IN DE DJAGA MONJET.

Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid

geslagen waren. De pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer

uitgezet, werd pijnlijk aangedaan door het schelle licht, en moest tijd

hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien konden. Maar, toen zij

zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken, ontwaarden

zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel

gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt

hadden, gescheurd, gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren,

en het blauwe azuur des hemels overal door lieten. In het oosten was de

hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen luister boven den

horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de golven

op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren

van de kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht

hadden onze Chineezen geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met

scherpen blik de oppervlakte der zee, niet om het wentelen der golven,

of het breken der branding van den nog steeds verbolgen oceaan gade te

slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud,

getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te

bespieden, wat op die oppervlakte voorviel, hetgeen hunne

belangstelling meer gaande maakte.

Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de

aanrollende golven danste en stampte. Met het bloote oog was te zien,

dat het een schoenerbrik was, die onder klein zeil scherp bij den wind

lag, en de kust niet scheen te willen naderen. Aan den voortop woei een

seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden was. Liem

King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de

laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene

bergplaats vond in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen

en de latten, die deze laatsten droegen. Na een poos turens, waarbij

hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot zijn makker:

„Het zijn de letters T. F. N. W., die daar op een rooden achtergrond

wapperen. Het is ongetwijfeld de Kiem Ping Hin, die gisteren avond had

moeten aankomen en die....”

„Nu ten anker zal willen komen.”

„Neen, die buiten den smokkel-rayon [14] wil blijven. Ziet ge, nu gaat

zij over stag.... loopt meer uit den wal.... Thans bergt zij hare

zeilen, gaat voor anker....”

„Dat’s brutaal! De Matamata was van nacht nog hier.”

„Waar de Kiem Ping Hin thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets

doen. Daarenboven van dien is niets meer te bespeuren. De schoener

voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche vlag. Onder die is

hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s”

(Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.”

„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.”

„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten

spoeden.”

„Gij!”

„Neen, gij!”

„Waarom niet beiden te zamen?”

„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en

onbewaakt te laten,” antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende.

„Laat er ons dan om dobbelen.”

„Mij goed.”

Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor

den dag, waaronder ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere

behendigheid op eene houten plank, die voor dat spel bestemd scheen. Na

den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes in een groep bij

elkander lagen. Daarop wierp Khan Than.

„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij

elkander. Gij teldet maar vijf.”

„Nu, dan ga ik.”

„Maar, mondje dicht over Dalima!”

„Natuurlijk,” was het antwoord.

Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling.

Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo,

dat, terwijl hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen

enkele beweging van den Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om

gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte der zee voorviel. De djaga

monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand der kleine

baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets

aan zijne waarneming ontsnappen kon.

Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een

vijftal Chineezen langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen;

hij zag dat vaartuig afsteken, over de oppervlakte der deinende zee

glijden, in de branding geraken, daarin stampen, slingeren en

worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat

moeielijke punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van

hem, die het roer in de hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de

golf gericht hield.

„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij.

Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam.

„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried.

„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar

schiet de sloep de Moeara in.”

Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog

door het water, toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven

gekomen was. Achter de sero’s en in de baai trof de sloep glad water

aan; zij schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de

aanlegplaats bereikt, waar Liem King het gezelschap wachtte, en het

onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde.

Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig

verlaten, of de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van

een hunner, om eenige blikken en vaatjes, die op den bodem der sloep

opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in allerijl achter eenige

struiken te verbergen.

„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende,

die er uitzagen, alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten

hadden, en allen het cachet van Van der Leeuw [15] in groen lak

vertoonden.

„Ik wou, dat ik maar een paar taël [16] van die boter had,” antwoordde

een ander lachend.

„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling

toe. Daar kunt ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw

zuur verdiende gagie verlost zijn.”

„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die...”

„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.”

Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog

verborgen, waarna de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven.

Daar vond intusschen een ander tafereel plaats.

Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd

onmiddellijk een aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die

steeds zwaar gekneveld op den bodem uitgestrekt lag. Liem King had

onder weg de bizonderheden van de gevangenneming van den Javaan

verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op

Dalima doelde.

Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de

aanvoerder der overigen, ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene

geel fletse gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande

oogen, aandachtig toegeluisterd. Hij had een glimlach van tevredenheid

niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi”

Ardjan was, die gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was,

vroeg hij op onverschilligen toon:

„Was de Javaan alleen?”

„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King.

Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho.

„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij.

„Ja, babah.”

„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?”

„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de

djoekoeng vonden, lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof

hij in het water gelegen had, en waren de bamboezen der sajab

verbrijzeld.”

„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam.

Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem

evenwel met een blik te verwaardigen:

„Waarom ben je ontvlucht?”

„Ik had „sakit hatie” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij

aan boord en wilde naar de dèsa terug.”

„En daarom heb je Dalima meegenomen.”

Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten.

„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder.

„Verdronken!...” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar

verdronken?”

„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van

de Kiem Ping Hin ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat

gebeurd? Misschien heeft Dalima zich nog kunnen redden.”

„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet

Ardjan. „Wij zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het

noodweer, ik zeer vermoeid van het pagaaien.”

„Maar, waar is zij dan gebleven?”

„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.”

Die twee stonden te bibberen van angst.

„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op

antwoord!”

„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan.

„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King.

„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan,

terwijl hij van ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut

dreunde en schudde.

„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima

armen en beenen gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en

zijn daarna het meisje gaan halen. Zij zijn evenwel zonder haar

teruggekomen.”

Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan.

„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem

King.

„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan.

Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid

weerklonk. Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut

aangekomen waren, trad binnen.

„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel.

In een oogwenk waren allen binnen.

„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than

Khan wees.

Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die

twee Chineezen mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De

touwen werden zoo strak mogelijk aangehaald! De slachtoffers kermden.

O, als het eens op Java tot eene uitbarsting mocht komen! Dan wee, de

zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene andere

natie ook niet in de klem zou geraken?

Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho:

„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht!

Vijfhonderd „ringgiet’s” (rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind

opspoort en mij uitlevert!”

Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende

naar buiten.

Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich door een zijner

volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan een

langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak,

met goudgeele haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige

halen, waarbij hij den rook door de neusgaten uitblies. Hij zette zich

toen neder op den eenigen stoel,—een lomp onbehouwen meubel, met de

„gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig, terwijl de

overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan.

„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de Kiem Ping Hin

ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje

haakte?.... Maar, pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand,

dat begrijp je!”

Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden.

Zooals hij gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij.

„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. „Daarna zal ik zien.”

Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden

Javaan van de bamboe te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen

hield. Toen dat marteltuig verwijderd en Ardjan wat tot verademing

gekomen was, beval de Chinees:

„Komaan, spreek; ik luister.”

„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de

Kiem Ping Hin ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe

Kalajan niet ver van Santjoemeh ten anker, toen eene djoekoeng op zij

schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten waren. Aanvankelijk

dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den schoener

behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen

bij het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets

kwamen halen, brachten zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den

vorm had van een menschengedaante. Dat ging mij echter niet aan; zoo

iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf dat pak in de hut van

den kapitein brengen. Ik lachte en schertste zelfs met de twee

Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein Awal Boep Said

wachtte.

„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat

hem, zooals ik meende, genoegen moest doen. Maar, in stede van naar

zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en beval mij zorgvuldig uit

te kijken, daar hij gasten verwachtte.

„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar

uwer vrienden aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet;

want het was reeds nacht geworden, en de noordwester storm was in

aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan boord, of hij brak los. Toen

ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig dacht ik

aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep

Said op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje

te nemen; maar de kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg,

deed de brassen strak zetten, en een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg

mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek niet verlaten.

„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank

uitgestrekt, en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen

en zwelgdet met blijkbaar genoegen den rook in. Naast u stond een uwer

volgelingen, die bezig was een balletje „madat” klaar te maken en te

kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe” [17] zich in uwe

nabijheid in een doosje bevond.

„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door

overmatige prikkeling verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig.

Een duifje was in uwe macht, gij moest uwe uitgeputte krachten

opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke genietingen van uw

slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium en

weet er gebruik van te maken.

„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een

hadji heeft mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed

is, en dat de gelukzaligen in den hemel slechts door dat middel hunne

krachten schragen, en ten gevolge van dat middel zoo door de hoeri’s

geliefd worden.

„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot

nieuwsgierigheid dwong. Sedert lang is Dalima mij door hare ouders tot

vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen, om de som

bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen.

Als ik die zal bezitten, dan is de huwelijksdag daar. Maar, ik weet

ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk schier

dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje

haakt;.... ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;....

ik weet, welke som gij haren vader voor hare onschuld geboden hebt....

Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten was. Toch had ik nog geen

erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen. Haar vader

had u met zijn kris gedreigd.... Hoe zou de baboe van den toean

resident in uwe macht geraakt zijn?.... Dat was immers onmogelijk....”

„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door

het verhaal van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!....

Vertel eens, Ong Kwat, hoe zij je in handen kwam.”

„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de

djoekoeng verhaald. Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van

haren heer, in de Salak-laan [18] achter het residentiehuis. Het kind

wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima bad een Chinees, die

daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij voldeed

aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven,

wierp hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind

liep juichend den bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje

toe, dat zonder erg het kind natuurde, stopte haar, voor dat zij een

gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar een zak over

het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene

djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig

stelde zich in beweging, en een uur later was zij aan boord van de Kiem

Ping Hin....”

„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho.

De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en

antwoordde:

„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!”

„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw

je voor leugens!”

„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho,

waart geheel versuft van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog

niet bereikt, dat de opium iemand in woestwilden hartstocht doet

ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed, wijdde zijne

geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u

beiden was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het

licht der lantaarn, die er brandde, herkende ik in een oogopslag

Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong op haar toe, en sneed in

een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met lichten tred

uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die

ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het

voorschip achter een hoop zeilen geborgen, die daar lagen.

„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien

daaraan te danken, dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De

kapitein Awal Boep Said liep met angstige schreden het achterdek op en

neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer door de vingers

glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar! (God

is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere

opvarenden schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen

zeeziek in hunne kooien lagen.

„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng,

waarmeê Dalima aan boord was gebracht, en die op zij van het schip op

de golven lag te dansen, naar mij toe. Het meisje gleed langs een touw

er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai) en weldra dreven wij,

door den wind voortgezweept, ver van de Kiem Ping Hin.

„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het

residentie-huis lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit

kwam, grepen haar wind en stroom en dreven wij op Allah’s genade heen.

„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig lagen. Die hebben

belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in de

branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle

macht. Als wij die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het

gelukte mij eindelijk die branding te doorworstelen. Nog een poging....

en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij geland waren, viel ik

uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen, hadden

Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd

hierheen gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb

haar niet meer terug gezien. Ziedaar, de volle waarheid.”

Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim

Ho nadacht en niemand durfde zijn gedachtengang storen.

Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King

wendde:

„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?”

Geen van beiden antwoordden.

„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl

hij zijne twee gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer

uitgestrekt lagen, een schop met zijne harde sandalen in de zijde gaf.

„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij

hebben geen meisje gezien.”

„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij

bij hem aankwamen.”

„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk.

„Maar, ik lag uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet

kunnen verdedigen. Babah, ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten,

wat er van het meisje geworden is.”

Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken,

wat hem te doen stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der

hut eenige stemmen. Het waren de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt

hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne pogingen vruchteloos

geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden.

Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van

Ardjan.

„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der

roeiers, terwijl hij een bundel touwwerk liet zien. „Dat heb ik bij een

struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland is, gevonden.”

„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de

polsen en de enkels van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig

en bedaard.

Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat

stomme bewijs hunner leugentaal snoerde hen den mond.

Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn

Liem King van angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel

doof voor hunne kreten, verwaardigde hen ter nauwernood met een blik;

terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen met koele woede een schop

toebracht.

In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de

Javaansche roeiers met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner

stoven naar buiten; terwijl de anderen de twee gebonden Chineezen,

alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed maakten hen naar buiten

te brengen.

„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan.

„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht.

„Wij weten het niet.”

„En gij?” was de vraag tot Ardjan.

„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den

toean resident teruggekeerd zijn.”

„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt.

„Geen medelijden met kerels als gij!”

„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen.

„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!”

antwoordde Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste.

„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan

wendde. „Gij, die u vermeten hebt, dat meisje van boord te

ontvoeren....”

„Zij is mijne bruid!” kreet deze.

„Uwe bruid!... Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen

hond zou kunnen zijn! Maar .... ge zijt gisteren avond van de Kiem Ping

Hin ontvlucht. Is er in de djoekoeng?...”

Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich

bij die half uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho.

„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als

de witte bloem, waarvan zij den naam draagt. [19] Daarenboven ik had in

die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders te doen dan

te minnekoozen.”

„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt,

dan was je den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist

hebben! Nu zal ik je alleen maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik

wil de geschiedenis met Dalima vergeten.... Maar,” ging hij met een

grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers kennis

van de oogmerken van de Kiem Ping Hin te geven....”

„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit.

„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho

voort, zonder op de ontkenning van den Javaan acht te slaan.

„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben

ontvlucht, om Dalima te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen

verrader!”

„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!” ging de Chinees

onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze

vereeniging, nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar

krijgen; daarna zal ik je aan boord van de Kiem Ping Hin laten brengen,

niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet

te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen

terugkeeren, blijven zult, zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.”

[20]

„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens

de kongsie gepleegd. Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan

waar Dalima woont!”

Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren

jegens den medeminnaar, die de genegenheid van het lieve meisje bezat,

dat wist hij. Hij verwaardigde zich tot geen enkel antwoord; maar gaf

een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden, en hen met

slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden

afklimmen; maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en

zich dus niet grijpen konden, een voor een naar beneden ploften en

liggen bleven, tot dat zij weer overeind geholpen werden.

Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de

pret, terwijl deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de

roeiers nog meer aanzette, om hunne hardhandige geestigheden op de

slachtoffers bot te vieren.

Baboe Dalima · 第 14 / 94 题