HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM.

Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel,

dat de menschen op dat plekje daar voorbereidden.

De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene

luwe bries overgegaan. Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de

wortelboomen op het strand; met een harmonisch gemurmel kwamen de

golven, die als het ware aan de branding, welke de kust met een

zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen

oploopen, om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik

later weer te hervatten. Van de strandhut werd tusschen de beide kapen

door, die de Moeara Tjatjing omzoomd hielden, een vergezicht op de

volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht worden. Onder de

schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder

af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander

nog na, alsof zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een

golf met eene kuif van verblindend wit schuim, maar de geesel van den

noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer begreep, dat wat hij

daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem van

Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de

opening, door de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van

groen gevat, de schoenerbrik Kiem Ping Hin zichtbaar, die daar op een

kanonschots-afstand van den wal voor anker lag, en op de aanrollende

deining bevallig op en neer bewoog, terwijl de Engelsche vlag aan haren

gaffel in sierlijke plooien wapperde.

Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag,

stond een groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een

kaars, met hare bevallige kruinen van gevinde bladeren, die daar boven

hoog in de lucht onder de zachte bries wuifden. Overigens sloot het

Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte

wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de

hut, die slechts aan de zeezijde open was.

Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf

gerukt, en werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een

dier palmen recht overeind, met het gelaat naar den boom gekeerd,

gebonden. De touwen, die gediend hadden om de handen en voeten van

Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan den

boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden.

Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun

ontsteld oog bespeurde evenwel nog niet, wat zij zochten en toch

vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende, hoewel de stralen der

tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog boven het

hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de

kniegewrichten, die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden

gepaard, gedoogde. Die touwen toch waren van gemoetoe geslagen en

bijgevolg hard, ruw en stekelig.

Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig

rondkijken had hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren

gewapend, zien naderen. Hij wist dus, dat het folteruur gekomen was.

Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er

voor het oog breed hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen

bezaten, en wier beide oppervlakten zich wit donzig vertoonden, werden

met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden, een drietal bossen

gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden

drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed

hadden, de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de

zitvlakken, de dijen en de kuiten met die bladeren te slaan. Het was

eigenlijk geen slaan, wat geschiedde; het was meer een wuiven, een

streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van die naakte

lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik

toegebracht, alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde

verlaten, verjaagd moest worden. Het was een zeldzaam schouwspel, dat

daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen teekende onmiskenbaren

angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen gadeslaan,

geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen

zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren

frischheid toe te wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen

van pijn te vertoonen. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam

pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen, de spieren te werken en

te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte slagen,

ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al

meer en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de

beenen, den rug en den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden

verwrongen, de oogen puilden uit hunne kassen. Toch gingen de beulen

met hunne streeling voort. De ademhaling der ongelukkigen werd korter,

werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond. Zij knarsten

op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen

ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten!

„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond

ontvlood.

Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een

teeken aan de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling

door eene geregelde afranseling lieten volgen. Het regende toen slagen

op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid weerklonk onder het

gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen, die hen

bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die

slagen begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten

hooren; het was een gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan

hunne lippen ontwrongen; het was als het geluid van een wild dier, dat

doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende krachten

verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen

niet meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen

en beenen als slangen, die er zich om wriemelden; zij drukten zich

tegen die stammen aan, alsof zij zich er indringen, in verbergen

wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding, geene

kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet,

zag er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de

onmenschelijke inspanning, door de pijn veroorzaakt, drongen de

bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en verscheurden de weefsels

onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het bloed in

stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de

beenen en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem.

Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij

de onduldbare pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht!

Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd.

Het waren nog maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad

voorzien. De andere overblijfselen lagen verlept, verreten, vernietigd

rondom de drie lijders op den grond verspreid, en nog dacht Lim Ho er

niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij zijne

slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een

oogenblik halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen

der ongelukkigen met water te doen besproeien, waardoor de reeds zoo

onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden. De onmensch was op het

punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling een

alarmkreet vernomen werd.

„Orang oppas! orang oppas!” [21] klonk het.

Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de

beide gemartelde Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de

Niboeng-palmen gebonden hielden, en sleepten de halfbewustelooze

rampzaligen, die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden,

langs het pad voort, dat naar de aanlegplaats der sloep voerde. Een

paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook op Ardjan toetreden; maar

de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten van de

naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de

sloep bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen,

en was het vaartuig afgestoken, of een viertal agenten geleid door

Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners, verschenen al

schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet.

„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog

altijd aan den boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als

eene levenlooze massa aan de touwen hing, die hem omknelden.

„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch

gedaan?”

Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde

hem op een matje, dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de

rampzalige kon geen woord spreken. Hij brulde en raasde van de pijn en

wentelde over den grond met kronkelingen als een worm, die vertreden

was.

„Allah!... Adoe!... Sakit, sakit!” (O God... o wee!... Pijn, pijn!)

kreet hij.

„Sakit apa?” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast

hem gehurkt zat.

„Sakit Kamadoog!” brulde de lijder tusschen twee smartkreten.

„Sakit Kamadoog!” riepen de omstanders ontzet.

En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden

bladeren op, die tot foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de

menigte de vreeselijke brandnetel, die de meesten deed verbleeken.

En inderdaad, de Kamadoog [22] is een vreeselijk gewas in den volsten

zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige

branderige jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den

lijder gedurende minstens zeven dagen ondragelijke pijnen en

verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen, doet

ondervinden.

„Heeft ook iemand sirihkalk [23] bij zich?” vroeg Dalima smeekend.

Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte

sirihpruimpjes, die zij bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het

sirihblad, waarin de pinangnoot [24], de kalk en de tabak besloten was,

waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk daarvan aan het

meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali in

te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den

lijder, die in aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de

vreeselijke netel, was zoo groot en de voorraad sirihkalk zoo klein,

dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken niet met het

beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden.

Het meisje was wanhopig.

De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende

zonnestralen bevrijd te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als

den koortsgloed, die hem naar het hoofd steeg, vermeerderden. Toen

snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige kalk als wat olie te

halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den avond

hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de

lijder vervoerd zoude kunnen worden.

Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga

monjet voorbij en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de

opvarenden toe, terug te keeren en den wal aan te doen. Niemand stoorde

zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen vuurwapens bij de hand om

die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren. Het antwoord

was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw.

Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend,

welke bij hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen

en weer, in en uit liep. Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich

opwellen. Hij wilde naar den wal;.... maar voordat hij daartoe de

noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het zou toch als

krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de

gegeven omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht

van zijn geld mocht kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten

aanschouwe van al die dèsabewoners zoude de omkooping der

politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten woede

de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra

buiten de Moeara Tjatjing, en zette koers op de Kiem Ping Hin, waarop

de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen

vertrekken.

Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem

melden, dat de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien

was.

„Zeer waarschijnlijk is het de Matamata, die hier de kustwacht

uitoefent,” zeide hij.

„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de

lippen. „Bij nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te

voren hunne nadering. Bij dag jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar

den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is, en niemand onzer bedriegen

kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl zij voor ons

niet onopgemerkt bleven.”

„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn

uwe bevelen?”

„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel,

dadelijk onder zeil en koers naar het eiland Bali.”

Een kwartier later boog de Kiem Ping Hin bevallig stuurboord over onder

den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven naar het oosten.

Toen de Matamata ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het

smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler, de kim zeer nabij. Het

vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw des

hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige

gelegenheid slechts zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon

brengen, wanneer de vuren flink opgepookt en de veiligheidskleppen

bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den ranken

schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond,

gemakkelijk elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide

vaartuigen dan ook elkander uit het gezicht verloren.

Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om

haren Ardjan van een gedwongen ballingschap te redden?

Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld

had, wat haar met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd

gekost had, had zij zich beijverd, de banden te ontknoopen, die hare

voeten omkneld hielden. Dat was ook snel geschied, en met een

verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort. Een

oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou

naderen. Misschien zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar

hoorde zij de stemmen van de beide Chineezen, die het pad afkwamen om

haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het hart, en zonder te

bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk

maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren,

zij zou die smeeken; ja, maar... zou die?... Dan zou zij zich tot den

resident wenden om hulp, en die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel

als eene gejaagde hinde ijlde zij voort. Als echt natuurkind was zij in

dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den weg te kennen, en

ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen.

Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant

binnentrad, was het zeer vroeg in den ochtend. Het heerenhuis naderbij

komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen in de

groote „pandoppo” [25] met een boek in de hand op een „krossi gojang”

(wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare lectuur verdiept was.

Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige

beweging in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder,

kruiste de beenen onder zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu

met zacht schuivende bewegingen, waarbij zij zich met de linkerhand

opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed) in bedwang

hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog

altijd onafgebroken op en neer ging.

„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht

hare lippen ontvlood.

Het aangesproken meisje, in hare lectuur gestoord, vloog bij het hooren

van haren naam verschrikt op. „Siapa ada?” (Wie is daar?) kreet zij met

een lichten gil.

Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van

haren stoel opgerezen was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde

in de stralen der morgenzon, welke door de jaloezie-ramen binnendrong,

die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht in

de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette

met een matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere

krullen; met prachtige bruine oogen, die met hunnen lieftalligen blik

van eene zachtmoedige geaardheid getuigden; met frissche ronde wangen,

waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde, dat een

beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn

gevormde lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en

waaronder eene kleine afgeronde kin prijkte, die evenwel een kuiltje

vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn teeder rozenrood den

blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve kind

was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die evenwel

zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de

bewering niet te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een

der meest volmaakte meesterstukken van de schepping verscholen was. Zoo

als zij daar stond, was een der slippen van de kabaja bij haar

verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden

sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend

modelleerde, verder over het been afviel en een allerliefst blank

rooskleurig voetje schalks zichtbaar liet, dat met de teentjes even in

een geborduurd snoeperig slofje verscholen was. Hoewel het uiterlijk

van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare zacht

blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen,

met haren zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat

zij een Makart gerust tot model had kunnen strekken.

„Siapa, ada?” was haar verschrikte kreet geweest.

„Saja, Nana,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar.

Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten

te ontwerpen, heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden

met het gebruikelijke „nonna” (juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima,

die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare lieftalligheid, een

schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot

van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna,

eindelijk tot Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana

met de roman van Zola geen punt van overeenkomst heeft; ook niet met

het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow in Engelsch Indië zoo’n

treurige vermaardheid kreeg.

Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij

daar Dalima gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van

haren schrik. Zij wilde het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding

zitten bleef.

„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van

daan? O, mama is zoo boos op u.”

„Nana, ik ben ontvoerd geworden.”

„Door wien?”

„Door lieden van Lim Ho.”

„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht

geweest?”

„Ja.”

„Den geheelen nacht?”

„Neen; Allah heeft mij beschermd, en...”

„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de

meisjes schrikken deed.

Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat

de twee jonge meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de

badkamer, zoo als haar rijke zwarte haardos bewees, die in prachtige

golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt had, hoewel zij rug en

schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij nu onder

het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan

eene „nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden

onmiddellijk volgde, overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten

drogen.

Mevrouw Laurentia van Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige

matrone, van ruim zeven lustra, wier uiterlijk nog zeer bevallig was en

niet te veel door het moederschap geleden had. Zij had maar een kind,

de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken

boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien

verwelken, aan de zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo

veel voorzorgen deed zich toch de invloed van den tijd gelden, en al

moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast met eere torschte, zoo

waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog andere

toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje

te „breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd

veel met marinezaken had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der

zeemanswereld bij alles, zoowel in zijne officiëele omgeving, als in de

huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat te helpen, nog de

frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele

zilverdraad in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden;

wanneer nènèh Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat

verraderlijke haar uit te trekken. De nog steeds fraai gevormde lippen

begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; ook de mondhoeken

volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende

beweging, die eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong

toewa had ook voor het mondtoilet eene zuurachtige vloeistof, welke

door eene soort van „semoet api” [26] geleverd werd, en als vinaigre de

toilette dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje

uit vet van „tjitjaks” en „gekko’s,” [27] waarin in gesmolten toestand

ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood gestorven waren.

Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen” [28] nog meer wondermiddelen

ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia nog steeds

haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen,

dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten

haar middel, hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed

op eene dansreceptie verscheen, nog steeds afwijkende gedachten bij het

mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij het vrouwelijke gedeelte

van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den eereprijs

toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot,

wanneer zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en

opmerken kon, hoe gevierd en aangebeden deze werd.

Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig

meisje, toen zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen

zeventien jaar oud—in het huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die

destijds controleur bij het binnenlandsch bestuur en de rechterhand van

haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar uit volbloed

Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding

hadden gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het

onderwijs in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun

kind voor een paar jaar naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven.

Onder gewone omstandigheden zou zij dan ook tot eene uitstekende vrouw

gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel ontbroken; omdat papa

en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven,

of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de

zucht tot grooten sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel

geld, zeer veel geld zelfs, en de middelen, die gebezigd werden, om dat

aardsche slijk machtig te worden, konden niet altijd den toets van

welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia gesprekken

opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen

bijgewoond, waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den

voorrang twistten, en zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij

kiemen van verderf in zich opgenomen, die de grootste verwoestingen

zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen terecht

gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar

was het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar

gebezigd als eene bron van financiëele inkomsten, die terdege

geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover slechts een uiterlijk

vernisje van goede manieren, un jargon de bon ton moest aangebracht

worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest.

Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in

geslaagd zijn, om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar

deze, naar Indië gegaan om carrière te maken, en dan zoo spoedig, maar

vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug te keeren, was zelf van

geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool bij

den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op

beteren weg te brengen. Daar had hij den stelregel: make money... but

make money als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone

Laurentia had het hare bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen

schieten.

Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor

zorgde steeds uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der

residentie van zijn schoonvader te erlangen. Zoo was hij controleur te

Brandowo geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen

waar nagenoeg geen Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus

niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin had kunnen gadeslaan.

Hoe hij daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den

regent van wege de cultuurprocenten [29], èn met den gedelegeerde van

den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen van de

Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe zij geld uitleende

tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als

juweelen, poesaka-wapens [30] enz. in onderpand aan te nemen, was een

diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam niet verhinderd tot resident

op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen gunstige

uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de

gedurige aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds

voor hen bogen, was vooral het humeur van Laurentia onverdragelijk

geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw verpersoonlijkt, en dat

karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat zij,

wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met

vorstelijk voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus

vertoonde, voor een uitmuntend beeld van Juno, die meest trotsche van

alle godinnen, zou hebben kunnen dienen.

Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van

baboe Dalima gramstorig uitriep:

„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je

geweest? Zeker, jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan”

(vrijer).”

„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik

ben niet weggeloopen.”

„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?”

„Ik werd ontvoerd.”

„Door wien?”

„Door vreemde Chineezen.”

„Hoe heeft zich dat toegedragen?”

Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds

vernam. Alleen dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een

kind van den broeder van den resident was, dat sedert geruimen tijd bij

de familie logeerde, daar de vader, sedert jaren weduwnaar, zich op

Billiton bevond.

„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder

aandoening in hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die

schaking.

„Aan boord van een groot schip.”

„Van wie was dat schip?”

„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”...

„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang

Bing, den opiumpachter?”

„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna

Anna gehurkt zat, bedeesd.

Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare

oogen een bizonder vuur vertoonden.

„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie

verlangt, en bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter.

Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg

Laurentia haastig en met hijgenden boezem:

„En?”....

O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de

wereld was. Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was.

„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm.

„Dat kan ik begrijpen,” [31] fluisterde de njonja meer dan zij sprak,

terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik

begrijpen, alvorens....”

Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw

van Gulpendam bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild

glinsterende oogen, die vooruitdringende, licht trillende onderkaak,

die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling sissend doorgang

verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte

kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op

dat gelaat was alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam

zich niet aan het opiumschuiven overgaf.

„En,.... wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos

aangestaard te hebben.

„Niets,” was het rustige antwoord.

„Niets!.... Je liegt, anak s...... [32] Lim Ho zou je aan boord van een

vaartuig gelokt hebben, om....”

„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het

meisje snel in.

„Gered!... Gered!... Door wien?”

„Door Ardjan!”

„Door Ardjan!??? Door Ardjan!... O, jou slecht schepsel!” kreet de

njonja. „Nu begrijp ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten,

om een slippertje te maken met jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim

Ho verschuilen!... Wacht, ik zal jou!... Gulpendam!...

Gulpendaaam!!...”

Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en

schril door de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in

den waan dat er onraad was.

„Pangil toean besar!” (roep den grooten heer) klonk het bevel.

„Ampon, njonja, ampooon!” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het

meisje op langgerekten toon.

„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!”

Baboe Dalima · 第 16 / 94 题