De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de
kruinen van het hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig
uitgeknipte schaduwbeelden, die, onder den invloed van de zachte bries,
die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele paden of op de
liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden
de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een
groep Tjemårå’s, [77] sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst
met de westersche lorkenboomen hebben, maar fijnere naalden dragen. Die
stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een uiterst fijn
kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het
ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij
dichterlijke zielen van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou
gezegd hebben, dat op die plekken, waar dat gezeefde licht ontwaard
werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend om straalbreking of
schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering
van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving.
In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden
allerwege paartjes ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge
mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde heeren, die allen de
frissche avondlucht opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het
heerschen van het windje, dat zacht ruischend door de naalden der
Tjemårå’s voer.
Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de Traviata ten gehoor.
Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste
bedrijf voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de
erkenning van de gevoelens, die hen doortintelen, komen, toen de
vertolking der woorden:
„Un jour, l’âme ravie,
Je vous vis si jolie,
Que je vous crus sortie
Du céleste séjour.
Était-ce donc un ange, une femme,
Qui venait d’embraser mon âme?
Las! je ne sais encor.... mais depuis ce beau jour,
Je sais que j’aime d’un pur amour!”
zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest
van zijne Anna, terwijl zij een boschje van Pandan rampeh gedeh [78],
dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring
daarstelde, omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een
oogenblik ongezien te vertoeven.
„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die
ik straks sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller
oog op ons gevestigd was.”
Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm.
„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder,
mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan
zijne mannelijke borst.
„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn,
steeds dezelfde lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de
hoogste zaligheid wezen! O, mijne Anna, laat ik u mijne liefde, mijne
onverdeelde liefde betuigen.”
Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij
zij bekoorlijk het hoofdje op zijn schouder liet rusten.
„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo
lief hebt? Zeg, bemint gij mij, dierbare?.... O, ik weet het, gij hebt
mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in
de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van
het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God, o,
herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!”
Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar
ontsnapte, terwijl zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof
het tot het wonderlijk akkoord van de bries in de Tjemårå-naalden
behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond.
Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover.
„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die
liefdesbetuiging, die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.”
En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten
twee paar lippen op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een
knoop, waarbij twee harten en zielen voor dit kortstondige leven aan
elkander verbonden zouden worden.
Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en
in elkanders blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl
hoog boven hen de breede Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne
geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl de bries door de naburige
Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en terwijl daar
ginds de cornet à piston herhaalde:
„... Mais depuis ce beau jour,
Je sais que j’aime d’un pur amour!”
Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke
bladzijde uit hun levensboek! De schoonste wellicht!... Helaas! het
ontwaken was nabij.
„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn
kind?”
Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden
verschrikt deed opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke
vrouw het geheele tooneel overzien. Met innemende stem ging zij voort:
„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze
laan volgt, zult gij haar voorzeker ontmoeten.”
En toen hare dochter aarzelde:
„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn
arm aanbieden, zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven.
Ga gerust.”
Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige
vriendelijkheid uitgesproken, ontzetten het meisje diep, en deden haar
met een angstig voorgevoel heenijlen.
„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van
Gulpendam tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij
uwen arm aan te bieden.”
Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het
hart zat hem evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had.
„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer
verlicht en minder geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het
is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden niet zult te vertellen
hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette. Foei,
mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u...”
Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo
kalme, welluidende stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij
waren van achter de Pandanstruiken te voorschijn getreden, zoodat het
volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts door een tullen
kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke
volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de
jonge man gedurende een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer
opende, ontwaardde hij den diepen, donkeren blik van de schoone
Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te raden, welke het
gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige en
voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was
aanmoedigend.
„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene
onwelkome gedachte verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat
ik met mejuffrouw Anna eenigszins afgezonderd in den tuin wandelde...”
„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan.
„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij
mocht meenen, dat wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden,
dan...”
Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan.
„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach.
„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.”
„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij
met iets sarcastisch in hare stem.
„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij,
vóór dat oogenblik, of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij
nooit een woord van liefde gewisseld...”
„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem
met een spottenden glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede
aanneembaar, dat twee jongelieden van beiderlei kunne elkander in een
verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden van toegenegenheid,
of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel is?”...
„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer
onwaarheid,” viel Karel op zijne beurt met eenige drift in.
„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest... O,” ging de
behaagzuchtige vrouw met zacht dwepende stem voort bij die herinnering
aan die jeugd, waarvan zij noode afstand deed. „O, toen ik negentien
jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij eene
schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had
ik een even speelschen geest...”
Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter.
„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,”
ging zij met eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met
meer kracht dan noodig was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht
drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht noodig om te bespeuren, dat
Anna mij geheel gelijken zal...”
Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar
vervoerde.
„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van
het gelaat der schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte
liet glijden, „het is te voorzien, dat juffrouw Anna in volmaaktheden
en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen...”
„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,”
meesmuilde zij met gekunstelde lieftalligheid.
„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te
beduiden heeft? Ik vat niet...”
Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over
de schouders daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep
haar niet. Dat was duidelijk. Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå
doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een zucht.
„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde
ademhaling min of meer onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar
constateeren, dat ik ook jong geweest ben....”
„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant.
„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia
met een glimlach van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar
dat gebeurde in het volle licht, in het bijzijn mijner ouders, en niet
in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.”
„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool
heel ernstig. „Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts
enkele malen, daarna drukker en drukker. De reden daarvan kan u als
schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had uwe dochter leeren kennen
en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde, hoe
dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste
bezoek getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde
weldra, dat mijn geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar....
boezemde ik ook al juffrouw Anna geen antipathie in, meende ik ook op
uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen, zoo bemerkte ik toch
alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet verworven
had, ja dat ik hem letterlijk tegenstond. Dat gevoel was hij, in
weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen, niet altijd
in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet
over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij
eenigermate af. Van eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat
mijn inkomen nog niet groot genoeg is, om een huishoudentje, hoe
bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel onkundig liet
van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde
ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen
woord ontviel....”
„Maar, mijnheer Van Nerekool....”
„Laat mij uitspreken, mevrouw.... Mij daaromtrent geen woord ontviel,
tot heden avond, toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat
ik zoo lang, zoo trouw en zoo zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was
dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis mijner liefde geene
afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder van
uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen
hier in den tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het
betooverende van de stille natuur in deze heerlijke omgeving, door het
verleidelijke van de hartstochtelijke muziek, die weerklonk en een echo
in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen, den reinen
engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons
liefdeverbond, dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden,
met een kus zoo rein, als de engelen in den hemel slechts wisselen
kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos, het goddelijke
nabij!”
Karel van Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat
was de taal niet der conventioneele gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk
in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek onzer dagen gekweekt,
als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het samenzijn
een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit
Georges Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden
kwamen uit het onverdorven hart voort, en misten hunne uitwerking niet
op de schoone begeleidster, die hij nog steeds aan den arm had. De
gevoelige Laurentia sloot onder den invloed, dien zij ondervond, de
oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel heerlijkheid. „Had
Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar
gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en
door.... En.... Maar, zij?.... zij?....” ging zij in haren
gedachtengang voort. „Was zij van die euvels vrij, die haar nu als
gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?” Een
oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik
nam het betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts;
want daarna bekroop haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht
jegens hare dochter. Een zweem van afgunst doortintelde haar, dat hare
Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou kunnen worden,
die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als
uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk
gelooven. Hare geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te
zijn, dat iedere liefde, iedere genegenheid van twee personen van
verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken hartstocht,
de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en
liefde waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip
van had, slechts als eene prikkeling te meer der zinnelijkheid
beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd werden. Onder den
aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de
sarcastische woorden:
„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat
Pandan-boschje! Wil ik u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk,
mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts is de uiting van den aandrang
naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale beteekenis
kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?”
„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in
zijne stem, „maar ik ben nog jong en onbedreven....”
„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord.
„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen
met woordspelingen. Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het.
Ik heb geen verstand van die verschillende genegenheden, die in de
wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als
de stalen van een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene
genegenheid voor het hart, eene voor het hoofd, eene voor de zinnen.
Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend; maar vooral is die
liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij! Ik had
gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder
van haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn
geheele wezen, en gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van
min edele bedoelingen geheel vrij is.”
Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die
vooropgestelde beginselen van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo
iemand geen lichtzinnig spel te spelen was.
„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij
vergetende, dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden,
en dat zij het gesprek op het terrein gebracht had, dat haar thans
onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl gij Anna op eene eenzame
plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de lippen
druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde
denken? Is hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen?
Komt zoo’n gedrag te pas, wanneer de ouders van het meisje van die
genegenheid niets afweten?”
„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns
ondanks ons verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik
slechts betreuren, dat gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk
van mijn karakter hebt. Maar, dàt mag mij nu niet meer weerhouden. Ik
sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen belet bij u en den
resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter te
vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het
verzoek, hetwelk ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe
welwillende tusschenkomst bij den heer Van Gulpendam te willen
verleenen.”
Bij dat aanzoek was Karel van Nerekool blijven stilstaan, had den arm
van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich verder naar haar gewend, en
haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik aangekeken.
Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening
te werk ging; maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden
van eene ijle schaduwplek, door een groepje Tjemårå’s geworpen, en
verleende deze, terwijl zij den omtrek van den bodem als met eene
uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige
aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde
krullen, welke zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige
gestalte ten gunstigste deed uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als
ware kenster van mannelijke volkomenheid, eene bewonderenden blik op
den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij dien had
kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen.
Gelukkig dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de
realistische vrouw werd afgeleid door de nadering van een paar zonen
van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig loopende laan
voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en
zwaarwichtig plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing
Gwan, de majoor der Chineezen te Santjoemeh, en de opiumpachter babah
Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje in den tuin kwamen
scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en
welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest
vonden.
„Alleen de naakte armen, schouders, enz., van die „njonja njonja en
nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak de pachter
met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met
zoo’n vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die
schepsels welgemaakt zijn. Maar, wat streken van de echtgenooten en
vaders van die wezens, om met die dingen te pronken, en wat
schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich zoo in
het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei).
„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange
grijze knevels, welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend,
haast eerbiedwaardig uitzag, met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou
nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters zoo gekleed of beter
ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.”
„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die...”
„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met
den toean „rakker njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij
met dien te verhandelen mocht hebben?”
Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van
zijn zoon Lim Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn
gesprek met den resident. Van Nerekool behoorde toch tot de
rechterlijke macht.
Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak
gehoord; evenwel het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van
den opiumpachter, dat eene herinnering aan Lim Ho en aan hare afspraken
met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel bij haar zegevieren,
en alle andere hartstochten zwijgen.
„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is
niet zoo erg tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is
alleen op practische menschen gesteld.... Laat mij uitspreken en val
mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te lang.... De wereld mocht
eens meenen.... maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?....”
Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar
met iets vreemds in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen.
„De resident is op practische menschen gesteld en.... vergeef mij,”
ging zij na eene lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische
menschen niet!.... Neen,.... kijk mij zoo niet aan.... Gij beweegt u
nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven ver verwijderd
is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit die
droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij
nimmer carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot
loopbaan verkozen hebt. Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er
bestaan kan, en die het meest van droomerijen afkeerig is.”
Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene
zekere onrust voelde opkomen, die hij ternauwernood vermocht te
bedwingen.
„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia
met innemenden glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare
woorden met een nadruk uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik
wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe zaak bij den resident bepleiten,
en... wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van zijn, dat Anna de
uwe zal worden....”
„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij
de hand op zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde
bedwingen.
Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart
gedrukt, en haar met kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield;
want wie weet, welke verandering van inzichten zulk een onbezonnen daad
bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht.
„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat
enthousiasme. „Ik ben gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij
eene belofte doen....”
„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles....”
„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te
vertrekken, nietwaar? Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig
die ik gaarne tot een gewenscht einde gebracht zag.”
„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den
landraad niets te maken.”
„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het
voorzitterschap van den landraad bekleed worden, tot de komst van den
vervanger van den heer Zuidhoorn. Dat zal eene onderscheiding zijn,
nietwaar?”
„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!”
„En... wie weet?... Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan,
Ardjan genaamd, die opium gesmokkeld heeft....”
Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O,
voorzeker wenschte de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te
hulp te komen. Hij meende dan ook in haren geest te spreken.
„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij
haar met zijn eerlijk gemoed in de rede.
„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.”
De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep
volstrekt niet.
„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een smokkelaarsfamilie,”
ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden nog
betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke
menschen moeten streng gestraft worden, hoort ge?”
„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de
smokkelarij betreft, is....”
„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool?
Diefstal van ’s lands penningen, diefstal uit den zak der
belastingschuldigen!”
„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel
behoorlijk bewezen?”
„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat
er een soort komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den
opiumpachter, in verdenking te brengen. Den zoon van den opiumpachter!
die met zijn vader het grootste belang er bij heeft, dat de
smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!... Het is eenvoudig
bespottelijk!.... Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene
aanklacht bij den landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan
Ardjan met karbouwenbladeren hebben laten geeselen. Maar, nietwaar,
mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen en bedrog weten
te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche
aanklagers onschadelijk maken!...”
„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk
voorzitter van den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet
zal volvoeren. Wie recht heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf
heeft verdiend, zal haar niet ontgaan. Ik ben eenigszins op de hoogte
van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde verzet van Ardjan’s
vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee Javanen,
vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen....”
„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van
Gulpendam.
„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de
resident heeft gelijk; gij zijt geen practisch man.”
„Mevrouw....”
„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u
bereikbaar. Bedenk u wel!”
„Maar, wat eischt gij van mij?”
„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er
minder op aan. Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste
oord ware wellicht het meest verkieslijke.”
„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.”
„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,... of geen voorzitterschap
van den landraad! Doen wat ik wil,... of geene Anna!....”
Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn
geheele gemoed kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone
verleidster los, en, zonder zich te bedenken, siste hij eer dan hij
sprak, gejaagd:
„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen
dien prijs, tegen den prijs van mijn geweten, dat nooit!”
„Nooit?”
„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam.
Maar, het is geen ernst, nietwaar mevrouw?”
„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?”
„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij
boven alles dierbaar. Vaarwel, mevrouw!”
En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den
tuin in, naar de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste
opgewondenheid rondgedoold te hebben, trad hij de binnengalerij weer
binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar riep.
„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het
navolgende te vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt,
Ardjan’s zaak reddeloos verloren is. Al de getuigen zijn verdwenen of
omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.”
„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?”
„Van mij, mijnheer Van Nerekool.”
„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?”
„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort
zoo bij het vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het
eenige, wat ik er bijvoegen kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb,
is: doe er uw voordeel mede.”
Daarop boog zij en ijlde heen.
Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn
gesprek met mevrouw Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog
naar Anna rond, die echter als dochter des huizes aan tal van
vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel het gelaat van het
lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel een
glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te
lezen vermocht, duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat
gezicht had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral,
daar hij het niet meer wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook
zijn hoed op, nam afscheid van den resident en zijn echtgenoote, en was
weinige minuten later buiten.
„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone
Laurentia, terwijl hij voor haar boog.