„En, zijt gij nu klaar om te vertrekken?”
Met die vraag stormde Eduard van Rheijn des Zaterdags namiddag bij Van
Nerekool de kamer binnen.
„Voorzeker ben ik klaar,” antwoordde deze. „Maar zijn de paarden er
reeds?”
„Daar heeft Verstork uitmuntend voor gezorgd. Mag ik uwen gedienstigen
geest voor een oogenblik uitzenden, dan staan ze binnen weinige minuten
trappelend voor de deur.”
En inderdaad de jongelieden hadden nauwelijks tijd een glas bier met
elkander te drinken en eene sigaar op te steken, toen twee fraaie
rijpaarden verschenen, echte Makassaren, [79] niet zoo bizonder fraai
van bouw als Kedoeërs, of als Batakkers [80], maar voorzien van een
breede flinke borst, die èn kracht èn onvermoeibaarheid aanduidden,
voorzien van flink gespierde beenen, die wel slank en onbevallig, maar
daarbij sterk en lenig waren.
In een oogwenk zaten de jongelieden te paard.
„En uwe buks?” vroeg Eduard.
„Sidin, kassi snaphan,” (Sidin geef mij mijn geweer aan) beval Van
Nerekool.
De bediende reikte het prachtige wapen, dat de regent van Santjoemeh
den rechterlijken ambtenaar op diens verzoek geleend had. Deze hing het
met den cordonriem over den schouder, stak een paar revolvers in de
pistool-holsters, die voor aan het zadel bevestigd waren; zoodat hij in
bewapening nagenoeg met Eduard van Rheijn gelijk stond. Weldra hadden
de beide jongelieden Santjoemeh verlaten, en ijlden in stevigen draf in
oostelijke richting Banjoe Pahit tegemoet, hetwelk het doel van hunnen
rit was.
Zij spraken niet veel met elkander; ja, zij wisselden niet meer dan nu
en dan een woord. Er bestond dan ook weinig reden van opgewektheid tot
een levendig gesprek. Hoewel de weg, dien zij volgden, vrij wel door
Tamarinde- [81] en Kanarie-boomen beschaduwd was, liet zich de
tropische warmte drukkend gevoelen, en zou die eerst temperen, wanneer
de zon de kim nabij zoude zijn. Maar, het was eerst drie uur in den
namiddag, de dagvorstin was dus nog ver verwijderd van dien eindpaal
harer dagelijksche reis.
De paarden evenwel waren vurig en onvermoeibaar en spoedden ijverig
voort; in flinken draf, wanneer de baan effen was, in galop, wanneer
zij steeg. Zelden behoefden de edele dieren in stap gebracht te worden,
en waren dan nog in dien gang niet te houden. Daarbij het landschap,
hetwelk de beide vrienden doorsneden, was in den volsten zin des woords
verrukkelijk te noemen. Eerst voerde de weg door vriendelijke dèsa’s,
die met hunne bruine atap-daken, met hunne goudgele
kadjang-omwandingen, eene lieve schakeering vormden te midden van het
groen der vruchtboomen, die het geheel overschaduwden. Daarna volgden
klappertuinen, waar die slanke palmboomen, in rij en gelid geplant,
hoog in de lucht hunne wuivende bladertakken, waaruit hare kruinen
bestonden, verhieven en een zonderling grillige schaduw op de groene
graszoden wierpen, die den bodem bedekten. Verder doken de
schaakvormige vakken van een uitgebreid sawahveld uit de diepte van een
terreinplooi op, lieten de galangan’s, die haar omgaven met haar groen
kleed van gras of beschaduwd door „toeri”- of „klampies”-
[82]struikjes, duidelijk ontwaren, terwijl de vakken of velden in dit
jaargetij als ontelbare waterbekkens in de zon glinsterden, daar zij in
dit seizoen na den oogst, behoorlijk bevloeid waren, en dus aan
vierkanten vloeibaar zilver, met eene groene omlijsting omgeven, gelijk
waren. Achter dat sawahveld verhief zich het gebergte, dat met zijne
vooruitspringende heuvelen, geheel met maagdelijk bosch overdekt, een
donkergroenen band boven die glinsterende vakken vormde, die evenwel
langzamerhand, naarmate de afstand voor het oog vermeerderde en de
gezichtseinder zich derhalve uitbreidde, in het donkerblauwe overging,
hetgeen tegen het meer lichte azuur des hemels scherp maar bekoorlijk
afstak. Op sommige punten konden de ruiters, wanneer de paarden eene
heuvelkling in galop bestegen hadden, en eenige verademing genieten
moesten, bij het wenden van het hoofd de Java-zee bespeuren, die daar
bij den horizon onder het zonlicht als een onmetelijke spiegel lag te
schitteren, waarop de zeilen der vaartuigen zich als witte meeuwtjes
voordeden, of als tegenstelling de zwarte rook van een stoomschip, die
zich in dikke krullen somber over het watervlak omboog, ontwaard werd.
Neen, onze jongelieden hadden, als het ware, geen tijd om het drukkende
der hitte te bemerken. Zij genoten nog den zoo bekoorlijken leeftijd,
die hen zoo vatbaar maakte voor alles, wat heerlijk en schoon is. En de
elkander opvolgende landschappen, die zich links en rechts van hen
uitspreidden, waren wel geschikt, om die dichterlijke gemoederen te
boeien. De tijd was inderdaad dan ook omgevlogen, toen zij bij eene
kleine dèsa, Kalimatti genaamd, een viertal heeren met een talrijk
gevolg, allen te paard, in de verte in het oog kregen, die hen
spoorslags tegemoet reden.
„Hoera! daar is Willem Verstork!” riep Eduard van Rheijn. „Kijk, die
daar op dien prachtigen ijzerschimmel, die het hoofd van den
ruitergroep houdt.”
„Wie is bij hem?” vroeg Karel van Nerekool. „Zie ik goed... dan zijn
het August van Beneden, Leendert Grashuis, Theodoor Grenits en.., bij
God!... ook Frits Mokesuep!”
„Juist gezien! En geëscorteerd door den „wedono,” den „djoeroetoelis,”
den „loerah,” den „kabajan,” den „kamitoewa,” den „tjarik,” [83] in één
woord, God helpe! door het geheele district- en dèsa-bestuur van Banjoe
Pahit met hun talrijk gevolg. En waarachtig! allen in groote tenue, in
groot gala op hunne kleine paardjes gezeten, die met geel galon
geboorde chabrakken van tijgervel versierd zijn, en waarop de goed
gevulde en rijk gestikte zadels van rood laken of fluweel rusten!
Hoerah! „Ramen besar”! (groote pret)” riep Eduard van Rheijn opgewonden
uit, terwijl hij met zijn kurken helmhoed de tegemoet rijdenden
toewuifde.
„Hoerah! hoerah! Rameh besar!” antwoordden die ook met gullen kreet, en
weldra had die ruitergroep onze beide vrienden bereikt en weerklonken
de begroetingen en verwelkomingen allerwegen.
„Gij zijt eenigzins afgetrokken,” merkte Willem Verstork op, terwijl
hij Karel van Nerekool de hand schudde. „Scheelt er wat aan? Toch niet
ongesteld?”....
„Neen, ik ben zoo gezond mogelijk. Wat mij hindert, zal ik u later wel
vertellen....”
„Mijnheer Van Nerekool souffreert aan een opgeloopen blauwtje,” merkte
een der jongelieden, die Verstork vergezelden, op.
De controleur sloeg bij die woorden een blik op zijn vriend, en toen
hij merkte, dat de woorden van den onbezonnene raak getroffen hadden,
haastte hij zich het onderwerp van het gesprek te veranderen.
„Als het geene ongesteldheid is, dan vooruit naar Banjoe Pahit! Heeren,
met drieën in draf!” En een oogenblik later:
„In galop.... arrrrrsch!” kommandeerde hij, als ware hij een oud
kavallerie-officier.
De zes blanken lieten de teugels op dat kommando schieten en stoven
vooruit, zonder de sporen behoeven te gebruiken, de laan in, die zich
voor hun oog uitstrekte en eene zachte rijbaan opleverde, daar zij met
een mollig tapijt van dicht ineengegroeid fijn gras bekleed was.
„Wat een keurige weg!” kreet er een van het gezelschap. „Daaraan kun je
de goede zorgen van den controleur bespeuren.”
Willem Verstork knikte, ingenomen met die bemerking goedkeurend het
hoofd.
„Goede communicatie-middelen zijn de halve welvaart der bevolking,”
verkondigde hij machtspreukig.
„Ja, als de bevolking er gebruik van mag maken [84],” merkte er een van
het gezelschap met schamperen glimlach op.
Achter de blanke ruiters volgden op een korten, maar door de etiquette
aangewezen afstand, de Javaansche hoofden met hunne volgelingen, wier
moedige paardjes van zuiver inheemsch ras, die der Europeanen flink
volgden en in geen gang iets toegaven.
Terwijl die ruiterstoet spoorslags op Banjoe Pahit toeijlt, nemen wij
de gelegenheid te baat om met de jongelieden, die den controleur
Verstork vergezelden, kennis te maken.
August van Beneden dan was een Gelderschman van geboorte, een flinke,
gezonde jongen van ongeveer twintig jaren oud, wiens fijne stroogele
haren, die hij krullend droeg en uitermate verzorgde, met zijn wel
krachtig maar open gelaat, genoegzaam op zijne Betuwsche afkomst
duidden. Hij was advocaat, en had zich kort geleden als zoodanig te
Santjoemeh gevestigd.
Leendert Grashuis, een Zuid-Hollander, was als adjunct-landmeter op het
kadastraal kantoor te Santjoemeh geplaatst. Hij had zeer goede
wiskundige studiën gemaakt, en steeds in de geodesische en
geomorphische wetenschappen uitgeblonken. Als ingenieur presteerde hij
uitnemende diensten bij het vaststellen der grenzen van het individueel
grondbezit in de residentie, waarbij nog zoo’n ontzettende verwarring
heerschte, vooral wanneer de officiëele kaarten in kwestiën van het
zakelijk recht, aan die eigendommen verbonden, te berde werden
gebracht. Steeds stond hij daarbij aan de zijde van recht en
billijkheid tegenover roofzucht en overdreven fiskale eischen, ongeacht
de zijde van waar, al was het ook van den Gouvernements kant, zij
ingebracht werden. Hij was ongeveer zeven en twintig jaren oud, had een
sierlijken blonden krullebol en een aangenaam gelaat, dat van veel
vriendelijkheid en volkomen openhartigheid getuigde, reden waarom hij
in de kringen, die hij bezocht, zeer gezien was.
Wat Theodoor Grenits betreft, ook die was eene sympathieke natuur. Als
Limburger ontleende hij wel ietwat van de ongedwongenheid van dien
landaard, aan den meerderen omgang met de naburige Belgen toe te
schrijven, en was dan ook een gevierde man in de gezelschappen, waar
jeugd en blijheid ten troon zaten. Hij had zijne humaniora op het
Athenaeum te Maastricht volbracht, was later naar Leiden getrokken, om
daar op de hoogeschool in de rechten te studeeren; maar was deerlijk
mislukt. Nu was hij op een handelskantoor, waar hij zich bevlijtigde,
om in de koopmansloopbaan het tijdverlies in te halen, dat hij op de
Universiteit ondergaan had. Ook hij was eene edele openhartige natuur,
die met de twee vorige jongelieden een waardig klaverblad vormde.
Anders was het gesteld met Frits Mokesuep, die met de anderen een
scherp kontrast vormde. Hij telde omstreeks dertig jaren, en bekleedde
de betrekking van commies bij de controle-afdeeling van de in- en
uitvoerrechten en accijnzen te Santjoemeh. Hij had in zijne jeugd
slechts elementair onderwijs genoten, doordat hij, nog zeer jong
zijnde, reeds door zijn vader op het kantoor van een ontvanger van de
rijksbelastingen in eene kleine provinciestad geplaatst was geworden.
Dat gebrek aan opvoeding had hem ieder vooruitzicht benomen, om het
ooit verder op de maatschappelijke ladder te brengen dan tot controleur
bij het financiewezen in het moederland. Door dat denkbeeld beheerscht,
had hij aan de oproeping van would be fiscale specialiteiten, indertijd
door den Minister van Koloniën gedaan, ten gevolge van de wijzigingen
in de steeds zoo slecht werkende comptabiliteits-wet in
Nederlandsch-Indië noodzakelijk geworden, gehoor gegeven, en was als
financiëel ambtenaar met dispensatie van het afleggen van eenig examen
[85] naar de overzeesche bezittingen vertrokken, in de hoop daar met
zijnen buigzamen geest, in weerwil van zijne wetenschappelijke
tekortkomingen, zich eene loopbaan overeenkomstig zijne aspiratiën te
kunnen scheppen.
Maar bij aankomst te Batavia, als derde commies bij het departement van
Financiën geplaatst, had hij daarbij weldra de maat der bekrompenheid
zijner denkbeelden geleverd, en was hij dan ook spoedig naar Santjoemeh
overgeplaatst in de betrekking, die hij thans bekleedde, en
waarschijnlijk zijn bâton de maréchal zoude zijn. Hij was de fiscale
ambtenaar op en top in de meest ongunstige beteekenis van het woord, en
had die loopbaan den meest nadeeligen invloed op zijn karaktervorming
gehad. Hij was sluw, listig, geveinsd en uiterst valsch van aard.
Schrapen was zijn eenige wellust in dit ondermaansche, en alle
middelen, zelfs leugen en bedrog, werden door hem gebezigd om dien
hartstocht bot te vieren. Hoewel hij zijn particuliere welvaart
volstrekt niet veronachtzaamde, zoo had zijn schrapen toch meer
betrekking op de te innen belastingen, en vertolkte die zich bij zijne
bekrompen denkbeelden in plagerijen van de belastingschuldigen. Een
half centje naasten was het nec plus ultra van genot; maar nimmer
beschermde hij de belanghebbenden tegen te hooge betaling. Integendeel,
van zijne medewerking kon het Indisch bestuur verzekerd zijn, wanneer
zelfs door de meest willekeurige en onrechtmatige handelingen geld
afgeperst werd. Zijn uiterlijk stond in nauw verband met zijn karakter.
Hij had een smal toeloopend hoofd, dat schraal gedekt werd door
kastanjebruin haar, hetwelk in twee sierlijke lokken met bandolien,
gom-adragant, stijfsel, vischlijm of eenig ander kleefmiddel langs de
slapen geplakt was. Zijn gelaat was langwerpig en scherphoekig, en had
die vaalgele tint, welk een zuinig gebruikte handdoek aanneemt, wanneer
hij lang in de linnenkast heeft gelegen. Zijn neus was welgevormd, smal
en scherp, maar vormde met de vooruitstekende lippen van den kleinen
mond een profiel, dat het midden hield tusschen dat van eene meerkat en
van een vos, in ieder geval op de geaardheid van een knaagdier duidde.
Misschien was het daarom, dat zijne makkers hem gewoonlijk Muizenkop
heetten. Op de wangen of lippen was geen spoor van dons of van haar te
ontdekken. Een pater Jezuïet had dat fletsche gelaat kunnen benijden.
Hoe Willem Verstork aan zoo’n weinig sympathieke kennis kwam? Och, dat
was eenvoudig: Mokesuep was de letter der fiscale bepalingen
geïncarneerd; en daar de controleur bij het innen van belastingen in
zijne afdeeling zoo weinig mogelijk met de kleingeestige
muggenzifterijen der financiëele ambtenaren te doen wilde hebben, zoo
had hij dien man in den arm genomen, die hem op het gebied van
accijnzen wel niet altijd den besten raad gaf, maar hem vrijwaarde van
onhebbelijke aanmerkingen.
Maar, terwijl de lezer deze persoonsbeschrijvingen onder de oogen
kreeg, had de ruiterstoet den afstand, die de dèsa’s Kalimatti en
Banjoe Pahit van elkander scheidde, afgelegd, en was op het punt
laatstgenoemde plaats binnen te rijden.
Banjoe Pahit, eene groote dèsa, die vriendelijk in een licht doorsneden
heuvelachtig terrein gelegen was, had heden ter eere van de verwacht
wordende gasten haar feestkleed aangetrokken. Allerwegen verschenen de
bewoners, zelfs de vrouwen en kinderen, in hunne beste kleederen, die
zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. [86] Aan den vlaggestok,
die op het erf van de controleurswoning stond, wapperde een
spiksplinter nieuwe Nederlandsche vlag. De wedono, de loerah, en de
andere hoofden, ja zelfs de „mantri tjatjar” (vaccinateur) der
afdeeling, en de „panghoeloe” (priester) hadden dat voorbeeld gevolgd,
en hunnen ijver en genegenheid trachten te betoonen door ook de
driekleur naast hunne woning, aan een bamboestaak, waaraan anders eene
kooi met „perkoetoet’s” (tortelduif) geheschen werd, thans te
ontrollen. Allerwegen klonk de gamelan en verleende aan de feestelijke
stemming der bewoners, die allen op de been waren en de heeren
vriendelijk begroetten, een eigenaardigen localen stempel.
„Drommels,” herhaalde Eduard van Rheijn, „rameh besar! De controleur
doet de zaken goed! Dat belooft!”
„Aan die ramen heb ik part noch deel,” antwoordde Verstork. „Maar de
bevolking is blij, dat wij haar van die bende tjellengs komen
verlossen, die ontzettend hare velden verwoesten. Gij zult eens zien
met hoeveel geestdrift zij morgen zullen uittrekken, om ons bij de
klopjacht behulpzaam te zijn.”
De ruiterstoet was op het erf van het controleurshuis aangekomen en
steeg af.
„Mijne heeren,” sprak Verstork tot Van Nerekool en Van Rheijn. „Ik heet
u welkom in mijne woning.” En meer in het algemeen: „Wij zullen ons een
oogenblik lekker maken en baden. Dan zal het tijd zijn om aan tafel te
gaan.”
„Zoo vroeg?” was de vraag van een der gasten.
„Zeker; want wij zullen na den maaltijd, die slechts een jagersdiner
zal mogen heeten, dat wil zeggen, voedzaam maar kort, andermaal te
paard stijgen om den Djoerang Pringapoes te verkennen, en voor
zonsondergang uit te maken, waar de klopjacht zal beginnen, en waar wij
positie zullen nemen, om de wilde zwijnen op te wachten.”
„Wij hebben toch maanlicht, nietwaar?” vroeg Van Rheijn. „Ik meen
zelfs, dat wij volle maan hebben.”
„Ja, en die zal goed te pas komen bij het naar huis rijden,” hernam de
controleur. „Geloof mij, die verkenning zal een geruimen tijd vorderen.
Dan zullen wij vroeg naar bed moeten gaan; want morgen ochtend moeten
wij bij het aanbreken van den dag bij den djoerang zijn, om onze
stelling in te nemen en de jacht te beginnen.”
En zich tot de twee voornaamste Javaansche hoofden wendende, die de
blanken tot op het erf van den controleur gevolgd waren, zeide hij:
„Wedono, en gij loerah, gij beiden gaat straks mede naar den djoerang,
niet waar?”
„Engèh, Kandjeng toean,” was het antwoord.
„Welnu, blijft dan met ons eten.”
Maar de Javanen bedankten op de meest hoffelijke wijze. Zij hadden te
huis nog iets te verrichten; zij zouden evenwel op den bepaalden tijd
present zijn. Wat zij niet zeiden, maar toch dachten, was, dat zij
beducht waren, dat onder de spijzen varkensvleesch zoude voorgediend
worden, of dat eenigen der schotels met reuzel of iets dergelijks,
afkomstig van het verafschuwde onreine dier, toebereid zouden zijn.
De zon was juist ondergegaan, toen de jagers de voornaamste toegangen
tot den Djoerang Pringapoes verkend hadden, en het plaatsen der
schutters op de verschillende punten met den wedono en de beide
loerah’s van Banjoe Pahit en Kaligaweh, welke laatste opontboden was,
besproken hadden. Men bevond zich toen bij het beneden gedeelte van den
djoerang, daar waar de beek, die het ravijn doorsneed, over haar
rotsbed van vak tot vak afdalende, eene reeks van watervalletjes en
stroomversnellingen vormde, die dit gedeelte van het reeds zoo schoone
landschap tot het schilderachtigste der geheele residentie Santjoemeh
maakten. Op een geweerschots-afstand spreidde zich de dèsa Kaligaweh in
de sawahvlakte uit, en weerspiegelde zich bij de wonderlijke tinten,
die den avondhemel bij het ondergaan der zon nuanceerden, in de
sawahvakken, die ook hier bevloeid waren, en stelde met hare
klapperboomen, met hare bamboestruiken, met hare menigte vruchtboomen,
waartusschen de gele omwandingen der hutten schier niet ontwaard
werden, een toovertooneel daar, hetwelk zich in den waterspiegel
verdubbelde, en zoo schoon was, dat de Europeanen zich aan dat gezicht
niet verzadigen konden. Alleen het verbleeken dier tinten bij het
intreden van den nacht, en bij het verschijnen van de maan boven de
kim, kon aan dat aanschouwen en bewonderen een einde maken.
Juist zou men afscheid van den loerah van Kaligaweh nemen, na dien
aanbevolen te hebben, den volgenden ochtend met zijn volk op de
afgesproken plaatsen aanwezig te zijn, en had men reeds de paarden
gewend, om spoorslags naar Banjoe Pahit terug te keeren, toen
plotseling van den kant van eerstgenoemde dèsa een vreeselijk gegil
vernomen werd. Allen stonden dadelijk stil, en luisterden aandachtig.
Dat gegil hield aan, en duidelijk werd te midden van het verwarde
geschreeuw van vrouwen en kinderen het schrikkelijk klinkende „amokh!
amokh!” (moord! moord!) gehoord.
„Wat mag er gaande zijn, loerah?” vroeg Willem Verstork aan het
dèsahoofd, dat nog bij de heeren stond.
„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde deze, „maar wil ik gaan
hooren?”
„Wacht even, daar komt een oppas aanrennen!”
En inderdaad, hijgend en schier ademloos kwam zoo’n kanarievogel [87]
aangevlogen, die een pad over de galangan’s der rijstvelden in de
richting van den Djoerang Pringapoes volgde. Toen hij bij den troep
aangekomen was, hurkte hij in der haast voor den controleur neder, en
bracht den sembah.
„Kandjeng toean,” sprak hij gejaagd, „er wordt amokh in de dèsa
gemaakt. Reeds is een bandoelan onder den kris gevallen en een oppas
deerlijk verwond!”
„En wie is de amokhmaker?” vroeg Verstork.
„Ik weet het niet, Kandjeng toean. Vrouwen en kinderen vluchtten
gillend en huilend; toen heb ik mij gehaast om naar den loerah rapport
te komen brengen. Maar bij het heenijlen hoorde ik roepen, dat
Setrosmito de amokhmaker zoude zijn.”
„Setrosmito, de oude Setrosmito!” riep Verstork uit. „Onmogelijk,
nietwaar, loerah?”
„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde het hoofd,
„Die man is veel te bedaard,” ging de controleur voort. „Daarenboven
hij is niet aan het opiumschuiven verslaafd, nietwaar, loerah?”
„Bottèn, (neen) Kandjeng toean!” was het voorzichtige antwoord.
Het gegil hield aan. Duidelijk zag men, in weerwil van de
avondschemering, menschen in de grootste verwarring binnen den dèsarand
heen en weer ijlen.
„Kom, heeren,” sprak de controleur. „Mijne aanwezigheid is op de plaats
des onheils noodig. Gaat gij met mij? Met een flinken galop zijn wij er
in weinige oogenblikken.”
„Wij volgen u!” kreten al de jongelieden, op een na.
„Is het wel voorzichtig?” waagde Mokesuep in het midden te brengen.
Maar zijne vraag ging voor de anderen verloren. Die hadden op het
voorbeeld van Verstork hunne paarden in galop gezet, en ijlden den
landweg af, die naar Kaligaweh voerde. Mokesuep was evenwel te
bedachtzaam om te volgen. Vreeselijke verhalen van amokhpartijen
kruisten hem door zijn brein. Een oogenblik stond hij besluiteloos wat
te doen. Maar daar herhaalde zich het gegil met verdubbelde kracht,
terwijl de tontong’s als bezetenen weerklonken. Dat gaf den doorslag.
Hij wendde zijn paard, gaf het de sporen, en ijlde in razenden ren naar
Banjoe Pahit in plaats van naar Kaligaweh.
„Bij zulke voorvallen is ’t verstandigst zijne huid te bergen,” dacht
hij. „Straks zullen de anderen mij wel volgen.”
Terwijl de anderen voortreden in de richting van Kaligaweh, waarschuwde
hen Verstork.
„Opgepast en uitgekeken,” sprak hij. „Bij amokhpartijen is het zaak op
zijne hoede te zijn, hoewel angstvalligheid niet aanbevolen kan worden,
daar deze het gevaar nog vermeerdert. Houdt uwe revolvers gereed!”
De aanbeveling was evenwel overbodig. Toen de ruiters den dèsarand
doorjoegen, ontwaarden zij nog wel eenige verschrikte vrouwen, die
hunne kinderen in hunne armen sloten, als wilden zij ze beschermen;
maar de mannen stonden allen met de lans of de kris in de hand rondom
eene hut geschaard, die gesloten was, en niets merkwaardigs aanbood.
Wel weerklonk de kreet:
„Als hij er uit komt, moeten wij hem op onze lansen opvangen!”
„Wat is hier te doen?” vroeg de controleur, die van zijn paard sprong,
de teugels aan een der omstanders toewierp, en in den kring trad.
„Setrosmito heeft amokh gemaakt, Kandjeng toean!” was het antwoord.
„Toch Setrosmito?...” mompelde de ambtenaar onhoorbaar.
Maar de vraag was ternauwernood gedaan, en het antwoord daarop gegeven,
of de deur der hut vloog open, terwijl Setrosmito op den drempel
verscheen.
Het was een oudachtig man met reeds grauwende haren, die hem wild en
woest om het hoofd fladderden, daar hij zijn hoofddoek scheen verloren
te hebben. Zijn baatje was geheel gescheurd, zoodat slechts een vod
daarvan door een der armen opgehouden werd. Aangezicht, borst en handen
waren met bloed bevlekt, zoodat de rampzalige er schrikkelijk uitzag.
„Daar is hij! Daar is hij!” kreet de menigte. „Opgepast!”
Alle lansen bogen voorover tot verdediging gereed.
„Ik wil niemand kwaad doen!” riep Setrosmito zijne dèsagenooten toe.
„Maar nadert mij niet om mij gevangen te nemen; want de eerste, die mij
aanraakt, steek ik neer!”
En met zoo’n woest dreigend gebaar zwaaide hij den kris, dien hij in de
rechterhand had, dat de menigte achteruit stoof, zoodat de controleur,
die een oogenblik achteraf gestaan had, op den voorgrond kwam. Maar
nauwelijks had de ongelukkige den blanke in het oog gekregen:
„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!” kreet hij, terwijl hij zijn wapen
van zich afslingerde, en aan de voeten van den ambtenaar neerhurkte.
„Ampon, Kandjeng toean!” herhaalde hij daar.
Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat de meesten der
omringenden niet onmiddellijk vatten, wat er gaande was. Toen die met
bloed bevlekte man naar den controleur ijlde, meenden velen, dat deze
in gevaar verkeerde. Zijn metgezellen traden dan ook met den revolver
in de hand vooruit. Ook de Javanen wilden toespringen en den thans
weerloozen dorpgenoot afmaken; maar Verstork voorkwam hen, drong de
voorsten met de hand achteruit, en weerhield de overigen met het bevel:
„Achteruit! Laat dien man! Ik beveel het!”
En op den hurkenden Javaan toetredende, die andermaal op smeekenden
toon herhaalde:
„Ampon, Kandjeng toean!”
„Hebt gij amokh gemaakt, Setrosmito?” vroeg hij.
„Heer! ik heb een bandoelan gedood, die „koerang adjar”
(onwelvoegelijk) met mijn kind handelde. Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb
ook een oppas verwond, die hem daarbij hielp. Wie zou mijn kind
beschermd hebben, als ik het niet deed? Maar ik heb niemand anders
verwond of gedood. Dat zal de geheele negorij getuigen.”
Verstork liet de oogen over de menigte gaan. Allen stonden daar
ademloos, geen woord van protest werd vernomen.
„Gij bekent een bandoelan gedood en een oppas verwond te hebben?” vroeg
de controleur ernstig.
„Engèh, Kandjeng toean!” klonk het schier onhoorbare antwoord van den
steeds hurkenden Javaan.
„Wedono, laat dien man binden!” klonk het bevel jegens het
districtshoofd.
„Ampon, Kandjeng toean,” kreet de rampzalige bij die woorden. „Ampon,
ik heb slechts mijn kind tegen vuile mishandelingen beschermd.”
„Ge hebt u tegen de openbare machten verzet, dat mag niemand doen!”
sprak de controleur hoogst ernstig. „Maar, Setrosmito, de gerechtigheid
der blanken zal de zaak onderzoeken, en is uw kind mishandeld, dan zal
dat voorzeker in aanmerking genomen worden en uwe straf lichter maken.”
Een dof gemompel ging onder de menigte op. Zij kende bij ervaring der
blanken gerechtigheid, wanneer het opiumzaken gold. Een bittere
glimlach zweefde op aller gelaat. Menige verwensching jegens het
onbarmhartige volk, dat het schoone Java overheert en uitzuigt, werd
gepreveld. Nu men inzag, dat men met geen amokhmaker die alles in
blinde en woeste drift neerstak, maar met een vader, die zijn kind
tegen de snoodste mishandelingen beschermde, te doen had, nu had de
geheele bevolking deernis met den ongelukkige. Een gebiedende blik van
den controleur, een handgebaar van den wedono waren voldoende, om ieder
gemompel tot zwijgen te brengen.
„Gij zult dien man nauwlettend laten bewaken, wedono, gij en de loerah
staat mij borg voor hem,” beval de Nederlandsche ambtenaar, „en gij
zult zorgen, dat hij morgen ochtend vroeg onder een geleide van
gewapend dèsavolk naar Santjoemeh overgebracht wordt.”
„Ampon, Kandjeng toean,” kreet nog de ongelukkige, die door zijne
dorpsgenooten gekneveld werd.
„De Kandjeng toean besar zal beslissen, Setrosmito. Ik kan en mag niets
anders doen dan mijn plicht opvolgen.”