Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig
voortgezet, en avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk
gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh, en herhaalden zich de
geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing in den
beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen.
Het duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk
de dobbelaars te laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar
een enkele maal, om de hoop op winst niet verloren te doen gaan.
Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer te verliezen, en de
eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen
over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het
product zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen.
Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie
losgebroken, het opiumverbruik nam ten gevolge van het menschonteerende
verleidingsstelsel hand over hand toe, en zes maanden waren
ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat een
zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan.
De pachters toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de
vrouwen, [65] die al zeer spoedig den invloed bespeurden, welke het
amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en zij waren het, die de
rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden,
daarop voortstuwden.
Toch was de heillooze uitwerking van het vergift zoo dadelijk niet waar
te nemen. Neen, die vijand werkte in het donker, langzaam, uiterst
langzaam, maar zeker. O, in den beginne was het verbruik van opium zoo
gering. Een paar „mata’s” [66] daags, nog niet eens die hoeveelheid,
waren voor die oorspronkelijke lieden, aan de werking van het gift niet
gewoon, voldoende om de zalige rust, den heerlijken slaap met zijne
betooverende droomen van overschoone en wulpsche hoerie’s, waarmede de
Profeet Mohammed zijn paradijs bevolkt heeft, te genieten. Het dubbel
aantal mata’s verschafte de grootste opgewektheid, de hoogst
opgezweepte natuurdrift. En die zaligheid, dat genot was bij den
opiumpachter te koop tegen slechts veertien cent per mata [67].
Waarlijk, het was te geefs!
Maar... maar, volstond de schuiver aanvankelijk met die geringe
hoeveelheid, die toch reeds eene bres in zijn bescheiden budget
veroorzaakte, omdat die uitgave vrij geregeld wederkeerde;
langzamerhand gewende het gestel van de rampzaligen er aan, zoodat die
hoeveelheid grooter genomen moest worden, om de verlangde uitwerking te
erlangen. Vond een enkele beluste bevrediging, wanneer hij slechts nu
en dan, bijvoorbeeld eens in de week de „bedoedan” (opiumpijp) ter hand
nam, helaas, naarmate de zenuwen aan den prikkel gewenden, werd de
behoefte daaraan grooter, en zoo waren er reeds verscheidenen aan te
wijzen, die, wanneer de werking van het narcoticum opgehouden had,
loom, naargeestig, zenuwachtig, ongeduldig waren, en zich derhalve
hoogst ongelukkig gevoelden. Geen ander middel bestond daartegen dan om
de bedoedan weer ter hand te nemen, het verdoovingsmiddel andermaal in
te zwelgen, waardoor ze eindelijk bijna zonder tusschenpoozen van den
eenen zwijmel in den anderen overgingen [68].
Dat daarbij de stoffelijke welvaart der dèsa-bewoners onvermijdelijk te
gronde ging, wie zal dat betwijfelen? Niet alleen de uitgaven voor de
zoo verleidelijke opiumballetjes overschreden reeds de draagkracht van
menigeen; maar ook de opgewekte sexueele driften eischten bevrediging,
en verslonden het laatste spoor van gegoedheid. Daarenboven was de lust
tot arbeiden—toch al niet groot in een tropisch land—gestoord, ja
vernietigd. Werkte het heulsap niet, dan was de schuiver een lodderig,
vadzig, lui, slaperig wezen; geheel onbekwaam tot de geringste
inspanning, waarin dan de levensvonk slechts aangeblazen kon worden
door eene vernieuwde overprikkeling door het schandelijke middel.
Daarbij werden de hygiënische verhoudingen bij de bevolking van
Kaligaweh dermate geschokt, dat die den meest gewonen opmerker moesten
in het oog vallen. Werd de dèsa toch, hetgeen slechts uiterst zeldzaam
geschiedde, door blanken bezocht, dan bespeurde die, wanneer zij die
streken vroeger doorreisd en het gezonde en krachtige uiterlijk der
bevolking bewonderd hadden, thans in het tijdperk, waarin het verhaal
handelt, mannen en vrouwen, die door hun ellendig voorkomen hunne
meewarigheid wel gaande moesten maken.
O, daarin was zich niet te vergissen. Zij hadden daar slachtoffers van
den opium-hartstocht voor zich. Die grauwbleeke gezichten, waarop de
Oostersche bronstint niet meer te herkennen was; die saamgeschrompelde
huid, die het uiterlijk vertoonde van perkament, hetwelk zonder te
verschroeien aan eene overgroote hitte was blootgesteld geweest; die
hoekige gelaatstrekken, welke het hoofd op een afzichtelijk bekkeneel
deden gelijken; die fletse blikken van de diep ingezonken oogen met
donkerblauw omkringd; die gebogen gestalten en die ingedoken
borstkassen; die wonderbaarlijke vermagering van het bovenrif, welke
veroorloofde de ribben te tellen en eene gedachte aan doorzichtigheid
deed opwellen, want de specimina, die ontwaard werden, hadden
ternauwernood een vod, een ellendig stuk „kahin” (kleedingstuk) om de
lendenen geslagen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; dat
vreeselijk kuchen, hetwelk vernomen werd, en diep uit de holte
klinkende van eene beklemde borst en van aangetaste longen sprak, en
het geheele rif akelig deed wankelen en schudden; die spillebeentjes,
zoo dun, zoo mager, welke het geheel bijna niet meer vermochten te
dragen, dat alles stelde het stereotype beeld daar van het verguisde
pronkstuk der schepping, en stempelde zich tot herkenningsmerk, tot
onwraakbare getuige van het langdurig lijden, van de onafzienbare
ellende, die daar doorstaan waren, en waardoor die lichamen gesloopt
werden.
Toen Singomengolo de dèsa, waar hij het levenslicht aanschouwde, maar
waar hij als dankbaarheidsbetuiging de vreeselijkste hartstochten
achtergelaten had, later terugzag, mochten zijne lippen zich waarlijk
bij het doortrekken van het district tot een duivelenlach omkrullen. Al
wat hij daar waarnam: die met mos en onkruid overdekte klapperboomen
om, en die andere verwaarloosde ooftboomen in de dèsa, die in het
geheel niet onderhouden galangan’s en waterleidingen der sawah’s, die
slecht bewerkte velden, die weinige buffels, welker vermagerd en
ziekelijk voorkomen van onvoldoende verzorging spraken, dat alles was
zijn werk! Hij was de schuld, dat bij den oogst het product schamel en
schraal uitviel. Hij was de schuld, dat die armzalige oogst, nog voor
dat de ani-ani, haar werk verrichtte, reeds vervreemd was. Hij was de
schuld, dat kleederen, huisraad en akkergereedschap voor spotprijzen
verpand werden, en in de kolk van den volksramp verdwenen.
Maar babah Lim Yang Bing, de opiumpachter en zijne vrienden Ong Sing
Beh en Kouw Thang, de pachters van het pandjes- en van het speelhuis te
Kaligaweh, maakten goede, zeer goede zaken, en door zulke luisterrijke
tusschenkomst voer de Nederlandsche schatkist er ook goed bij, althans
in vergelijking met vroeger, toen die drie middelen, zoo als de
Nederlanders die bronnen van geldschrapen noemen, in die dèsa weinig of
niets aan den fiscus, dien onverzadelijken Moloch, opbrachten. Vroolijk
en lustig zou dan ook Neêrlands vlag in den wind hebben moeten wapperen
en fier en trotsch zou het Nederlandsche wapen met het virile „Je
Maintiendrai” hebben moeten prijken boven dat opiumhol, boven dat
pandjeshol, boven dat speelhol, welke als aangebedene Drievuldigheid,
tot eenheid van doel voerden van het meest volmaakte
uitzuigingsstelsel, waarmede een rampzalig overheerd volk bedeeld is
kunnen worden!
Onder de ellendige verdwaasden, die in den put vielen voor hen
gegraven, behoorde Pak Ardjan, de vader van den gewezen djoeroemoedie
van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, die vroeger een gegoed Javaansch
landbouwer, bezitter van een span krachtige „kebo’s” (buffels) mocht
heeten, in betrekkelijken korten tijd have en goed verschoven,
verdobbeld en verbrast en zijn gezin in een poel van de afzichtelijkste
ellende gedompeld had.
Waar was het vriendelijke huisje gebleven met zijne goudgele omwanding
van plat uitgespreide bamboehalmen, met zijn donkerbruin dak van
„nipah-atap” (bladerenbedekking), dat huisje waarin Pak Ardjan vroeger,
met vrouw en kinderen, zijne dagen zoo genoegelijk sleet, en de
toekomst met zooveel vertrouwen te gemoet zag?
Helaas! de hut, die het rampzalige gezin thans betrok, was klein, laag,
bedompt en hoogst vervallen. In het eenige vertrek, waaruit zij
bestond, heerschte eene onaangename muffe lucht, die door in bederf
overgaande bamboe gewoonlijk verspreid wordt. Een blik op de schamele
omwanding, die aan het benedengedeelte verrot, overigens half vergaan
en door de „boeboek” (snuitkevertjes) aangetast was; een blik op het
dak, hetwelk, door het vergaan der bamboe-dwarslatten, akelig doorboog
en overigens in stof verviel; een blik op de bamboe-baleh-baleh, het
eenige meubel aanwezig, liet geen twijfel over van waar die bedompte
lucht kwam. Op de morsige matjes, die den nog morsiger bodem bedekten,
krioelden de kinderen spiernaakt rond, terwijl de moeder en ook de
vader, als hij te huis was, in lompen gehuld, die nooit gewasschen
werden, en door het langdurig gebruik het lichaam aan flarden
verlieten, op den bodem gehurkt, met verglaasden en dom uitzienden blik
dat schouwspel aanstaarden.
Aanstaarden! Ja, als het turen van den machinalen blik zoo mag geheeten
worden. Want de vader had van den rampvollen toestand zijn’s gezins
geen besef meer! De ontzettende zelfzucht, die door het opiumverbruik
ontwikkeld wordt, de steeds grooter wordende onverschilligheid omtrent
zijne geheele omgeving, tot zelfs omtrent vrouw en kinderen toe, de
hand over hand toenemende gemakzucht en de afkeer van iederen arbeid,
van elke zorg, van elke inspanning, die den opiumschuiver beheerscht,
waardoor hij ten laatste dag en nacht aan niets anders denkt dan aan de
voldoening van zijn hoofdhartstocht en de nevenlusten daarvan, waaraan
alles rondom hem ten dienste moet staan, benevelde zijn oog, en maakte
hem aan den rand van den afgrond stekeblind.
Verkeerde hij in den lethargischen staat, door het gematigd opiumrooken
voortgebracht, dan was hij rustig, dan was hij tevreden, dan dommelde
en droomde hij, en bouwde voor zich alleen een paradijs op, waarin
slechts wulpsche beelden zijn geest en oog verrukten. Had hij de
opiumhoeveelheid vermeerderd en het volgend stadium van waanzin
bereikt, dan, ongeacht de tegenwoordigheid zijner kinderen, vervolgde
hij zijne vrouw, die hem alsdan als eene hoeri van het paradijs
verscheen, met de schandelijkste handtastelijkheden; dan hadden er in
die hut, op welk uur van den dag of den nacht ook, omhelzingen en
handelingen plaats, die voor het oog van die onschuldige kleinen hadden
moeten gesluierd worden. Helaas! de man was dan aan een dier gelijk,
onbekwaam om zijne hartstochten te kunnen breidelen.
Was het paroxysme bereikt, begon de werking van het vreeselijke gift te
bedaren, dan verviel de ellendeling in een staat van vernietiging die
voor hem, maar nog meer voor zijne geheele omgeving een kelk van lijden
was. Want dan begon de schuiver te beven, dan kwam zijn geheel
zenuwstel in beroering, dan spookten allerlei vreeselijke beelden hem
door het hoofd, dan was hij ongedurig en angstig, dan voelde hij pijn
door het geheele lichaam, dan was hij het sterven nabij, zoo verzekerde
hij met onaangenaam en zuchtend geklaag, en dan was er slechts één
middel om hem uit dien onduldbaren toestand te helpen, dat was
andermaal de opiumpijp ter hand te nemen, om de kwaal door het vergift
te bestrijden.
En dan moest de vrouw uit om tjandoe te koopen. Van waar zij het geld
vandaan haalde, moest zij maar weten.
En dan moest een kind de madatballetjes kneden en rollen; een ander de
lamp verzorgen, bij dat rooken onontbeerlijk, en de pijp stoppen; een
ander sterke koffie zetten, meestal afkomstig van diefstal uit de
gouvernementstuinen. En als dat alles niet altijd door armoede mogelijk
was, zelfs als dat voor het ongeduld van den zenuwlijder niet vlug
genoeg in zijn werk ging, dan vervulde hij die rampzalige hut met
kermen en klagen, met schelden en verwijtingen, waarmede hij allen
radeloos en diep neerslachtig maakte.
In zoo’n midden was Ardjan opgegroeid, en hoewel hij nog niet zoo
verdorven als zijn vader was, zoo hadden zijne ziel en hart in het zoo
ontvangbare tijdperk der jeugd indrukken opgedaan, die het mogelijk
maakten, dat hij in dienst van een smokkelvaartuig getreden was, en dat
hij gevoelens omtrent zijne verplichtingen jegens de kongsie, die hem
bij hare misdadige handelingen bezigde, aan den dag legde, zooals hij
in de djaga monjet bij Moeara Tjatjing tegenover Lim Ho den zoon van
Lim Yang Bing, den opiumpachter van Santjoemeh verkondigde.
Zoolang Ardjan, de oudste zoon van het rampzalige gezin, klein was, was
dat gezin in de meest dierlijke ellende gedompeld gebleven. Toen deze
evenwel, na eerst een korten tijd als matroos aan boord van een
gouvernementskruisboot gediend te hebben, eene plaats aan boord van den
schoener Kiem Ping Hin verwierf, braken andere dagen aan, vooral toen
Ardjan, door zijn van nature helder verstand geholpen, tot djoeroemoedi
opklom. Hij kwam toch toen in de gelegenheid, om in aanraking met de
lading van het vaartuig te komen en van eene waar, als opium is, was
geene groote hoeveelheid noodig, om reeds voor een betrekkelijke groote
waarde weg te kunnen moffelen; terwijl zijne opvattingen omtrent het
mijn en het dijn hem daartoe ook verlokten. Het ontvreemde heulsap
leverde hij aan zijn vader af, die zoo niet alleen zijnen hartstocht
ten volle bot kon vieren, maar door het van de hand zetten van het
overige gedeelte nog al winst maakte, die evenwel, wel verre van het
huisgezin ten goede te komen, in de grootste ongebondenheid werd
verteerd.
Zoo was de stand van zaken, toen de resident Van Gulpendam den
opiumpachter den wenk gaf, dat Pak Ardjan als een erge opiumsmokkelaar
bij de politie aangeteekend stond.
Uit het bovenstaande valt te ontwaren, dat die bewering van het hoofd
van gewestelijk bestuur waarheid bevatte; want sedert lang was de
opiumpolitie den onverlaat op het spoor, zonder hem te kunnen snappen.
Zoolang trouwens Ardjan aan boord van de Kiem Ping Hin diende, was daar
nimmer een ernstige poging toe gedaan.
Ook was het waar, wat de resident aan den opiumpachter medegedeeld had,
dat Pak Ardjan, onkundig van de verdenking, die op zijn zoon geworpen
was, van de door de politie aangehaalde opium aan wal gebracht te
hebben, Lim Ho aangeklaagd had wegens de vreeselijke mishandeling, die
de Javaan ondergaan had. De oude opiumschuiver had dat niet gedaan, uit
deernis met zijn zoon, ook niet omdat hij de mishandeling wreken wilde,
nog minder uit een gevoel van recht, dat hem zoude aangespoord hebben
om den euveldader zijne verdiende straf te bezorgen. Neen. Kort voor
zijn wedervaren bij Moeara Tjatjing, had Ardjan bij zijn vader eenige
katie’s opium bezorgd. Zoolang die voorraad duurde, zou hij zich om de
mishandeling zijn’s zoons niet bekommerd hebben; maar toen die slonk,
begon hij voor de toekomst te vreezen, vooral toen zijn zoon het
verblijf in het hospitaal met dat in de boeien verwisselde. Met zijn
versuft brein had hij gedacht de invrijheidstelling van Ardjan te
kunnen bespoedigen, door een klacht tegen Lim Ho in te dienen. Die raad
was hem door een pleitbezorger gegeven, die in een geding met den
rijken zoon van den nog rijkeren opiumpachter eene goudader meende
ontdekt te hebben. Die klacht werd bij den landraad ingediend, en de
voorloopige dagvaardingen dientengevolge beteekend.
Den jeugdigen rechter Van Nerekool werd het onderzoek van die zaak door
Mr. Zuidhoorn opgedragen, en vol vertrouwen om in de eerste plaats aan
de eischen van zijn rechtsgevoel te voldoen, en den onverlaat, die zich
zoo eene mishandeling veroorloofde, aan den wrekenden arm der justitie
over te leveren, maar ook om zijne belofte aan Anna, de schoone dochter
van den resident Van Gulpendam, gegeven, na te komen, namelijk om den
verloofde van baboe Dalima te redden, had deze die zaak aanvaard, en
meende haar tot een goed einde te kunnen brengen.
Maar op een namiddag,—de zon stond nog hoog aan den hemel,—had Pak
Ardjan zijn voorraad smokkelopium, die hij in een blikken trommel
verstopt, in een eenzaam naburig ravijn diep in den grond, onder een
dikke laag rolsteenen verborgen had, gaan bezoeken, en bevonden dat
helaas! hoogstens nog maar een paar taël over waren. Hij nam die mede
naar huis; want hij had eenige toezeggingen aan opiumschuivers gedaan,
waaraan hij voldoen wilde. Het gold goede klanten, die ruim betaalden.
Maar nauwelijks te huis gekomen, hoorde hij van zijne kinderen, dat
Singomengolo in de dèsa verschenen was, ook dat die naar hem gevraagd
had. Hoewel die verschijning, en ook die vraag, hem nu wel niet vreemd
voorkwamen, zoo bekroop hem toch een onverklaarbaar gevoel van onrust,
dat hem aandreef, om zijne smokkelwaar te verheimelijken. Ware hij in
normalen toestand geweest, dan ware hij, terwijl hij nog niet ontdekt
was, omgekeerd, om de opium weer in het ravijn op te bergen. Maar hij
begon zich loom te gevoelen, zijne zenuwen speelden hem parten, zijn
denkvermogen raakte in de war; in één woord, hij was het stadium nabij,
dat hij weer eene overprikkeling van het heillooze narcoticum noodig
had. Hij had nog even den tijd om een paar mata’s van zijn voorraad
voor eigen gebruik af te zonderen, waarna hij het overige in een
nipahblad wikkelde, en het tusschen de atappen van de dakbedekking der
schamele hut inschoof en zoo verborg. Toen hij daarmede klaar was,
begon het lieve leven, en moest het geheele huisgezin op de been, om
hem bij zijn vreeselijken opiumhartstocht ter wille te zijn.
Maar, terwijl hij op de baleh-baleh uitgestrekt lag en ternauwernood
aan zijne derde pijp bezig was, zoodat hij nog niet geheel onder den
invloed van het papaverproduct verkeerde, verscheen Singomengolo,
vergezeld van een viertal politieoppassers en van de Chineezen van de
opiumkit, op den drempel der deur. De opiumjager begreep dadelijk, wat
er gaande was, hoewel Pak Ardjan terstond opgevlogen was, en met eene
zekere behendigheid de opiumpijp onder het smerige hoofdkussen, dat op
de baleh-baleh onmisbaar behoorde, geborgen had, en twee zijner
kinderen, het eene de „palita” (lampje) onder de rustbank verstopt had,
en het andere den voorraad opium verheimelijkte. De weeachtige zoete
lucht, die evenwel in het bedompte vertrek heerschte, kon niemand, wel
het allerminst een bandoelan, zoo geslepen als de vertrouweling des
pachters was, misleiden.
„Hier is opium gerookt,” sprak deze norsch, terwijl hij met zijne
handlangers het huis binnendrong.
„Neen, waarachtig niet,” stamelde Pak Ardjan geheel van zijn stuk,
terwijl zijne vrouw met de kinderen als eene kudde vreesachtige schapen
in een hoek van het vertrek samenschoolden.
„Bezet de deur en de ramen,” beval Singo aan de dienaren der politie.
En zich tot Pak Ardjan wendende, herhaalde hij:
„Hier is opium gerookt!”
„Neen, waarachtig niet!”
„En hier is de pijp!” sprak de opiumjager triomfeerend; terwijl hij het
corpus delicti van onder het hoofdkussen te voorschijn haalde. „Hier is
de pijp; zij is nog warm.”
Pak Ardjan, toch al niet op zijn gemak, was bij dat bewijs geheel
vernietigd.
„Waar is de opium?” vroeg Singomengolo barsch.
Geen antwoord.
„O, wij zullen haar wel vinden!” ging hij met akeligen glimlach op de
lippen voort.
Hij gaf een teeken aan de beide Chineezen en aan de politiedienaren,
welke deuren en ramen niet in het oog te houden hadden. En nu begon,
door hem voorgegaan, een nasporing,—eene jacht mag zij wel genoemd
worden,—waarvan het verhaal ongeloofelijk moge schijnen, maar die
helaas! toch zoo dikwerf plaats vindt. [69]
Onder de baleh-baleh, onder de matjes, die den grond bedekten, werd
gezocht; in den bodem, die den vloer der hut uitmaakte, werd gewroet;
onder de „dapoer” en in de asch van dat primitieve kooktoestel werd
getast; hoofdkussens met verdachte kapok-klonters werden opengesneden,
en den inhoud over den vloer verspreid; de weinige kisten en „kapèk”
(sluitmanden), die aangetroffen waren, werden geopend, en de lompen,
die zij bevatten, uitgeschud en verachtelijk neergesmeten, het
armoedige huisraad, de weinige potten en pannen, de rijstketel, het
tombokhblok, de „bakoel’s”, (rijstmanden), tot de sirihdoos toe, werden
doorsnuffeld; maar niets, niets werd gevonden.
Singomengolo was vertoornd. Nu gelastte hij de visitatie aan den lijve.
Eerst werd Pak Ardjan gegrepen en, toen hij zich verzette, werd hem
onder het toedienen van een groot aantal vuistslagen, de smerige
vodden, die hij droeg, van het lijf gescheurd, en weldra stond hij daar
met zijne afzichtelijke magerheid spiernaakt voor zijn gezin. Onder den
aandrang van dat kiesche gevoel, hetwelk zelfs den meest verdorvene
blijft beheerschen, hurkte hij jammerend neder, om zijne naaktheid voor
zijne kinderen te dekken. Toen was het de beurt van de vrouw en de
kinderen, waaronder meisjes van 7 tot 14 jaren. Met de grootste
zedeloosheid gingen hier de onverlaten te werk, en volvoerden de
gruwelijkste aanrakingen, de gemeenste betastingen. Noch het kinderlijk
gevoel ten opzichte der moeder, noch de onschuld der jeugd kon hen
weerhouden; zij zochten en wroetten met wulpschen vinger, terwijl hunne
lippen nog met beestachtigen kortswijl de magerheid der „prawan’s”
(maagden) bespotten. Het was een afzichtelijk tafereel, dat daar onder
het oog der politie geschiedde, ja met hare medewerking volvoerd werd;
want èn de bandoelans èn de politieoppassers wedijverden met de
Chineezen in ontuchtige handelingen.
De kinderen schreiden, de meisjes zuchtten, en de moeder gilde onder
die behandeling; maar niets mocht baten. Maar eindelijk, bij een nog
losbandiger gebaar, door een der politieagenten gepleegd, waarbij de
oudste dochter, de lieve Sarina, een meisje van veertien jaren, haar
sarong ontviel, en zij een kreet van schrik slaakte, sprong Pak Ardjan
woedend overeind, vloog op den lafhartigen wellusteling aan, trok hem
den sabel uit de scheede, en begon den onverlaat een paar houwen toe te
deelen, die dezen noodzaakten, onder het uiten vaneen akelig jammerend
gehuil, het tooneel zijner heldendaden te verlaten.
Maar helaas! de tot radeloosheid getergde vader, wiens dolle woede hem
blind voor hetgeen thans rondom hem voorviel, maakte, en wiens
uitgeteerde arm geene inspanning van eenigen duur kon verleenen, was
dadelijk gegrepen en ontwapend, alvorens hij verder nog ter verdediging
van zijn zoo gehoond gezin kon optreden. Hij werd gruwelijk gekneveld.
Met de meest verfijnde wreedheid werden hem de enkels aan elkander
gebonden, waarbij men hem het stekelige gemoetoetouw tusschen de teenen
doorreeg, hetgeen bij iedere beweging van den ongelukkige afgrijselijke
smarten veroorzaakte. Om hem verder onschadelijk te maken, werden hem
de handboeien aangelegd. Maar, daar de braceletten van dat werktuig van
barbaarsch geweld veel te veel ruimte aanboden, en de zeer vermagerde
polsen slechts gebrekkig en onvoldoende omsloten, werden zij met wiggen
aangevuld, die in der haast van een paar stukjes brandhout gesneden, en
tusschen den ijzeren band en den arm ingedreven werden, hetgeen den
ongelukkigen zulke onduldbare pijnen veroorzaakte, dat hij in een
klagend gehuil uitbarstte, dat veel van dat van een zieltogend dier weg
had.
Maar nu de opium? De opium? Die was tot nu toe niet gevonden!
Singomengolo krabde zich achter het oor. Het geval was netelig.
Wat zou de Kandjeng toean residèn aangaan! Maar.... om dien lachte hij.
Och, die zou bulderen, blaffen, maar zich zorgvuldig van bijten
onthouden.
Wat zou echter babah Lim Yang Bing zeggen? Zou die zijn ijver niet
verdenken?
En, als de „soerat soerat kabar” (nieuwsbladen) aan het praten gingen!
En dat zouden die neuswijzige papieren zeker doen. Daaromtrent was geen
twijfel te koesteren. En, als dan de „toean toean rakkers” (de heeren
rechters) kennis van de zaak namen! Ja, dat kon reeds niet anders. Pak
Ardjan had zich gewapenderhand en geweldadig tegen de politie, en nog
wel tegen de opiumpolitie, verzet, een vergrijp dat niet verzwegen kon
blijven, dat bovendien door de „Blanda’s” (Hollanders) ten rechte zwaar
gestraft werd. Maar dan zou ook uitkomen, dat hij huiszoeking gedaan,
en daarbij niets gevonden had! Dan zou wellicht nog meer te berde
komen! Men was toch „terlaloe korang adjar” (te gemeen) met de meisjes
omgesprongen... En de toean toean rakkers waren zoo nieuwsgierig! Die
zouden dat wel te weten komen!
O, dat toch opium gevonden ware! Of beter, dat hij zijne voorzorgen
maar goed genomen had!... Dan...
„En toch,” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de
schamele hut doorzochten, „de inlichtingen waren zoo nauwkeurig
mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan van de „Djoerang-Tjatjing”
(het wormen-ravijn) terugkeerde, dan... Maar, het ware misschien
verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?... Maar... neen,
neen; dan zou hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden
had. En die heeren rechters zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om
straf op te leggen... Neen, neen... die opium moest bij Pak Ardjan aan
huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs van
schuld aanwezig!... Maar, dat is zij niet, niets gevonden... Eh, èh...
wat is dat?”...
En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek,
waar hij eene doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog
kort geleden een weinig verschoven waren; en eene minder donker getinte
streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de nipahblâren daar niet
onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek aan een
schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden
bloot gestaan. De bandoelan bracht de hand tusschen de atappen, tastte
en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes te voorschijn te
brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het was
de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had.
„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den
rampzaligen Javaan toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor
de tanden sloeg, dat het bloed uit de lippen van den mishandelde
parelde.
Maar deze sprak geen woord.
Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was,
werd de betrapte overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel)
geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners, tot dien dienst geprest,
gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt, naar de
gevangenis van Santjoemeh overgebracht.
Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam
bij den landraad te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die
beschuldigd was van opiumsmokkelarij, en van gewapend verzet tegen de
politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening van zijn plicht
ernstig gewond was.
Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las,
kon hij een bitteren glimlach niet verbergen.
„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij.