuvelterrein voerde, maar een verkorten weg naar de hoofdplaats

aanbood. Zijn paard, met den weg bekend, stapte flink door, en

middernacht was nog niet voorbij, toen hij een eenzaam staand hutje

bereikt had, wiens bewoner hij opklopte, en dien hij met eene boodschap

verder naar Santjoemeh zond.

Toen de controleur Verstork met den wedono en den loerah, die hem

beiden bij dat lastige onderzoek in die netelige zaak ijverig

bijgestaan hadden, in de woning van den laatstbedoelde terugkeerde, was

het ongeveer negen uren in den avond. Hij vond zijne vrienden daar

vereenigd, die hem met ongeduld verbeidden.

„Drommels!” pruttelde August van Beneden, ontstemd als hij was, nu hij,

na zich van het in verschiet zijnde jachtvermaak de meest overdreven

voorstellingen gemaakt te hebben, de geheele partij in gevaar gebracht

zag, waarbij nog kwam, dat hij zich in afwachting op den controleur

gruwelijk verveeld had. „Drommels, wat zijt gij lang weggebleven!”

„Ik kon niet anders. Ik viel hier met den neus in de boter.

Daarenboven, wat ik heden avond afdoen kan, heb ik morgen niet te

verrichten.”

„Morgen?”

„Ja, morgen. Verbeeld u, dat ik, om u gezelschap te houden, en naar

Banjoe Pahit terug te rijden, dat onderzoek niet gehouden had, dan zou

dat morgen toch moeten geschieden, en dan was onze geheele jachtpartij

naar de maan.”

„Morgen?” vroeg Eduard van Rheijn. „Zou Maandag ochtend ook nog niet

tijd genoeg zijn?”

Verstork keek den adspirant-controleur verstoord aan. Hij had een bits

antwoord gereed; maar hij weerhield het en antwoordde bedaard:

„Neen, Maandag ware het in het belang der zaak te laat. Het is eene

moordzaak, verwikkeld met eene opium-perkara; het zal moeite genoeg

kosten om de zaak tot helderheid te brengen.”

„En zijt gij nu gereed.”

„Ja”

„Zoodat gij morgen niets meer te verrichten hebt?...”

„Niets.”

„En de jacht aanvoeren kunt?”

„Ja, wees gerust. Ik heb nog maar een paar brieven te schrijven.”

„Een paar brieven?”

„Een kort verslag aan den resident en eene uitnoodiging aan den djaksa

(Inlandsch rechter van instructie) en aan den stadsgeneesheer om het

lijk te schouwen, en het visum repertum op te maken. Is ’t niet zoo Van

Nerekool,” zoo wendde hij zich tot den rechterlijken ambtenaar, „dat

moet immers zoo?”

„Wat zegt ge?” vroeg deze, als uit een droom ontwakende, en zich het

voorhoofd wrijvende.

In zijne gedachte verzonken, had hij niet gehoord. De vraag werd

herhaald en bevestigend beantwoord.

„Wij hebben nog een flinken rit af te leggen, om terug te keeren naar

Banjoe Pahit,” merkte Theodoor Grenits op. „En morgen ochtend zal het

vroeg dag zijn, nietwaar?”

„Dat laatste voorzeker; maar er valt aan geen terugkeeren naar Banjoe

Pahit te denken,” sprak Verstork, op zijn horloge kijkende. „Het is nu

reeds negen. Hoe helder de maan ook schijnt, zal het toch niet wel

mogelijk zijn, anders dan stapvoets te rijden; zoodat wij niet vóór het

middernachtuur in de „controliran” (controleurswoning) aankomen zullen.

Neen, ik zal hier bij den tjarik mijn officiëele paperassen schrijven,

die dan dadelijk door den loerah verzonden kunnen worden. De wedono zal

naar Banjoe Pahit terugrijden, om voor de jacht van morgen alles te

bezorgen. Hij zal de klopjagers daar aanvoeren. Dat alles is behoorlijk

besproken en behoeft geene wijziging, nu wij van slaapplaats wisselen,

nietwaar?”

„Maar, waar zal mijn slaapplaats zijn?” vroeg August van Beneden

bezorgd.

„Ja, wij moeten ons thans behelpen. Het zal zijn: à la guerre comme à

la guerre! Er is hier in de dèsa eene kleine „passangrahan”

(passantenhuis) voorzien van eene eenvoudige baleh-baleh. Wij zullen

den loerah verzoeken haar ietwat te meubileeren.”

„Te meubileeren?” vroeg Theodoor Grenits. „Bestaat in dit afgelegen

oord een meubelmagazijn?”

„Neen, waardste volgeling van Mercurius,” gaf Verstork lachend ten

antwoord, „zoo’n inrichting zou hier slechte zaken maken. Als we de

noodige hoofdkussens en een paar bultzakken machtig kunnen worden, dan

zal het wel zijn.”..

„Slechts één paar bultzakken voor ons zevenen? Dat is weinig,” sprak

Van Beneden, die als jurist wel wat op zijn gemak gesteld was.

„Wat mij betreft, ik doe van mijn aandeel afstand,” zei de controleur.

„Ik prefereer de baleh-baleh. Ik heb daar meer op geslapen en

overheerlijk ook. De overigen kunnen er om loten. Maar....”

„Maar wat?” vroeg Eduard van Rheijn.

„Er werd gesproken van ons zevenen?... Ik tel er maar zes.... Wie

mankeert er?.... Te drommel, waar is Mokesuep?”

„Ja, waar is Muizenkop?” vroegen een paar der anderen.

„Die heeft zijn hielen gelicht, toen er amokh geroepen werd,”

antwoordde Van Rheijn.

„Zijn hielen gelicht?”

„Ik heb gezien, toen wij naar Kaligaweh trokken, dat hij spoorslags

naar Banjoe Pahit terugreed.”

„Dat heet ik voorzichtig zijn,” merkte Grenits op.

„Is voorzichtig wel het ware woord?” vroeg er een.

„Om het even. Ik ben blij, dat de vent voorloopig weg is,” merkte een

ander op. „Verstork, hoe kom je toch aan dien gluipert.”

„Och, ik heb dien man nog al noodig. In de belastingordonnantiën is hij

doorkneed; ik moet hem dus te vriend houden, dat begrijpt gijlieden?”

„Ik wilde maar, dat hij morgen ochtend naar Santjoemeh doorreed.”

„Dat zal hij wel niet. Wedono, zult ge morgen ochtend den heer Mokesuep

laten wekken?”

„Engèh Kandjeng toean!”

„En nu, heeren, laat ik u een half uurtje onder de hoede van den

loerah, die het u zoo aangenaam mogelijk zal maken, nietwaar, loerah?”

„Engèh Kandjeng toean!” antwoordde ook deze.

Weinige minuten later hadden de jagers bezit van de passangrahan

genomen, en zat de controleur in het voorgalerijtje van de

tjariks-woning ijverig te schrijven.

Baboe Dalima · 第 38 / 94 题