EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT.

Op een twaalftal palen [46] afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh,

lag in een schilderachtig, heuvelachtig terrein, hetwelk veelvuldige,

maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood, de dèsa

Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een

breeden smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke

van eene nabij gelegen hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen

vormden, die zich, onder den invloed der zachte bries, als van

grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde.

Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want

zij zelve lag verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de

heerlijkste „manga’s,” de lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste

„assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de geurigste „djeroek’s” en de

meest verfrisschende „djamboe’s” [47] en nog zooveel andere gaven van

de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd

waren. Hier en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de

ruimten tusschen de hutten en de boomen en vervulden de

„katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” de

„poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra

kombala” [48] en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare

liefelijke geuren, of streelden het oog met hare schitterende, maar

aangename verscheidenheid van kleuren.

De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen,

van die dikke en lange bamboe-betong- [49] soort, die zoo kostbaar

bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar als

afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die

als het ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht

der loofpluim, welke zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo

een heerlijk beschaduwd terrein leveren.

Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest

schilderachtige wanorde in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de

eigenlijke kom der gemeente. De bewoners hielden zich voornamelijk

bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend

leenden, en vruchtbare „sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs

langs die heuvelhellingen vormden. In het lagere gedeelte dier gronden,

werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,”

„djampal’s”, „batak’s” „gaboes” [50] en meer anderen vischsoorten

opleverden, die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer

gewild waren, en derhalve goede prijzen opbrachten. De bewoners van

Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen zijn, richtte een

hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht was de

opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar

ook de gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het

verderfelijke heulsap hadden overgegeven. Helaas, het moest erkend

worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren. En toch

velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen

enkele bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans!

Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in

zijne jeugd uitgeweken was, om elders een bestaan te vinden, te

Kaligaweh teruggekeerd was.

Met dien man, die Singomengolo heette, maar in de wandeling Singo

genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger zoo gelukkige dèsa

losgebroken.

Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. [51]

Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik

te maken, door hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te

wijden, was het die zielenverkoopers gelukt van een dommelend oogenblik

misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te laten verbinden. Het

handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig mogelijk

in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten

afhandig te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat.

Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel

geen onwaardig figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij

een controleur van het binnenlandsch bestuur in een der

binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een zeker

talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam

van zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok hij de aandacht van den

gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de

pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem

eene aanstelling als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van

gewestelijk bestuur te Santjoemeh te bezorgen. In die betrekking legde

hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den dag, dat hij niet

alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij andere

voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing

weldra in blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook

bij voorkeur in die gevallen, waarin zijne sluwste acolijten te kort

schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, door bij die

personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg

stonden, steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer

heulsap gezien.

In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht

van geld, dat het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh

met een tiental vermeerderd werd. [52] Onder de rampzalige dèsa’s, die

door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd werden,

behoorde ook Kaligaweh. Maar... tusschen het oprichten van zoo’n

opiumhol en dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene

wijde kloof, die noodzakelijk aangevuld moest worden. Althans zoo

begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo smerig

mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel

prijkte boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met

duidelijke witte letters: opiumverkoopplaats te lezen stond, welk

Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch, met

de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden

de twee Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met

hunne innemendste glimlachjes, waarbij hunne gelaatstrekken met de

schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid daarstelden;

maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken

zelfs van een eerste bezoek.

Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk

was. Het was toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was,

maar het geheele onderdistrict, waartoe die dèsa behoorde, in

vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. Ook het

gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de

flinke gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de

bevallige ronding van heupen en schouders bij de vrouwen, hare

welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam baan brak door de

lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe

troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders

aangetroffen werden. Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen

opiumpachter niet ontging, waren de rijke rijstvelden, die het geheele

district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s met haar donkergroen

loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van zacht

getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de

frissche halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid

bijzetten; of die dèsa’s als in goud omklonken hielden, wanneer de

gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, in den oogsttijd het zware

hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje golfden, en met

hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining

gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog

treffender maakte.

In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook

naderde, steeds getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel

bij de diepgrondbewerking van de velden als bij het onderhoud en het

doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s” (dijkjes) [53]. De

gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die

scherp afstak bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken

gesleten werd.

Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart

wegens het voorbeeld een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was;

maar met het hebzuchtig karakter zijnen landaard eigen, wenschte hij

zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige bewoners toe te

eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon”

(opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest

anders worden!

Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd [54]—keerde de

bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen

van den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani

(snoeimesjes) gehanteerd hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te

snijden, en de mannen vlijtig bezig geweest waren met het overnemen der

„potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die tot „gedeng’s” (grootere

bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid te lezen;

want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen)

hadden het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols

product konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de

helpers rijkelijk mocht genoemd worden. Dat was reeds eene verklaarbare

reden van vreugde en opgewondenheid, welke dien voor de Javanen zoo

feestvollen dag kenmerkte.

„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt

nationale feestdag voor de landbouwende bevolking van het schoone Java,

een dag van vreugde, van meerder beteekenis voor die primitieve

gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen. Het is dan

voor haar eene ware kermis. [55] In bonte massa’s komen de vrouwen en

de meisjes op het veld; menig hart begint daar voor het eerst van

minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand,

menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte

graanvelden leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel

minnespel. En.... valt het niet te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid

hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat; wordt ook al een offer

op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet verzwegen

worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den

„panghoeloe” (priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat

de gevolgen nimmer tot zoo huiveringwekkende misdaden voert, als in

meer verfijnde maatschappijen voorvallen.

Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde,

klonken haar de opwekkende tonen van de „gamelan” [56] tegen. Men keek

elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist

uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had.

Maar op de „aloon aloon” [57] aangekomen, zag men daar onder de

prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk

beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche

vlaggen getooid waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten

was. In de andere evenwel waren op den achtergrond de muzikanten met

gekruiste beenen op den grond bij hunne instrumenten gezeten, en deden

hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond der loods was

ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk

gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het

gezicht daarvan onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij

op meer genot dan op een eenvoudig concert vergast zouden worden.

Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar

Kaligaweh afgevaardigd was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen

een der bamboestijlen, die het dak der loods torsten, geleund, en

knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het meerendeel tot

zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet

verwelkomden.

De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten

dienen, de rijstbossen zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de

„toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke hoofdbedekking gediend

hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; en weldra

vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte

stoeiend en dartelend op het mollige grastapeet neder.

Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele

sterren flonkerden hoog boven in de donkerblauwe lucht met zachten

glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol boven

den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der

Wariengiens door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte

wierp. Rondom de loofkruinen beschreven ontelbare „kamprits” een

doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en stieten daarbij hunnen

scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven ettelijke

„kalongs” [58] al krijschende in geheimzinnige kringen rondvlogen, als

zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks in dien rijk

voorzienen gaard zouden neervallen.

Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken,

en daar weerklonk de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met

hare welluidende tonen.

„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers.

En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon

het best met eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de

instrumenten, waaruit het Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en

oorverdoovend klonken soms de bekkens, maar gingen bij wijlen in

solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar waren de

muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller

aandacht te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die

onder de jolige menigte heerschte.

Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de

bekkens zwegen, een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking

der toehoorders moest beduiden en voor handgeklap, bij Oosterlingen

ongebruikelijk, moest gelden.

Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide

Chineezen, houders der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s”

(sigaren in bladeren gewikkeld) aan, terwijl bij de vrouwelijke

voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk en

gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden

eenige „warong’s” (kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren

snoeplust kon voldoen. Een daverend gejuich ging op, toen de belusten

van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen kosteloos te

verkrijgen waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had,

die zoo zijn terugkeer in zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des

milden gevers hand werd allerwege hartelijk gedrukt. De verlokker

verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s gerold

waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de

„sedap malam” [59] gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere

lekkernijen. Een ieder liet zich de versnaperingen goed smaken, en had

een woord van dank voor den milden Singomengolo.

Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder

hernam zijne plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste

muziektonen begroet.

„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond.

Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder

dèsa-bewoner het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten

klankrijk borduurden, luisterde men toch in menigen groep gaarne naar

den een of anderen oude van dagen, die de legende verhaalde, welke daar

door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek toch is

de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare

sprookjes, verhalen en legenden in die streken. Zij is er een

integreerend deel van, zooals de toonbuiging der stem en de gebaren dat

bij rederijkers-voordrachten zijn. De legende van Taroe Polo was een

der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt om de gemoederen voor

liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar toch

verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen:

Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het

dichte tropische woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk

verblijf), welks bestaan niemand zelfs vermoedde, vond. In weerwil van

de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, drong hij er in door, en

vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en zeer goed

onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van

jeugdige vrouwelijke bedienden omgeven was, die wel niet met hare

gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar toch als toonbeelden

van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene

koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder

geplaatst was, omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen

bejaarden, maar machtigen vorst, dien zij zelve voor hare dochter

uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde bij den eersten

aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen.

Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor,

hoe de kleine „pernakh-an gedang” en de „gambang” [60] met hare zachte

zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister,

hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl

de jongeling voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt

niet ongevoelig voor die uitingen van genegenheid, van liefde. Haar

boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt de „soelieng”

(fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel

in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer

moeder, deze innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts

stokkend, met kort afgebroken woorden, ja met enkele lettergrepen

uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende harp)

duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare

gezelschapsdames voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt

was, barstte een concert van hartstochtelijke juichtonen van de beide

verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,” [61] de soelieng en

de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens

betuigd te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er

aan het vermurwen der heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet

te denken viel, dat de omgeving der vorstin onomkoopbaar was, en dat

niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten.

De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor

dien uitersten stap terugdeinzen. Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu

eens smachtend als het suizend windje, dat door de Wariengien-kruinen

ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne boeien

slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen.

Haar eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en

behaalde eene volledige overwinning op hare besluiteloosheid, maar het

was vooral de vrees, dat hare moeder van hare liefde voor Taroe Polo

kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, neergeslagen

blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren

minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen,

te gemoet.

Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en

duidt met bekkenslag in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van

het jeugdige paar aan; om ten slotte met eene zachte maar toch

genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen

uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning

geslaakt, te eindigen.

Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren,

terwijl de laatste klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte

wegstierven.

De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne

bloedroode kleur verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door

de Wariengien-kruinen op die landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen,

die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot.

Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar

een groep mannen, op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten

hanteeren.

De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste

hartstocht, ja de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk

voor hem zouden zijn, wanneer die eerste niet opgewekt werd.

Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het verleidelijke spel

deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan en van

de topeng, [62] die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan

Singo en diens handlangers andermaal van die rôkô’s vroegen, die hen

zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren erg belust op de

lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan,

dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn.

Maar...., daar wachtten hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang

Bing. Met een innemenden glimlach werd beduid, dat de voorraad, die tot

geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens te kennen werd

gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen

zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij

werd nu kontant geld gevorderd; en.... al waren de bewoners van

Kaligaweh welvarend te noemen, van het slijk der aarde was onder hen

niet veel te vinden.

Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig

gebaar naar het geopende speelhol.

„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s”

(kwartjes), „roepiah’s” en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor

de gelukkigen te krijgen,” grinnikte hij.

Dat was olie in het vuur geworpen.

„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der

omstanders.

„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen

duivelen-lach.

Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen

vergeten!

„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?”

„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de

verleider. „En”, liet hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari

ontong is, kunt gij daar zien. Kijk Kromomidjo eens de ringgiets laten

klinken!”

En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en

te springen van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden

handholten drie rijksdaalders liet rinkelen.

Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand

arbeidens! En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde

maar wat stoutmoedigheid toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo

verzekerde althans de rampzalige, die in de loos gespannen netten

verstrikt was.

Maar.... was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel

bossen paddi vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.... daar maakten

èn Kaseran en Wongsowidjojo èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen

dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. Ook zij tandakten en gilden

van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, de eene twee,

de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij

in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave

vriend, die zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te

leeren, gauw en gemakkelijk geld te verdienen!

Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele speelloods vol,

en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl

buiten de gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s”

[63] vernomen werden.

Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de

bevolking van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen,

slechts een zeer klein gedeelte van den oogst was in hunne handen

overgegaan; want, sloeg men de gelukkige en opgewekte gezichten der

spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel verliezers

onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het

slechts dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de

croupiers maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor

zorgden, nu de indruk gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon

was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, en de guldens tot kwartjes in

de handen der spelers bij het op en neergaan van het geluk geslonken

waren. Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd

te zijn.

Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het

dèsa-hoofd op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden

de spelbazen, dat zij wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene

ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) was. En werkelijk de kaarten

werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen.

Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd

de zucht voor de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de

waronghouders goede zaken, en daar die ook al weer acolijten van babah

Lim Yang Bing waren, keerden de bij het spel prijsgegeven gelden

gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering niet te

groot was.

Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al

niet te groot genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne

handlangers met eenen onbeschrijfelijken gemeenen grijnslach de

belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel

lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op

de „baleh-baleh’s” (rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden

met bevallige vingeren de balletjes madat, en wierpen vurig verlokkende

blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar tot de arme

slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden

te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden.

Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het

gift, dat reeds met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de

uitnoodiging tot wellust van die schoone jeugdige vrouwen, bezweek al

ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien eersten avond niet

alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen, die

haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid. [64]

Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien

uitslag vernam:

„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet

houden!”

Baboe Dalima · 第 24 / 94 题