Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen
zouden zij hem veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en
daardoor nog zoo onervaren in de doolhoven van ongerechtigheden, die in
Nederlandsch-Indië door de rechterlijke zoowel als door de
administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking komen
met zaken, welke het opiummonopolie gelden.
Eenige weken na zijn onderhoud met Anna van Gulpendam, vernam hij van
haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie
herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de
gevangenis overgebracht was. Hij won toen inlichtingen in bij den
rechtsgeleerden voorzitter van den landraad [37] te Santjoemeh, die hem
mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd was, en dat
nog wel van eene vrij belangrijke partij.
„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid
voor,” vervolgde Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de
strekking niet begrijp.”
„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool.
„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij
mij mededeeling doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt,
dat de aanhangige overtredingszaken door den landraad zouden worden
afgedaan.”
„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch
reglement, en met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke
organisatie.”
„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat
lijstje komt de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?”
„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben
overtuigd, dat die Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de
preventieve gevangenis zoodanig, dat wanneer eene vrijstelling volgt,
de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening kan uitroepen: „hij
heeft in allen gevalle voor mijn pleizier zoo vele maanden gezeten.””
[38]
Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met
doordringenden blik aan.
„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere
meening voor.”
„En die is?”
„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid
heb gevraagd?”
„Ja. Maar, wat zou dat?”
„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te
berechten zijn, zou de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst
over zes of acht weken ongeveer aan de beurt zijn.”
„Welnu?”
„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.”
„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een
ander rechterlijk ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den
landraad te presideeren.”
Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn.
„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het
reizen niet vlug. Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr.
Nellens van Makassar, dan gaan er minstens twee maanden voorbij,
alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is. En inmiddels....”
„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de
afdoening der landraadzaken belasten.”
„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat
krachtens de eerste alinea van artikel 93 van het reglement op de
rechterlijke organisatie en het beleid der Justitie in Ned.-Indië, de
resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter van den
landraad kan optreden.”
„Welnu?”
„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik
weg zal zijn, berecht de resident de zaak Ardjan.”
„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?”
„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den
Koning schreef [39], dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de
grootste opiumsmokkelaars zijn, stelselmatig omgekocht worden, en dat
zoodoende het gezag der uitvoerders van het gezag der regeering
ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van
Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken
dan gij, en als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van
Ardjan te verdagen, dan kan ik de gedachte niet van mij zetten, dat
hier eene poging aanwezig is, om die zaak aan de behandeling van den
bevoegden rechter te onttrekken.” [40]
„Maar, dat is afschuwelijk!”
„Zeker is het dat.”
„En wat hebt gij gedaan?”
„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die
zaak te verdagen. Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien
dagen voor komen.”
Dat zou zij niet.
Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke
ambtenaren plaats vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het
onverwachts een bezoek.
Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in
den namiddag; twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op
bezoeken gesteld is.
Als populair man had de resident tegen half elf de „Sociëteit” bezocht,
en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan
zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had,
dat, al had hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel
een bal in de milieu snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had.
Hij was zoo omstreeks half één te huis gekomen, had met smaak
gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den dag des Heeren
verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai
gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan
snoepen. Hij had reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand,
toen de kapala oppas hem naderde, zich op den grond liet glijden, den
„sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde, dat babah
Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht.
„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de
opiumpachter) vroeg hij.
„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser.
„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond)
luidde het bevel.
„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?”
„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja...”
En een anderen oppasser wenkende:
„Bowah bekakas pajoeng di sini,” (breng de pajoengstandaard hier) beval
hij.
De schoone Laurentia trok de schouders op:
„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en
kabaai, en de gouden pajoeng naast hem!”
„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De
wind is aan het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.”
„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren
innemendsten glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!”
„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den
beer aan John Pryce...”
Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen
influisteren, dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te
spreken. ’Mbok Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en
nagenoeg even oud als deze, maar had nog andere koorden op haren boog
dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw. Behalve doekoen, was zij
o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen).
„Die komt te pas en ook te onpas,” prevelde mevrouw Van Gulpendam met
een zweem van teleurstelling, „maar wat er aan te doen?”
Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te
hebben de oude vrouw derwaarts te brengen.
Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het
Javaansche wijf. Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde
een glimlach op de lippen van den babah. Voor ieder ander dan voor
’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke op het gele gelaat van
iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid van
machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach
evenwel eene tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den bediende, trad
zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja,
terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel
zat te wiegelen, waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den
Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen
omgaf [41].
„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar
een stoel gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag
naar herwaarts?”
De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met
een knipoogje: „Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den
Kandjeng toean te vernemen.”
„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen
doen.”
„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het
lichaam en de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder
een goede plaats vindt...”
„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident
glimlachend.
„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het
residentiehuis insloop.”
Van Gulpendam spitste de ooren.
„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?”
„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.”
„Nu, laat hooren, babah.”
Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische
vertaling dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied
zijn. Bij tijds bedacht hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch
niet zou begrijpen.
Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de
partij opium bij de djaga monjet in de Moeara Tjatjing, en trachtte den
resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen daar gecalangeerd
was, geen opium was.
„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam.
„Niets anders dan „pretto” [42] vermengd met verschillende „gettahs”
(verdikt plantensap).”
„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan
bestaat er geen overtreding.”
„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium
is.”
„Drommels!”
„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet
wetende, van waar of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben
verklaard, dat het is uitmuntende tjandoe, „roepanja bahoenja dan
rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter dan die door het
Gouvernement aan de pachters verstrekt...”
„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam
verbaasd.
„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster
in handen gesteld van den apotheker.”
„En wat heeft die beslist?”
„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat
het tjandoe is met een gehalte van 32 percent morphine.”
„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de
zaak haren loop hebben.”
„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde....”
„Neen, babah, neen,...” sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij
aan iets anders dacht. „Neen, er is niets aan te doen.”
„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de
stereotype glimlach van zijn gelaat niet week.
En met een soort tact het onderwerp van het gesprek wijzigende, bleef
hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den
handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep:
„Gisteren kwam de Wijberton van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik
heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren gekregen. Er is een
kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die zijn
zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens
bezichtigen?”
De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die
wat vorm betrof, snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak
een borduurwerkje vertoonde, hetwelk een lief frisch bouquet rozen
voorstelde.
De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf
onberispelijk fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde
dan ook door den heerlijken geur, die zich verspreidde, dat daar
uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen was. En gedurende het
gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den
sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest.
Blijkbaar waren zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den
Chinees weer over met de woorden:
„Zeer fraai, inderdaad.”
„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?”
„Wat, gij wilt?....”
„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene
heerlijke sigaar rooken, dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot
genoegen met dat luttele geschenk van mij aan te nemen.”
Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet
de resident geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje
vallen, dat naast hem stond, en vervolgde, als ware er niets gebeurd,
het gesprek van straks:
„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den
oever?”
„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.”
„Kunt gij die vertrouwen?”
„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de
Chinees met een valschen glimlach.
„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan
gevonden werd?”
„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.”
„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen
is, nietwaar?”
„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.”
„Dan weet ik genoeg, babah.”
De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te
verwijderen. De resident wenkte hem om nog te blijven zitten.
„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos.
„Van welke?”
„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.”
„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,”
betuigde de Chinees.
„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal
opgemaakt, dat zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees....”
„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean.
Is er geen middel, om dat met dien toean dokter te schikken?”
„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan....”
„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u....”
„Ik zal zien.... Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt
zwaar, zeer zwaar gestraft!”
De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den
zak, en haalde een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te
voorschijn.
„Ik ontving ook met de Wijberton een stel prachtig zilverwerk uit
Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van Kempen in Den Haag
het zoo kunnen?”
„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident
bewonderend.
„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar
Europa verzonden, en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken
wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng toean.”
De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens
den blik er in vallen.
„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die soort thee
zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan”
(leverancier).”
„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te
nemen?”
„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk
genoegen.”
Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet
in den stijgbeugel te hebben.
„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal....”
„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat
ik doen kan.”
De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was.
Plotseling bedacht hij zich:
„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd
heeft?”
„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.”
„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de
kaars vliegen.”
De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord.
„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident
achteloos. „Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.”
Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en
reikte hem ongedwongen de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht
wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik kwam Anna’s lieveling-hond, een
fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en sprong
kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot
van den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van
den babah.
„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog
Edele Heer) betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de
lippen, terwijl hij hartelijk den hondenpoot schudde.
Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „O! sama djoega, Kandjeng
toean” [43] van den Chinees begreep? Toen hij zich alleen in de
pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen blik, en
schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas
van verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van
duizend gulden gewikkeld, echter zoo, dat de punteinden der sigaren
onbekleed waren gebleven, en dus bij het openen van den sigarenkoker
van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in de theedoos, en
stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte
papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende,
borg hij de kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar
zijn kantoor, waar hij den bekenden brief over de regeling der volgorde
van de gedingen aan den voorzitter van den landraad van Santjoemeh
schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne ega in de
binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam.
„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in
het oor.
Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede.
„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde,
door haren arm om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen
aan te kijken.
In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los
te laten, de deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar
verlevendigde nog meer, als het kon, de nieuwsgierigheid van haren
blik. Met een bevallige beweging sloot zij zich nog inniger tegen hem
aan, en drukte hem een kus op de lippen.
Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den
sigarenkoker en het theedoosje daarop leeg, en liet de schoone
Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren, waaromtrent zich niet te
vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige oppervlakten
te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden
vertegenwoordigde.
Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone
vrouw. Maar, dat was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al
onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die zag haar integendeel met
verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel, de
bankbiljetten, die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg
verkreukeld waren, gladstrijken en om hare vingeren winden.
„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig
sommetje!.... Waarlijk, het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij
wat ik heb....”
„Wat gij hebt?”
„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.”
„Maar, wat dan toch?.... Vertel....”
„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat....”
Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag,
naast eene kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn
geweest. Toen zij de pisangbladeren, dien de boengkoesan omsloten,
opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje van gemeen
aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer
vies uitzag, ontwaard werd.
„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen
lepeltje eene hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene
hazelnoot schepte, en hem dat voor den mond hield, alsof zij hem voeren
wilde. „Eerst dat, Gulpie!”
Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker.
Zijn gelaat gaf walging te kennen.
„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.”
„O, dat is een geheel nieuwe „obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok
Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,” „oendoek”, „oerat
minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet” [44]met „daoen gettal”
[45], tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.”
„En wil je me dat laten slikken?”
„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig
schitterende oogen, terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor
den mond hield, en met de andere den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens
ondervinden, welke heerlijke uitwerking.... Toe.... kom, slik! daarna
zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als gij...
Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig....”
Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of
wel de toezegging van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten?
Genoeg zij het, dat hij de oogen sloot, den mond opende; terwijl zij
hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en den vaal groenachtigen
inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde, zoo een
gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende
beweging volvoerde.
„Slikken!... Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem
zachtkens met de mollige vlakke hand op den rug. „Slikken!... Toe,
slikken!... Zoo!... zoo is het goed! En nu aflikken! Toe, het goedje is
te kostbaar!”
En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje
van het vieze goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te
likken en in te zwelgen, totdat hij eindelijk daarmeê klaar was.
„En nu het verhaal?” vroeg hij.
„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je
alles vertellen.”
Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare
nabijheid op den divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats,
en sloeg de beenen kruiselings onder haar lijf, waarbij de bovenopening
der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om een blik te gunnen aan een
boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en nog wel
geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te
zetten.
En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim
medegedeeld had, dat Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe
Dalima en,—alsof zij dat niet reeds wist, voegde zij er met een
vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor over had, om
het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst
was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten,
dat hij toen zijn doel niet bereikt had.
Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen,
de schoone Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd
behoorlijk waar, en wist de noodige nuanceering aan te brengen, hier en
daar van eenige schuchtere terughouding te doen blijken, dan weer eene
vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke, ja
het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot
van het verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken
Chinees tegenover de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een
vuurwerkbouquet eindigde, op het verbeide oogenblik plaats had.
Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk
gekleurde verhaal had hem geboeid. Maar,... was ’t het mixtum
compositum, hetwelk hij geslikt had, dat begon te werken? Of was het de
fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening der schoone
Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of
waren andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken
op haar kompas. Bij haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in
hetgeen zij uitsprak; wel meestal in hetgeen zij behendig weerhield, in
hetgeen zij met een schier niet waar te nemen gebaar te kennen gaf, in
het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van eene
pruilende beweging der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die
dien der engelen in naïeviteit kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan
ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten of aan den invloed
van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd en
hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij
het te weten, dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te
hebben, zichtbaar onrustig werd; dat hij zachtkens naar zijne
levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk genaderd
was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam,
leunde met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare
weelderige donkere krullen, snoof met kracht en met wellust den
bloemengeur, waarmede zij doortrokken waren, daaruit op, en sloeg zijn
arm om de aanvallige leest, die hem als het ware daartoe uitnoodigde.
In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in
lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden:
„’Mbok Karjå,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor
haren beschermeling, voor den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft
mij verzocht te pogen Dalima gunstig voor haren aanbidder te stemmen.
Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik zou maken, heeft zij
mij dit aangeboden.”
En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit
een fraai bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van
edelgesteente tot sluitstuk had.
„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden
waard.” Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De
prachtig roode koralen, met haren rooskleurigen weerschijn, deden
inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in hare bedwelmende
vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde
in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het
briljante sluitstuk tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja
daalde, waar het zijne naaste omgeving met zijne schitterende
lichtstralen overtoog.
Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte
het middel zijner echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde
haar onstuimig aan de borst, overdekte hare wangen, haar voorhoofd,
hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding met kussen, met
brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit:
„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!”
„De obat!... De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met
hare schoone oogen diep in de zijne staarde, en hem als het ware
verslond. „Zie je wel! De obat!... Ditmaal heeft ’Mbok Karjå, zich
zelve overtroffen!... Zie je wel, Gulpie!... Zie je wel...”
„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!... Ik voel
het. Ik steven met volle zeilen! Klaar bij het anker!... Betoel,
betoel! (inderdaad) Hari ontong!”