UNE INVITATION À LA CHASSE, EN UNE INVITATION À LA VALSE.

Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden;

evenwel niet op de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch

van meening geweest den volgenden Zaterdag als naar gewoonte naar

Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te blijven. Dat zou

geheel anders toegaan.

Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel van Nerekool en Eduard van

Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen.

„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het

vriendentweetal. „Ik ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta,

om ook eens als gastheer op te treden.... Als gastheer?.... Ik geloof,

dat mijne pen mij daar parten speelt.... Ja, parten! Want.... om als

gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats

gastvrijheid..... neen, neen.... gastvrijheid dat is het niet, wat ik

meen,... moet gastmildheid bewezen worden en, hoewel gijlieden mijn

nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor lief zoudt nemen, zoo

is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder dak

zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi”

(rijst) met „sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout)

zult machtig worden. Een mooie invitatie! hoor ik u beiden pruttelen.

Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen zult. Luistert:

„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden van de bewoners

mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd.

Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het

tooneel hunner nachtelijke verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van

die geduchte stroopers eene schuilplaats te vinden in de wildernissen,

die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang, eene

woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en

zijn de dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden

daarvan, evenwel op een afstand van ongeveer vijf palen van elkander,

de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte, die naar zee

voert, gelegen.

„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk

gedierte te zuiveren, door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene

klopjacht te houden. Andere dagen kan ik niet; mijne werkzaamheden

verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij, en die

zult gij gewis niet afslaan.

„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono”

(Inl. districtshoofd) voor mijne vrienden, die de jacht zullen

bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken er op, dat gij beiden zoo

tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen, dat gij een

uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te

steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige

terrein en te midden van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat

gij tegen drie uren te paard kunt zitten. Als gij nu de vurige dieren

den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen zij hunne zes palen wel

in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent. Is

dat afgesproken?....”

„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof

zij den briefschrijver te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten

hooren.

„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn,

„en het zal niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te

nemen....”

„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe

vuurwapens, dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de

tjellengs zijn, wanneer zij in hun leger opgespoord worden, volstrekt

geene te verachten vijanden. Behalve uwe geweren, zijn revolvers of ten

minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd

kan worden, onontbeerlijk....”

„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik

een jachtgeweer, maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat

is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes) of musschen te schieten. En

revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar aankomen.”

„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo

heeft eene fraaie repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih”

(plaatsvervangend regent), [72] Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een

paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s met centrale ontsteking.

Gaarne zullen zij u die wapens leenen.”

„Ik zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten”

(regentswoning) te brengen.”

„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche

hoofdambtenaren zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij

komt er zeker ook, nietwaar?” vroeg Eduard leuk.

„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou

ik....”

„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten

voorbijgaan,” viel hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die

wapens vragen. Dat bespaart u eene vervelende visite bij die Javaansche

grooten. Maar....”

„Wat, maar?”

„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?”

„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle

schietoefeningen deel, en had den naam van een goed schutter te zijn.

Wees gerust.”

Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht.

Zoowel in de ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo,

alsook in de zijvertrekken van de statige woning, schitterden rijke

kronen, die met hare talrijke gasvlammen, door matte ballons getemperd,

die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden, en hare

stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den

bloemenhof, die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen,

een wedstrijd aangingen, die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen

vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin overgoot alles met haar

getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en bladeren,

liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het

halfdonker iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets

geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld. De gasverlichting

daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin wel

alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen

vinger aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte,

waarmede de natuur-verlichting alles overgoot. Die rosse kring

verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid van den

stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te

vervalschen; de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de

overwinning, hoe verder het oog waarde, totdat zij onverdeeld heerschte

en alles omhulde.

Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van

Kanarie-boomen [73] uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh

voerde. In dit uur, van uit de voorgalerij gezien, vertoonden zich de

gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten, als groote

vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen

en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den

breeden, goed onderhouden grintweg de meest grillige licht- en

schaduwbeelden vormden, als het ware krijgertje speelden.

In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene,

blauwe, gele, bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat

waren de rijtuigen van hen, die de dansreceptie zouden bijwonen, en met

hunne lantaarns met verschillend gekleurde glazen hunne nadering te

kennen gaven.

De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des huizes stond een

oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te

overzien.

„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich

zelve, „is het rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat

rijdt voorop. En dat blauwe, dat van den heer Zuidhoorn, en dat

violette van.... Ah! daar heel in de verte, dat groene.... Ik moet

weg.... Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.... Ik ben evenwel

blij, dat Van Nerekool komt.... Hij mag mij evenwel hier niet op den

uitkijk zien staan.”

En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing

van den kapala oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte

naderden, de binnengalerij ingetreden waren, en nam aan de zijde harer

moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende gasten te

ontvangen en te beantwoorden.

De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was

eenvoudig in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering

gekleed, hoewel de pajoeng-standaard opzichtelijk genoeg aan het

uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de balustrade om een

blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale

trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden,

drentelden een paar „pradjoerits” [74], in groot tenu gekleed, op en

neer, met het geweer over den schouder, en regelden hun heen en weêr

wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij

ontmoetten, daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne

bajonetlemmen tegen elkander tikten, welk geklikklak den resident

blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk. Hij liet althans een

welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl hij met

een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging

voor zijn persoon betuigen moest:

„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!”

Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel

tijdelijk opgeslagen. Ook daaraan wijdde hij een blik. De muzikanten

der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu gekleed, waren

reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen op

de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een

genadige hoofdknik tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van

den gewestelijken bestuurder te kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en

dochter terug.

„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t

zicht.”

De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid

gelijk, voor een sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe

voor een kostbaar Japansch schutsel geplaatst, met in de eene hand een

sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen, terwijl aan den pols van

de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde, waarmede

zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed

in een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden

harer welgevulde vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een

minder dan bescheiden omvang was teruggebracht, hetgeen in de

beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen, en achter op den

rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet

ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit

albast gemodelleerde schouders en haren boezem ontwaren, die Venus

Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen maken. Nog een streepje lager,

dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben kunnen

bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten.

Hare donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het

fraaie hoofd, door middel van een prachtigen diadeem van schitterende

diamanten opgehouden; terwijl eene menigte bevallige krulletjes over

het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo fonkelende donkere

oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten. De

hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk,

hetwelk haar ’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten

dergelijke armbanden, in den vorm van fijn geschubde slangen van oud

goud, met diamanten in den mond en met diamanten oogen, als zij zoozeer

bij de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den

uitroep van „betoel, njonja mahal!” afgeperst had.

Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel

van hare moeder onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest,

zich gedecolleteerd te vertoonen, welke machtspreuken Laurentia daartoe

aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar japon van rooskleurige

zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding

niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin

besloten, die volgens de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid

gemodelleerd werden. Van juweelen had het lieve kind een afkeer. Eene

eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide in de donkere haargolven,

die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid

niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst

ontluikend knopje eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele

tint den blik verlokte en de gedachten verstrooide, waar die, bij zoo

eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk afgeronde buste, een te

wilde vlucht namen.

„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene

partij verschijnt,” sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij

het toilet harer dochter met sarcastisch oog monsterde. „Uwe

gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor de

dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.”

Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in

zooverre waar, dat de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne,

geheel en al den smaak van mevrouw Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in

zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor een wit voetje

bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend

daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan

had. Wat ook van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker,

dat het mademoiselle Hélène Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van

het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd, te bezoedelen, als

haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder zou

Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. Daar

weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een

paar seconden later, vertoonden zich een aantal jongelieden van

verschillend ras, met blanke en met bruine wangen, met blonde lokken en

met zwarten haardos, zwaar geolied, en in stijfheid met pijpestelen

wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde halzen, en den

gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest,

zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak

moesten bijzetten, maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn

bij de gaffel in de hand klaar te staan, waardoor hij in zijne

eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle markten thuis

moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het

residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer

onverhoopt dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden

zij, om hun compliment bij de residentsfamilie af te steken, waarbij

zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar verwierven, en een

vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen met

eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot

feestcommissarissen ridderde:

„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia

met aanmoedigende stem en innemenden glimlach.

„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident.

Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige

aanbeveling, toen Laurentia plotseling uitriep:

„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!”

En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte

zwerm stoven de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal

hunner weer de binnengalerij in, terwijl zij den arm geboden hadden aan

de gade van den assistent-resident van politie en hare twee dochters,

lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren oud.

„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone

Laurentia met hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw

aangekomene greep, haar naar zich toe trok, en een kus op het voorhoofd

drukte.

Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst.

„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik

had niet durven hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn

vertelde mij toch heden ochtend, dat een uwer jongere kinderen ziek

was.”

„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw

Meidema. „Een lichte verkoudheid anders niets.”

De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog

voor de vrouw en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk

met zijn chef.

Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna

van Gulpendam in het oor gefluisterd:

„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.”

„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd.

Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk.

Want na de familie Meidema verschenen anderen, die zich om de

residents-familie verdrongen, ten einde die hare hulde aan te bieden.

Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke macht, de

ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het

garnizoen, de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de

residentie, en allen vergezeld van de vrouwelijke leden van hun gezin,

die de jaren bereikt hadden, om aan den dans deel te kunnen nemen. Daar

verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe

Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de

hoofd-„djaksa” [75] Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en

allen met hunne radhen ajoe’s. [76] Daar verschenen de majoor der

Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat

Kong, en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing,

de opiumpachter te Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die

allen wemelden om het drietal der residents-familie, hetwelk voor de

reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen en geknikt en

geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen

gesproken; inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die

uitingen, die welwillendheid moesten te kennen geven, inderdaad het

uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens waren, dan zou

Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de

schutterijmuziek de ouverture van La Dame blanche ten gehoore gebracht,

hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar niemand er

naar geluisterd had.

Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid,

bewierookt en becomplimenteerd had, gaf de resident een teeken, dat

door een der gedienstige geesten in de voorgallerij herhaald werd,

waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle

aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij

bewogen. Het was een deftige optocht, die veel van een defileermarsch

had, waarbij de critische oogen der dames elkanders toiletten vinnig

monsterden. De resident had zich aan het hoofd van den stoet gesteld,

gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk op hen

volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl

de chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde.

Dit was onze Van Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de

polonaise de zoo opwekkende invitation à la valse weerklonk, en de oude

geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde

terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden

Anna en Karel door de binnengalerij. Het was een lust om het jonge paar

te zien, het genot straalde beiden de oogen uit.

„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de

wals, „nieuws omtrent Ardjan.”

„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld.

Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den

jeugdigen rechtsgeleerde ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend

gelaat te lezen.

„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat

nu al vergeten? O, die mannen!”

„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van

Gulpendam?”

„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool....”

„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool....”

„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam....” snapte het jonge

meisje.

„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of

nog korter: Anna, lieve dierbare Anna?”

Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen

woord, maar hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk

zijn. Een lichte druk, die onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den

overgelukkige opgevangen. Hij hield haar leest met de rechterhand

omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn blik op het

aanminnige gelaat gevestigd was.

Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort.

„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?”

Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds

ontwelde aan hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een

bedwongen zuchtje, dat haar ontsnapte, maar den dienst van sluier moest

verrichten, door hare schuchterheid aan het onuitgesproken antwoord

verleend. Ja, maar,... het kon ook eene beklemde ademhaling geweest

zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de

onhandigheid, verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in

laatstbedoelde beteekenis op.

„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats

brengen?”

„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet

vermoeid. Laten wij voortdansen.”

Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk.

„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den

maalstroom van dansers en danseressen meetroonde.

„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?...”

Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op.

„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!”

Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder.

„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij hartstochtelijk voort, „ik bemin

u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel

mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal

wezen, wanneer ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve

dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde kunnen rekenen?”

Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik;

maar het gold hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te

eerlijk en openhartig gemoed om, wanneer het hare beginselen gold, hare

gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar toch volkomen hoorbaar voor

hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!”

Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij

voort op de maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte,

waarin zij, als in elkander opgegaan, zich eenzaam bevonden als een

eiland te midden van de woelige golven van den grooten oceaan. Maar

zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was er geweest,

alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van

zijn schat had willen nemen.

„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij

van oneindige beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar

veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen formeel aanzoek doe om uwe hand

bij uwe ouders?”

Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde

zij:

„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne......”

„Karel heet ik, lieve Anna.”

„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa

niet van u houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.”

„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?”

„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie.

Hij noemt u een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het

niet ver in de wereld zal brengen.”

„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?”

De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach.

„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het

goede, met het schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben

ik! Maar, zou het waar zijn, dat ik een onpractisch mensch, een droomer

ben, die het niet ver in de wereld brengen zal? Mij dunkt, dat ik in

dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht te

bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij

naar het hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken;

maar ook, dat ik bewijzen lever, ik, wel verre van te droomen,

behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij niet, lieve?”

Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te

verdragen had gehad, was het antwoord op dat beroep.

„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader

zoo afkeerig te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in

weerwil dat hij zou zien, dat uw geluk daarmede gegrondvest werd?”

„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden,

hinderpalen zullen ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.”

„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe

liefde, op uwe standvastigheid. Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge,

niets ter wereld zal aan mijne liefde voor u afbreuk kunnen doen! Zelfs

de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog verhoogen....”

De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet

Anna’s middel los, en bood haar den arm aan.

„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus

morgen een bezoek aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren

belet laten vragen. Dit is afgesproken, nietwaar?”

Zij knikte met een bevalligen glimlach.

Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden

zij zich op een gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot

de almede rijk verlichte pandoppo verleenden. Verscheidene paren,

groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door, om zich naar den

prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis

uitstrekte, om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte

te genieten. Anna en Karel volgden die beweging, en weldra bevonden zij

zich te midden van de sierlijkste planten en struiken, die de

keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in den

bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol

als een kunstenaarsgedachte slingerden.

„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen

opgemerkt te hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te

deelen..... Ik ben weer dadelijk bij u.”

Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn

met den geliefde des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als

welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming toegefluisterd had? Of

wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om de geheime

mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die

deelgenoot te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen,

ongeduldig als het ware om het voor het volle licht te laten treden?

Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van Nerekool weerhield haar met

zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte, tegen zijn

hart drukte.

„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,”

sprak hij fluisterend, alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne

woorden mocht verstaan, „om te vernemen wat Mathilde te vertellen

heeft. Dit uur behoort mij.”

Baboe Dalima · 第 30 / 94 题