Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed
juist een ander voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die
toegang tot de voorgalerij verleenden, waarin de spelers gezeten waren.
Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig,
fijngevoelig, beschaafd meisje, als Anna van Gulpendam was, een briefje
aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman zoo
dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet
vergeten worden, dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef,
geheel aan den aandrang van baboe Dalima gehoorzaamde, en om redding
aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar hart gehoor gaf,
zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten kon
worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden
wel geen liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking
jegens elkander ontstaan was, geboren uit overeenkomstige
gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne wederzijdsche
aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen
stempel, wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat
waren, elkander van berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene
genegenheid bestond tusschen hen, dat viel niet te miskennen. Maar
voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen van hunnen
stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid
een meer teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat
wellicht ontsluieren.
„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid
vernemen?”
„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde
de resident tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo
aanminnig mogelijk antwoordde:
„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen.
Waarlijk, gij verwent ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.”
„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam
de pas aangekomene, „maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke
hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op zijn minst genomen, ik zou het
haast noemen, fâcheux troisième.”
Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie
hij zocht. Zich tot de heeren wendende:
„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u,
kolonel, en u, overste, evenmin. Gij allen zijt de gezondheid
gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met het partijtje? Wel, heer
secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere
tafeltje.
„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.”
„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een
oogenblik te laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld
en gewonnen!”
„Een vole, mevrouw?”
„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de
schoppen, groot mariage klaveren en harten zeven.”
„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?”
„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen
waren de troeven er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen
door met twee troeven...”
„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had
klaverenboer derde en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw,
boer, aas, enz., enz., dat viel achter elkander. Op die troeven speelde
mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens troef. Ja, ik had
de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog niet gevallen. En....
waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en....”
„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?”
brak eene lieftallige stem, die omberverhandeling af.
De aangesprokene keerde zich met drift om.
„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend.
„Maar, waartoe dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken
Devonshire-roos, zoo lieftallig, zoo....”
„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een
schalkschen glimlach zweefde bij die komplimentjes.
„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?”
„Neen, de kokkie deed dat.”
„En de thee?”
„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.”
„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?”
„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger
mannetjes-boonen gezet,” riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe.
„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten
van uwe kokkie, mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee
prefereeren. Dat heeft nog zoo iets vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik
u bidden mag, een kop thee.”
„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje.
„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?”
„Dat gij straks de fleurs d’oranger, gij weet wel die keurige
quatre-mains van Ludovic met mij speelt...”
Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht.
„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat
baat u ziet zooveel niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met
den rose nagel van haar allerliefst gevormd duimpje een knappend geluid
tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes veroorzaakte en een
spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „les fleurs
d’oranger! of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de
voorwaarde, die onmiddellijk de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar,
kolonel?”
„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, die geen woord van
de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van een
gewaagden sans-prendre, dien hij ondernomen had.
„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den
oorlog durven verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden,
speel ik den geheelen avond les fleurs d’oranger. Kom, dadelijk!”
„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,”
spotte het meisje. „Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht
overal en in alles steeds hetzelfde als in hun gerechtszaal, waar
zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld, of slechts
afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?”
„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.... zoudt gij mij
toestaan hier achter de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama
te ontvangen?”
„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen,
vervolgens voor de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van
Beethoven spelen....”
„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus
36, verzoeken?”
„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken
glimlach. „Nu goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas
op, dan de fleurs d’oranger! En,.... ga nu maar les nemen in het
omberen.”
Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar
fijn en gesloten spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam
en bedrijvig heen en weer trippelde, om toe te zien, dat de bedienden
stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd lieten.
Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en
aandachtig in hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de
uitstraling der prachtige en overdadige gaslampen, die de galerij met
een zee van licht overstroomden, heerlijk af. Karel van Nerekool was
een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden in
de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie
te Santjoemeh geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van
Batavia aankwam. Hij was een rijzig man, met blonde haren, die hij
uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden gelaat, waarvan de
Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst
werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht
gevulden knevel ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was
iets blonder dan het hoofdhaar, ja mocht op eene zekere mate van
vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet misstond. Zijne
beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne
omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten
volle verdiende. In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij
was een rechtsgeleerde in de zuivere beteekenis van het woord. Een
geleerde, een beoefenaar van het recht! Noch de studie der Pandecten,
noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis in een woord,
noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van het
Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de
casuïstiek eenige aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet
om daaruit casus positiones of juridische subtiliteiten te smeden;
neen, dan diende zij hem in tegendeel als gewetens-dialektiek, die hem
voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht door zee, eerlijk
als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen op
hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke
door een soort van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij
daarbij steeds den stempel van man van opvoeding en beschaving bleef
bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar het geringste te
omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht
verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik
in de verdorvenheid der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan.
Stipte rechtvaardigheidsbeginselen, rondborstigheid van uitdrukking,
gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen faktoren om in de
tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld
vooruit te komen!
Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als
rechterlijk ambtenaar uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan
hem en had dat dikwijls aan zijn chef, den voorzitter van den raad van
Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde, te kennen
gegeven.
„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool
is nog een jeugdig borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst
verorberd zal hebben [36], zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar
vervormd zijn. Wie onzer had, bij het begin zijner loopbaan in zijne
jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als hij?”
De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch
voelde zijn geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische
denkbeelden gekoesterd te hebben, althans met zoodanige, als waarmede
de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was.
De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te
turen.
„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van
Nerekool,” zei mevrouw met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter
mij zijt komen zitten, heb ik geen spel meer in handen gekregen. Ga aan
ginds tafeltje bij den resident eens kijken.”
„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!”
Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs.
Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de
woorden van den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de
stem van de dochter des huizes weerklonk:
„En mijn fleurs d’oranger, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom,
het is tijd.”
„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog
niets gehoord!”
„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij
omslaan.”
„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij
de twee jongelieden even natuurde, maar terstond weer naar haar spel
keek. „Kijk, daar hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap
heel andere kaarten op.”
„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van
Gulpendam van zijn kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch
hier doen?”
„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel.
„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen
zin.”
„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad
van Justitie, „en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen
niet ver.”
„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een
afdoenden toon in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit
aan de voorhand, welnu: sans prendre. Harten!”
De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet
zoodra waren zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool
begon:
„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik
dadelijk gekomen.”
„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje. En hardop
vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.”
En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de
sierlijk gesneden étagère, die naast de piano stond, haalden en
bekeken, fluisterde het jonge meisje:
„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd... Stil!
onderbreek mij niet, anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier
Lim Ho. Zij werd echter bevrijd door Ardjan, haren aanstaande. Die is
evenwel op last van den Chinees vreeselijk met karbouwen-bladeren
gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal...”
„Zie, hier heb ik de fleurs d’oranger, juffrouw Anna,” sprak van
Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel had hooren
opstaan, overluid.
„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O,
hier heb ik ze! Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op
de piano, als ik u bidden mag.”
„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach.
„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal
kunnen spelen en tevens mijn verhaal voortzetten.”
Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de
bladen om te slaan.
„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den
prachtigen aanvang aansloeg van dat in alle zijne deelen op groote
schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk, „dat Ardjan in het
hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij
ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat
briefje te schrijven.”
„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.”
„Luister aandachtig.”
En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste
gewaarwordingen des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn
kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling lieten komen; terwijl zij
al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen der jeugd, in
den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen
kunnen, tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen
des toondichters, doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die
den zonneschijn van zijn gemoed bedreigden, heerlijk lieten uitkomen,
vertelde het lieve kind de ontvoering en de redding van Dalima, in
welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden was; maar
ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium
ontdekt werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was.
Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en
zich geen enkelen keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo
aandachtig toe, dat geen woord hem ontsnapte. Bij de laatste woorden
betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas zeer goed opmerkte,
vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin een
verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die
van alle kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste
blijdschap op te wekken, tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers,
in de voorgalerij, die onder den invloed van het kunstvaardige spel een
oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne toejuichingen liet
hooren.
„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool,
terwijl de bravo’s voor nog weerklonken, fluisterend.
„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op
gedempten toon.
„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?”
„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van
dien aard.”
„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?”
„Dat wist Dalima niet... En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu
de fleurs d’oranger!”
„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal
worden, die opium aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe
bestaat niet de minste aanleiding; tenzij....”
„Sjtt.... straks!”
En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne
sprankelende noten, die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in
ware trossen, in ware bouquetten van melodiën naar buiten ruischten, en
zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg van levenslustige
opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm
der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge
meisje de laatste vraag van Van Nerekool:
„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en....”
Het lieve kind aarzelde.
„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles
mededeelen.”
„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.”
„Een weinig geluisterd?”
Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare
oortjes.
„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa
den oppasser hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon
de gedachte niet van mij zetten, dat dit in verband stond met Ardjan.
Toen de assistent-resident kwam, sloop ik dan ook achter het schutsel,
hetwelk de deur maskeert, en....”
„Nu, en...? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,”
„En, toen heb ik alles gehoord....!”
„Alles, wat?”
„Wat zij verteld hebben....”
„Ja, maar, wat hebben zij verteld?”
„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.”
„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?”
„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen....”
„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag
u dat af.”
„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.”
„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat
doen, als ik de toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er
geen schijn van gevaar, dat Ardjan van smokkelarij beschuldigd zal
worden. Wees openhartig met mij.”
„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het
is zoo moeielijk.”
„Waarin bestaat die moeielijkheid?”
„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar... komaan... gij
hebt gelijk. Ik zal openhartig zijn en u alles vertellen.”
En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide
ambtenaren gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte
waarde van de opiumpartij, noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema
bekend gesteld, noch het verhoor van den kapala oppas. Toen zij
mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den
politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood
hare wangen en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den
gemoedstoestand van de lieve maagd, die zich voor de daden van haren
vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte dat gesprek ter wille
van het meisje te bekorten.
„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had,
waarvan die opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat
schip genoemd?”
„Ja, ik geloof de Hing Kim Lin of de Lim King Him of zoo iets
dergelijks.”
„Kan het ook de Kiem Ping Hin zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar
met nadruk. „Bedenk u wel.”
„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.”
Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht
aan zijne lippen ontgleed.
„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij.
„Weet gij wien de Kiem Ping Hin toebehoort?”
„Neen.”
„Aan Lim Ho!”
„Aan Lim Ho?.... den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij
de handen voor het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen.
„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg.
Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare
ouders, waarbij zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van
schaamte ontsprongen hare oogleden, droppelden tusschen hare vingeren
door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl zij angstig
prevelde:
„Ach God! Ach God!”
„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen,
„laat de hoop niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat
in mijn vermogen is, om den onschuldige te redden. Dat beloof ik u.”
„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle
beweging hare oogen met haren zakdoek afdroogde.... „Maar mijn
vader?”....
„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.”
„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die
zaak gecompromitteerd worden?”
„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij
ongemoeid blijft. Wees gerust.”
„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn
ontroering te verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.”
„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap
nemen.”
Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de
ombreurs. Die waren evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige
oogenblikken later het kaartspel geëindigd was.
„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel,
terwijl hij met bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde.
Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam
vertrokken, en stond de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na
te turen.
„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets
te zeggen) klonk eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar.
Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten.
„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen.
„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.”
„Vergist, waarmede?”
„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij
Ardjan gevonden was.”
„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft
in te trekken, dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran”
(gevangenis) stoppen! Begrepen?!!”
„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en
onbegrijpelijk strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan
zijn voorhoofd brengende, de „sembah” (groet) eerbiedig volbracht.